Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 146 juli-augustus 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dreamlands

De titel van de tentoonstelling Dreamlands in het Centre Pompidou verwijst naar een pretpark dat in 1904 op Coney Island (New York) geopend werd. Dreamland was niet het eerste pretpark. Reeds eind 16de eeuw bestond er een pretpark in Kopenhagen en het beroemde Prater in Wenen opende op het einde van de 18de eeuw. Dreamland was wel baanbrekend op het vlak van sensationele architectuur die ten dienste staat van het amusement en gericht is op het creëren van een fantastische droomwereld. Onder de attracties was een boottrip op Venetiaanse kanalen, een bergwandeling in de Zwitserse Alpen en een bezoek aan een lilliputterdorp met driehonderd dwergen. Ondanks de dagelijkse spectaculaire demonstratie van brandbestrijding werd het pretpark in 1911 volledig in de as gelegd. De mythische status van Dreamland verspreidde zich over de ganse wereld en de invloed van deze efemere architectuur oefende op de 20ste eeuwse architectuur en kunst een belangrijke invloed uit. In Delirious New York (1978) tracht Rem Koolhaas aan te tonen dat het ‘manhattanisme’ van het hedendaagse New York teruggaat op het Dreamland van Coney Island.

In de tentoonstelling Dreamlands wordt niet alleen een mooi overzicht gegeven van hoe deze droomarchitectuur van de ontspanningsindustrie de verbeelding van menig architect en kunstenaar gevormd heeft, hoe ze ons utopisch denken en onze artistieke creativiteit beïnvloedt, maar ook hoe ze van Hollywood tot Disneyland en van Las Vegas tot Dubai werkelijkheid werd. Vandaag de dag speelt ons alledaagse leven zich af in een artificiële wereld van kopieën, pastiches en simulacra, waardoor de grens tussen droom en werkelijkheid vervaagt. Hedendaagse ideeën over de stad als decor of als collage zijn terug te voeren tot fantastische voorbeelden zoals die in de gesloten ruimte van pretparken of wereldtentoonstellingen ontwikkeld werden.

Maar deze tentoonstelling in het Centre Pompidou, over de manier waarop we onze wereld naar onze verlangens en herinneringen vormgeven, begint uiteraard in Parijs. De Parijse wereldtentoonstelling van 1889, georganiseerd ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de Franse revolutie, luidde een nieuw tijdperk in. Oorspronkelijk georganiseerd tot meerdere eer en glorie van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang, kwam er op deze wereldtentoonstellingen meer en meer aandacht voor vermaak en entertainment. Een mooi voorbeeld hiervan is de Eiffeltoren, die geen enkele functie had tenzij de bevrediging van onze hang naar spektakel en verwondering. Naar het voorbeeld van Dreamland opende Parijs in 1909 zijn Luna Park. Kunstenaars als Brancusi, Fernand Léger en André Breton waren er graag geziene gasten. Het pretpark werd een plaats waar populaire en moderne kunst elkaar al vroeg kruisten.

Voor het attractiepark van de New Yorkse wereldtentoonstelling van 1939 maakte Salvador Dalí zijn Dream of Venus, een installatie avant la lettre. In een moedwillig contrast met de geometrische vormen van de modernistische paviljoenen gebruikte hij organische art-nouveaucurven en arabesken met expliciet erotische connotaties. Voluptueuze waternimfen zwommen er rond in een enorm aquarium dat versierd was met afbeeldingen van Botticelli’s Geboorte van Venus en Leonardo da Vinci’s Johannes de Doper.

Bleef Dalí’s Dream of Venus een surrealistische droom, dan werd de droom van Walt Disney daadwerkelijk gerealiseerd. Gedreven door zijn enthousiasme voor urbanisatie en de ontwikkeling van nieuwe technologieën ontwierp Disney in de late jaren 50 met Epcot (Experimental Prototype Community of Tomorrow) de stad van de toekomst. Vijftien jaar na zijn dood, in 1982, werd ze in het Walt Disney World Resort in Orlando (Florida) ook effectief gebouwd.

Als reactie op de modernistische dogma’s gingen architecten na de oorlog op zoek naar andere modellen, die ze vaak terugvonden in de ontspannings- en de vrijetijdscultuur. In de vroege jaren 60 ontwierpen de Engelse architect Cedric Price en de theaterpionier Joan Littlewood een nooit gebouwd Fun Palace. Hun laboratory of fun moest tegemoetkomen aan de eisen van de nieuwe leisure society. Het zag eruit als een enorme scheepswerf met theaters, cinema’s, restaurants, ateliers en ontmoetingsplaatsen, die constant konden worden verplaatst en aangepast. Dit utopisch model inspireerde Richard Rogers en Renzo Piano voor hun ontwerp van het Centre Pompidou, dat als belangrijkste missie had om de cultuur te democratiseren. Het werd geopend in 1977.

In 1968 organiseerden de Amerikaanse architecten Denise Scott  Brown en Robert Venturi met hun studenten van de universiteit van Yale een studiereis naar Las Vegas. In 1972 resulteerde daaruit het boek Learning from Las Vegas, dat de op de lokale commerciële architectuur geënte nieuwe vorm van urbanisatie analyseert. Wat toen nog ervaren werd als een provocatie van het functionalisme, bleek jaren later een revolutionaire omwenteling van de modernistische hiërarchie. Vandaag bekleden commerciële architectuur en vrijetijdsaccomodaties een sleutelpositie in de hedendaagse urbanisatie, vooral in relatie tot onze mobiliteit en het gebruik van de auto.

Maar Las Vegas is ook niet meer wat het geweest is. Om meer families aan te trekken werden in de jaren 90 op de fameuze Strip rond gekende thema’s gezinsvriendelijke casinohotels gebouwd. Architecturale citaten illustreren historische of fictieve verhalen. De piramide en de sfinx van het Luxor, de Venus van Samotrace van het Caesar’s Palace, de Eiffeltoren aan het Paris Las Vegas zijn pastiches die beantwoorden aan een postmodern exotisme. Het zijn de kitscherige producten van een pseudocultuur die helemaal ten dienste staat van een maximale consumptie. Deze ‘kolonisatie van de werkelijkheid door het fictieve’ verwondert niet alleen de modale toerist, maar fascineert ook vele kunstenaars, van Thomas Struth tot Martin Parr.

Het aantrekkelijke van deze tentoonstelling is dat het thema – de manier waarop we onze wereld scheppen naar onze herinneringen en verlangens – niet beperkt wordt tot de (postmoderne) architectuur, maar dat ook getoond wordt hoe hedendaagse kunstenaars deze problematiek op een zowel gefascineerde als kritische manier benaderen. Van Luna Park (1913) en Coney Island (1914) van Joseph Stella tot The Back of Hollywood (1976) van Ed Ruscha en Maurizio Cattelans Hollywood (2001) in Palermo. De Ville Fantôme (1996) van de Congolees Kingelez staat er naast een Skyline (2007) van ijskasten van de Franse kunstenaar Attia Kader. Mooi is de combinatie van een reeks City-schilderijen van Philip Guston boven Gaetano Pesce’s canapé Tramonto New York.

In Nothing Stops a New Yorker (2005) toont Malachi Farrell de grootstad na 9/11 als een machine met wolkenkrabbers als robotten. Voor Love it, Bite it (2005-2007) maakte Liu Wei een schaalmodel van een stad in door honden afgekauwde beenderen. We herkennen onder andere het Vaticaan, het Coliseum en het Guggenheim in een postapocalyptische enscenering. In Streamside Day Follies (2003) evoceert Pierre Huyghe een typisch Amerikaanse nieuwbouwwijk zonder geschiedenis. Door het organiseren van een feest wil hij voor deze anonieme plek mythische verhalen creëren, om op die manier deze nieuwe gemeenschap een eigen traditie te bezorgen. Hiervoor gebruikt hij alle commerciële en culturele clichés die voorhanden zijn.

De tentoonstelling eindigt met Mike Kelley’s Kandor Con (2000). Volgens de kunstenaar is Kandor, de hoofdstad van de planeet Krypton waar Superman vandaan komt, ‘the utopian city of the future that never came to be’. Een mooi contrast met de op luxe en overdrijving gebaseerde faraonische projecten die in Dubai wel gerealiseerd werden. Het op de woestijn gewonnen terrein werd niet gebruikt om het te bewerken, maar om het te bebouwen met winkelcentra en pretparken.

 

Dreamlands loopt tot 9 augustus in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).