Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 146 juli-augustus 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Thomas Demand.

 Met zijn ‘tentoonstelling’ Nationalgalerie in het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen realiseert de Duitse fotograaf Thomas Demand een waar huzarenstuk. Hij slaagt er zowaar in een hele tentoonstelling te laten ‘verdwijnen’. Hoe overdonderend dit radicale gebaar ook moge lijken, het is toch ook enigszins teleurstellend. Rest de toeschouwer immers iets anders dan wat beduusd en verweesd te applaudisseren voor deze magische krachttoer? Vertwijfeld vraagt hij zich af waarop hij zijn aandacht moet richten: wat wordt hij geacht te zien, te lezen, te ervaren? Heeft hij eigenlijk wel iets gezien?

Nationalgalerie was oorspronkelijk een tentoonstelling gemaakt op maat van de Duitse Neue Nationalgalerie in Berlijn. Voor de verplaatsing naar Rotterdam besliste Demand een bijna exacte kopie van de tentoonstelling na te bouwen. Dat het wel degelijk om een replica gaat, blijkt al meteen uit de verandering van de achtergrond waartegen de beelden worden geplaatst: de gedrapeerde gordijnen van Berlijn zijn in Rotterdam vervangen door een fotografische reproductie ervan. Deze modificatie van de achtergond zorgt ervoor dat de beelden op een heel andere manier aanwezig zijn. In Berlijn viel de nadruk op de materiële, sculpturale kwaliteit van de grootformaatprints zelf en wat ze afbeelden. In Rotterdam valt de klemtoon op de gevolgde procedure. Niet langer de inhoud is belangrijk, wel de manier waarop de beelden tot stand zijn gekomen.

Voor de rest blijft alles hetzelfde: net zoals in Berlijn worden de beelden vergezeld, becommentarieerd, uitgedaagd door korte teksten van Botho Strauss en video’s van Alexander Kluge. Zowel tekst als video blijven echter op zich staan en interfereren nauwelijks met de beelden. Alhoewel de beschouwende observaties van Strauss geënt lijken op de beelden, is het vaak onduidelijk hoe ze zich uiteindelijk tot dat beeld verhouden. Ook ruimtelijk worden ze strikt gescheiden van de beelden die ze geacht worden toe te lichten. Ze liggen in vitrinekasten die haaks op de beelden staan; je kan niet tegelijkertijd de tekst lezen en het beeld bekijken, beide activiteiten worden resoluut uit elkaar getrokken. De teksten verklaren de beelden niet, maar cirkelen eromheen. Net hetzelfde geldt voor de video’s van Alexander Kluge: alhoewel thematisch verwant met de beelden van Demand (ook zij trachten de complexiteit van het Duitse verleden te verbeelden), worden ook zij duidelijk apart geplaatst. Drie monitoren staan in een uitgeholde wand in het begin van de expo, twee andere video’s worden gepresenteerd in een afzonderlijke zaal.

Beeld, tekst en video vullen elkaar niet aan, maar lijken elkaar eerder in de weg te lopen (ieder eist een maximale autonomie op). Wat ze gemeenschappelijk hebben is de eerder afstandelijke wijze waarop ze het toch niet onbesproken Duitse verleden aankaarten. In plaats van de toeschouwer onder te dompelen in de geschiedenis, zoeken de eerder abstracte teksten van Strauss, de gekunstelde beelden van Demand en de gelaagde video’s van Kluge, eerder naar een vorm om de mogelijkheid tot geschiedschrijving via taal of beeld te problematiseren. Opnieuw worden wij als kijker en lezer van het getoonde (en/of vertelde) verleden weggeduwd, alsof er geen enkel contact mogelijk (of zelfs maar wenselijk) is.

Die afstand tussen ons en het getoonde en de daarmee gepaard gaande verwarring zijn niet alleen kenmerkend voor de tentoonstelling als dusdanig, maar maken ook het hart uit van Demands werkwijze. Zo is het om te beginnen al helemaal niet duidelijk of we Thomas Demand nu als een beeldhouwer dan wel als een fotograaf moeten beschouwen. Het eindproduct van zijn artistieke procedure mag dan al een fotografische afbeelding zijn, het proces dat aan het maken van het beeld voorafgaat is minstens even belangrijk (zo niet belangrijker). Demand gaat immers niet op strooptocht door de wereld om visuele impressies te verzamelen, maar (her)creëert een eigen wereld in papier. Deze uiterst nauwkeurige, en op het eerst gezicht nagenoeg realistische, papieren (re)constructies worden dan met een technische camera vastgelegd. Deze camera registreert feilloos alle details, zodat de aandachtige kijker het illusionisme relatief eenvoudig kan doorprikken. Wat de camera als ‘echt’ en ‘reëel’ toont (of liever: produceert), blijkt bij nader inzien onecht, gefabriceerd te zijn. Een eerste, fundamentele verwarring installeert zich: de fotocamera brengt twee radicaal tegengestelde visuele effecten samen. Het eindbeeld opereert op de grens tussen realiteitseffect en ontmaskering.

De papieren constructie is op haar beurt echter ook een reconstructie gebaseerd op een fotografisch beeld geplukt uit de populaire media. Meestal gaat het daarbij om plaatsen van enig historisch gewicht. Dat geldt ook hier in deze tentoonstelling: de nabeelden die Demand hier toont worden geacht historisch belangrijke momenten uit de Duitse cultuur en geschiedenis op te roepen. Alleen wordt de bezoeker in het ongewisse gelaten over de precieze context waarin dit voor-beeld moet worden geplaatst. Buiten een summiere wandtekst als inleiding op de tentoonstelling, wordt er geen enkele informatie aangereikt over datgene waarnaar wordt verwezen. Bij sommige beelden zijn de culturele en historische referenties relatief eenvoudig leesbaar, zoals in het openingsbeeld waar een weelderig licht wordt uitgestrooid over een open plek in een bos (een duidelijke allusie op de sublieme lichteffecten in de Duitse romantische schilderkunst), maar bij andere beelden is dat veel minder vanzelfsprekend. Zo is er een reeks van vijf beelden te zien die inhoudelijk samenhoren en die een recent in de Duitse media breed uitgesmeerd pedofilieschandaal behandelen, maar zonder enige duiding is deze verwijzing voor een niet-Duits publiek onachterhaalbaar. We kijken (ver)blind naar deze beelden.

Deze blindheid leidt ons onherroepelijk terug naar de openingsvraag: wat is nu precies het onderwerp van deze tentoonstelling? Voor een buitenlands publiek dat geen of nauwelijks voeling heeft met de inhoudelijke gelaagdheid van de beelden, rest enkel de door Demand gevolgde procedure om te begrijpen wat hier gebeurt. Alle tussenstadia die van het oorspronkelijke beeld naar het nieuwe beeld leiden, suggereren dat dit werk vooral moet worden gelezen als een grondige reflectie over de manier waarop het fotografische beeld als een historisch document beschikbaar wordt gesteld, publiek wordt gemaakt en in de openbaarheid circuleert. Het vertrekpunt is (meestal) een gemediatiseerd beeld, een herinneringsbeeld verankerd in een collectief geheugen waarin een gebeurtenis tot een moment is gestold. Door dit beeld, via een papieren reconstructie, opnieuw tot leven te wekken, wordt echter niet zozeer de gebeurtenis her-dacht maar wel de fotografische registratie ervan. Het na-beeld is een fotografische echo van een eerdere foto, en net zoals de echo is dat tweede beeld niet meer dan een ontvleesde herhaling. Het gladgestreken, onbeschreven papier waarmee de gefotografeerde scène in de maquette wordt nagebouwd, is dan ook akelig leeg, alsof alles wat de geschiedenis als spoor in de oorspronkelijke scène heeft afgezet is uitgevlakt. Als we al een historisch afgietsel van een oorspronkelijk gebeuren zien, dan hoogstens een kille, aseptische versie ervan. Wat Demand via deze behandeling aankaart en versterkt, is wat er gebeurt in de fotografische act die een complexe en gelaagde gebeurtenis simpelweg reduceert tot een tweedimensionaal beeld. Het is deze eerste fotografische daad die de evacuatie van de geschiedenis al in gang heeft gezet, een proces dat door de ‘heractualisering’ van Demand enkel nog wordt versterkt en verduidelijkt. De beelden van Demand verwijderen ons altijd maar verder van het verleden (in plaats van ons ernaartoe te leiden) en tonen daarmee meteen de radicale ongenaakbaarheid ervan aan: de tijd openbaart zich hier als een huiveringwekkende kloof tussen heden en verleden.

De tentoonstelling trekt heel deze problematiek uiteindelijk door tot op het niveau van het ‘tonen’ (of het verschijnen) zelf. Heel de expo functioneert als een uitgehold nabeeld, als een zwakke nagalm van een andere tentoonstelling die reeds elders heeft plaatsgegrepen. Geen wonder dus dat ze ongrijpbaar blijft. De door Demand ingestelde procedure functioneert als een bijtend zuur waarin de expositieruimte als een plaats waar ‘iets’ (een artefact of een betekenis) zichtbaar kan worden gemaakt volledig in oplost. De vervanging van de zwarte, theatrale doeken door een fotografische reproductie speelt hierbij de rol van katalysator: ze maakt duidelijk dat de spookachtige reproductie van de eerdere tentoonstelling elke substantie mist. Hier wordt ons zelfs niet de illusie van een echt decor gegund, van een theatrale ruimte waarin het verleden kan worden opgeroepen. Hier zien we enkel de ruïne van een decor waarin nooit meer acteurs zullen verschijnen. Hier is niets te zien, valt niets te verwachten. Dat is dan ook de ontnuchterende vaststelling waarmee het bezoek wordt afgesloten.

 

Thomas Demand – Nationalgalerie tot 22 augustus in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam (010/44.19.400; www.boijmans.nl).