Indira Van 't Klooster

DE WITTE RAAF

Editie 143 januari-februari 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Utrecht Manifest 2009

3de Biënnale voor Social Design

Zou Richard Reynolds, de drijvende kracht achter het fenomeen Guerilla Gardening, hebben gedacht aan Ebenezer Howard toen hij in september 2008 zijn reuzenzonnebloemen plantte tegenover het Parlementsgebouw in Londen? Waarschijnlijk niet. Misschien zou het hem ook niet bevallen dat hij in een theoretische traditie – van de tuinstadgedachte nota bene – wordt geplaatst. En zou hij verbaasd zijn te vernemen dat hij zich, met zijn acties om verwaarloosde openbare ruimte in één nacht een fleuriger aanzien te geven, feitelijk bezighoudt met Social Design. Althans, in de visie van Claudia Banz, curator van de tentoonstelling Unresolved Matters: Social Utopias Revisited in het Centraal Museum in Utrecht. De expositie is onderdeel van Utrecht Manifest.

De tentoonstelling draait om de vraag: Hoe kunnen historische theorieën over social design van nut zijn in de hedendaagse discussie over sociale vormgeving? Banz koos haar perspectief trefzeker aan de hand van drie buitengewoon relevante boeken: Garden Cities of Tomorrow van Ebenezer Howard (1902), Befreitenes Wohnen van Siegfried Giedion (1929) en Design for the Real World van Victor Papanek (1971). Deze baanbrekende geschriften schragen de onderdelen van de expositie: social green, social sculpture en social transparancy. Het zijn boeken die, méér dan de theorieën van gerelateerde tijdgenoten zoals Le Corbusier, Walter Gropius en Buckminster Fuller, worden gekenmerkt door een heldere, geëngageerde mening over hoe het ontwerpen kan bijdragen aan het welbevinden van de mens in de breedste zin van het woord. Daarbij staat vormgeving als zodanig niet centraal.

De tuinstadgedachte van Howard gaat ervan uit dat mensen niet gelukkig kunnen zijn in de stad, vanwege bijvoorbeeld slechte, dure woningen, een slecht klimaat en onveiligheid. Maar ook niet in een dorp, omdat daar niets te beleven is. Zo worden mensen als vanzelf getrokken naar een tussenvorm, de tuinstad, een concept dat als sociaal, maatschappelijk en ruimtelijk paradijs tot op de dag van vandaag bestaansrecht heeft. Banz legt verbanden met vroegtwintigste-eeuwse initiatieven zoals de Duitse tuinstad Hellerau en Broadacre City van Frank Lloyd Wright en Milton Keynes, dat in de jaren 60 als een van de laatste tuinsteden naar oorspronkelijk ideaal werd gebouwd. Van daaruit trekt Banz de lijn door naar recentere fenomenen, zoals Guerilla Gardening. Deze beweging van voornoemde Reynolds heeft inmiddels wereldwijd navolging gekregen als politiek protest tegen verwaarloosde stedelijke ruimten. Urban Farming is de meer salonfähige variant, maar beide sluiten aan bij een ontwikkeling waarbij wordt gekeken naar hoe de stad wederom als autarkische gemeenschap zou kunnen functioneren, door bijvoorbeeld in eigen voedselbehoefte te voorzien.

Victor Papanek stelt dat design moet voldoen aan de werkelijke behoefte van de mens. Weg dus met alle vormwil en producten die niet werken of geen concreet probleem oplossen. Papanek ontwierp een televisie voor de Afrikaanse markt die kostte en ter plaatse kon worden geproduceerd (en aldus ook in werkgelegenheid voorzag). Ook is hij de ontwerper van een stoel die de wervelkolom ontlast en het lichaamsgewicht evenwichtig verdeelt over het vetweefsel. De televisie werd echter om politieke redenen geboycot en de stoel – succesvol in de verkoop – haalde hij zelf uit de handel omdat hij hem te lelijk en te duur vond. De real world en het real design dat daar een plaats in moet vinden, brengen zo hun eigen problemen met zich mee, maar in feite stelt Papanek de cruciale vraag die elke hedendaagse vormgever zich stelt: Hoe kan ik bijdragen aan de samenleving én een mooi product maken? Ook met zijn ideeën over duurzaamheid, ecologische processen en open source is Papanek zijn tijd vooruit. Het is dus niet verwonderlijk dat hij momenteel veel aandacht geniet van de designwereld. Voorbeelden van hedendaagse navolging zijn niet zo dik gezaaid. Te zien is Earth Cloth van El Anatsui (2003), een wandkleed vervaardigd uit platgeslagen kroonkurken. Het grijpt in op de import van drank door koloniale machten in Afrika, op de aanwezigheid van de vele drankdistilleerderijen en op lokale textielambachten. Het is prachtig, maar sociale vormgeving kun je dit kunstwerk nauwelijks noemen. Hedendaagse initiatieven, zoals de ontwerpen van Architecture for Humanity voor onderkomens voor daklozen of de Refuge Wear van Lucy Orta, ontbreken. Wel zijn er historische gebruiksvoorwerpen die aansluiten bij de kerngedachte van goed en goedkoop, zoals papieren mode, de Mezzadrokruk (1957), de Miesstoel (1968) en de Blow Chair (1967).

Het grootste probleem vormt de derde invalshoek, social transparency. Giedion is zeer uitgesproken in Befreites Wohnen, het dunste boekje uit zijn carrière als criticus en onderzoeker. Bevrijd wonen is: ‘befreit sein vom Haus mit den teuren Mieten, vom Haus als Monument’. Wat we nodig hebben, is een goedkoop en open huis dat ons leven verlicht. Schoonheid is: ‘LICHT, LUFT, BEWEGUNG, ÖFFNUNG’. Enfin, sindsdien een bekend gegeven. Het modernisme betekent een kentering in de architectuurproductie en het architectuurdebat. Massaproductie, goedkope woningen, functionalistisch ontwerp staan daarbij centraal. De architectonische invullingen liggen – in die tijd – voor het oprapen. Het Glaspalast van Bruno Taut is een mooi voorbeeld van het grenzeloze vertrouwen in nieuwe materialen en nieuwe vormen. Alleen al de inscripties in het (in 1920 afgebroken) gebouw getuigen daarvan: ‘Ohne Glaspalast ist das Leben eine Last’ en ‘Was wäre die Konstruktion, ohne Eisenbeton?’

Helaas ligt het modernisme vooral in de architectuur momenteel nogal onder vuur. Niet langer geldt het in het glaspaleis gehouwen credo: ‘Das Glas bringt uns die neue Zeit, Backsteinkultur tut uns nur Leid.’ De tentoonstelling toont dan ook geen enkel hedendaags voorbeeld van social design in de architectuur. Omdat ze er niet zijn? De vraag naar massawoningbouw is natuurlijk wat achterhaald in de hang naar kleinschalige retroarchitectuur in een krimpende stad, maar een sociale component moet toch wel ergens te vinden zijn? Bas van Vlaenderen komt in aanmerking met zijn aanpak voor portieken in wederopbouwwijken, of een aantal projecten in de hoek van collectief-particulier opdrachtgeverschap zoals in Tübingen of Rotterdam. De aardbevingbestendige gebouwen van de Smart Shelter Foundation van architect Martijn Schilkamp toch zeker ook.

Er zijn inderdaad een hoop onopgeloste zaken met betrekking tot sociale vormgevingsinitiatieven, maar hoe de geschiedenis hier een nieuw licht op kan werpen wordt helaas niet verwoord. Onduidelijk blijft of Unresolved Matters een lijn wil trekken vanuit de geschiedenis, die zeer uitvoerig aan bod komt, naar het heden. Toch is Unresolved Matters: Social Utopias Revisited een dappere tentoonstelling, alleen al vanwege de zware theoretische lading. Om te begrijpen waar het over gaat, moet de bezoeker zich flink inlezen. Tegelijkertijd toont de expositie met verve dat vormgeving niet alleen een kwestie is van ontwerp, maar ook van ideeën over de rol van ontwerp in het alledaagse leven. De term Utopia is eigenlijk niet correct. De gekozen theorieën zijn lang niet zo utopisch gebleken als je op grond van de titel zou kunnen vermoeden. De hedendaagse voorbeelden in de tentoonstelling lijken tamelijk willekeurig gekozen en vormen een marginaal onderdeel. Maar het zou kunnen dat de beperkte aanwezigheid van moderne sociale vormgeving te verklaren is uit het feit dat die gewoon niet bestaat in de visie van de curator. Of zoals ze zelf antwoordt op de vraag wat sociale vormgeving voor haar betekent: ‘It’s still a utopia.’ In deze tentoonstelling is dat inderdaad het geval.

Unresolved Matters tot 14 februari in Centraal Museum, Nicolaaskerkhof 10, Utrecht (030/236.23.62; www.centraalmuseum.nl). Zie ook www.utrechtmanifest.nl.