Guido Goossens

DE WITTE RAAF

Editie 146 juli-augustus 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Hans-Peter Feldmann – Kunstausstellung

In de Düsseldorfse Kunsthalle is deze zomer een tentoonstelling te zien van een kunstenaar die liever geen kunstenaar genoemd wil worden. Hij beschouwt zichzelf meer als een koopman. Of als een fotograaf. Waarbij hij dan wel graag de kanttekening wil plaatsen dat hij een heel slechte fotograaf is. Het tekent de man en zijn werk. ‘Hans-Peter Feldmann schätzt eure Bilder ganz besonders’, worden jonge bezoekers welkom geheten. Daarom heeft Feldmann, speciaal voor kinderen, een van de tentoonstellingsruimtes ingericht als atelier. Aan een lange tafel kunnen ze naar hartelust knutselen: foto’s inkleuren, collages plakken, papieren vliegers vouwen. Zoals ook Feldmann zelf heeft gedaan. Een van de blikvangers van de tentoonstelling is een reusachtige vlieger, gevouwen uit bruin inpakpapier – een cadeau van de kunstenaar aan de stad Düsseldorf, waar hij geboren en getogen is en nog steeds woont. Zelfs de titel van de tentoonstelling is een understatement: Kunstausstellung. Het is een titel die je eerder zou associëren met een groepsexpositie van de plaatselijke hobbykunstvereniging. En daar heeft deze tentoonstelling bij vlagen ook veel van weg. De toon wordt al meteen gezet in de entreehal, waarvan de hoge muren zijn versierd met serviesgoed. Een werk van de lokale keramist Werner Wenz, die als gast aan de tentoonstelling heeft deelgenomen. Maar het had heel goed een werk van Feldmann zelf kunnen zijn.

Feldmann (1941) is de laatste jaren bezig aan een opmerkelijke comeback. In de jaren 70 maakte hij, samen met onder anderen Gerhard Richter, Sigmar Polke en de leden van de electropunkgroep Kraftwerk, deel uit van de Düsseldorfse kunstenaarsscene rond café Brauerei zur Uel. In kleine kring verwierf hij vooral bekendheid met veelal in eigen beheer uitgegeven fotoboekjes, waarvan in de tentoonstelling enkele exemplaren in een vitrine liggen uitgestald. Net als OHIO, het vermaarde fototijdschrift waarvan hij medeoprichter was, waren ze gegarandeerd zonder tekst. Ze bevatten uitsluitend beelden: simpele, zelfgemaakte of gevonden foto’s van alledaagse objecten of situaties, waar je doorgaans achteloos aan voorbijgaat; een vrouw die de ramen lapt, auto's passerend op een kruispunt, een vliegtuigje cirkelend in de lucht, meisjesknieën, besneeuwde bergtoppen, houten stoelen. Hij nam deel aan twee documenta’s (1972 en 1977), maar de grote doorbraak bleef uit. In 1980, na een groepstentoonstelling in het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent, trok Feldmann zich terug uit de kunstwereld, naar eigen zeggen uit desillusie. Wat hij nog aan werken in stock had gooide of schonk hij weg, en om in zijn levensonderhoud te voorzien runde hij samen met zijn vrouw in het centrum van Düsseldorf een keten van antiekwinkeltjes. De ommekeer komt in de loop van de jaren 90, als hij door een nieuwe generatie kunstenaars en curatoren wordt herontdekt als een soort ‘appropriation’-kunstenaar avant la lettre (‘After all, we are all dwarves on the shoulders of giants’, heeft Maurizio Cattelan wel eens gezegd, refererend aan Feldmann.). En sinds een jaar of tien volgen de internationale tentoonstellingen elkaar in rap tempo op. Kunstausstellung was eerder dit jaar te zien in de Konsthall in het Zweedse Malmö en zal in aangepaste vorm nog doorreizen naar het Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofia in Madrid en de Parasol Unit in Londen.

De door Feldmann zelf samengestelde en ingerichte tentoonstelling biedt een dwarsdoorsnede van zijn werk sinds het midden van de jaren 60, zonder zich al te veel te bekommeren om chronologie. Ongedateerde en ongetitelde werken uit verschillende periodes hangen kriskras door elkaar. Zoals wel vaker bij Feldmann gaat het om een ruimhartige keuze uit ‘greatest hits’, aangevuld met een drietal nieuwe werken die speciaal voor de tentoonstelling zijn gemaakt. Nieuw is bijvoorbeeld, naast de papieren vlieger, het eerbetoon aan zijn overleden vriend Polke waarmee de tentoonstelling opent: een vaas met veldbloemen op een sokkel, waarnaast een lege stoel staat. Een kleine herinnering aan de vele gemeenschappelijk doorgebrachte uren in café Brauerei zur Uel, waaraan ook een ander werk refereert: een tafeltje met daarop een stoel op zijn kop. De bel voor de laatste ronde heeft geklonken, het meubilair wordt al opgeruimd. Het derde nieuwe werk behelst weinig meer dan een roestige oude fiets, die door Feldmann rechtstreeks van straat naar de expositieruimte lijkt te zijn overgebracht.

Op het eerste gezicht leent de term ‘appropriation’ zich inderdaad goed om dit soort werken te typeren. Gevonden voorwerpen met de meest uiteenlopende herkomst, krijgen een nieuwe betekenis door ze binnen een nieuwe context te plaatsen. Niet zelden hebben ze zo weinig bewerking ondergaan dat met recht mag worden gesproken van readymades. Toch wijst Feldmann zelf ‘appropriation’ als aanduiding van zijn werk resoluut van de hand. Het zou de zaken alleen maar nodeloos ingewikkeld maken en bovendien voorbijgaan aan de strategische inzet van zijn werk: kunst terugbrengen tot haar meest pure, simpele vorm, tot een activiteit die je als kind al verrichtte, veelal zonder erbij na te denken, gewoon omdat je er plezier in had. Vliegtuigjes vouwen uit papier, huisjes bouwen uit speelkaarten (Kartenhaus) of liniaaltjes (Zollstockhaus), figuurtjes knippen uit karton (Pappflugzeug, an Kordel hängend), plaksels maken van knipsels uit kranten en tijdschriften (Collage Bilder), verzamelingen aanleggen van foto’s, plaatjes of ordinaire bric-à-brac (Orientalischer Teppich mit 9 handbemalten Tieren), of gewoon lekker dingen beschilderen. Zoals Feldmann bijvoorbeeld heeft gedaan met een goedkope gipsen kopie van Michelangelo’s David, misschien wel zijn bekendste werk: hij heeft het gips knalroze geverfd, met rode lippen en tepels en met knalgeel haar. In de tentoonstelling wordt David gezelschap gehouden door een eveneens knalroze geverfde Eva met appel. De beelden staan opgesteld op een oosters tapijt. Camp van het zuiverste water.

Bij het bekijken van de tentoonstelling wordt overduidelijk hoezeer Feldmanns werk nog steeds wortelt in de ideeën over kunst die in de jaren 60 werden ontwikkeld door neodadaïstische groepen als fluxus, provo of de situationisten. Geen van de werken is gesigneerd. Geen werk kan worden aangewezen als exemplarisch voor de kunstenaar. Kenmerkend voor Feldmanns oeuvre is veeleer een enorme stilistische variëteit. En geen van de werken is een unicaat. Het zijn stuk voor stuk multipels, veelal met een hoge oplage, wat de prijs verhoudingsgewijs laaghoudt. (Een ‘Feldmann’ heb je al voor tussen de 4000 en 10.000 euro.) ‘Art for all.’ ‘Jeder Mensch, ein Künstler.’ Een typisch jaren 60-ideaal, dat door Feldmann wordt vertaald in een vorm van conceptuele kunst die voortdurend dicht aanschuurt tegen de outsiderkunst: ogenschijnlijk pretentieloze werkstukjes, waaraan kinderen evenveel plezier kunnen beleven als hoogopgeleide volwassenen. Uitleg is overbodig, en wordt ook niet geboden. Net als de fotoboekjes is de tentoonstelling geheel zonder tekst.

Het beste slaagt Feldmann in zijn opzet in de installatie Schattenspiel, die eerder onder meer te zien was op de Biënnale van Venetië. Dit werk bestaat uit een verzameling speelgoedfiguurtjes, kitscherige souvenirs en andere prullaria die langzaam ronddraaien op plateaus. De objecten worden vooraan belicht met eenvoudige spots, waardoor op de achterliggende wand een spectaculair schaduwspel verschijnt. Je kijkt ernaar met kinderlijke verwondering. Zo eenvoudig kan kunst zijn.

 

Hans-Peter Feldmann – Kunstausstellung tot 22 augustus in de Kunsthalle Düsseldorf, Grabbeplatz 4, 40213 Düsseldorf (0211/89 962 43; www.kunsthalle-duesseldorf.de).