Mariska ter Horst

DE WITTE RAAF

Editie 146 juli-augustus 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Afro Modern: Journeys through the Black Atlantic in Tate Liverpool

In de invloedrijke – en controversiële – publicatie The Black Atlantic: Modernity and Double Consciousness (1993) ontwikkelt Groot-Brittannië’s meest prominente cultuurcriticus Paul Gilroy het idee van een ‘negatief continent’: de Atlantische Oceaan die Afrika, Noord- en Zuid-Amerika, de Caraïben en Europa met elkaar verbindt. Culturele overzeese uitwisselingen en hybride kunstvormen, vooral in de muziek, staan in zijn boek centraal. Voor Afro Modern trokken conservatoren Tanya Barson en Peter Gorschlüter Gilroys concept door naar de beeldende kunst. Barson, conservator internationale kunst van Tate, formuleerde het in een interview als volgt: ‘This concept of the Black Atlantic, which refers to geography but isn't a geographical framework, it is a geographical concept, would be an incredible good lens to look through again to Modernism and write an alternative or a set of histories. […] There is the canonical history with all these artists in the centre and all these other artists on the margins. What if you cut that up the middle and brought the edges to the centre and the centre to the edges?’ Paul Goodwin, consultant voor Afro Modern en Tate’s 'cross cultural curator', verwoordde de relatie tussen theorie en tentoonstelling als volgt: ‘Paul Gilroy critiques the essentialism and the narrowness of race. The idea of the Black Atlantic is to show how entirely differentiated the Black Atlantic experience is. The show is a transnational formation.’

Met honderdveertig kunstwerken van begin 20ste eeuw tot heden, van ruim zestig kunstenaars afkomstig uit verschillende plaatsen rond de Black Atlantic, toonde Afro Modern de museumbezoeker een academische, intensieve en vooral fascinerende zoektocht naar een crosscultureel modernistisch narratief. Connecties tussen culturen en continenten waren tevens het onderwerp van een reeks nevenprogramma's die Afro Modern initieerde in Liverpool. Onder de titel Liverpool and the Black Atlantic werd hiervoor samengewerkt met instellingen als Bluecoat, FACT (Foundation for Art and Creative Technology), Walker Art Gallery, University of Liverpool en het International Slavery Museum. Laatstgenoemde instelling is net als Tate Liverpool gelegen aan Albert Dock, aan de rivier Mersey, in de 18de eeuw Europa's grootste haven voor slavenhandel.

De tentoonstelling besloeg zeven zalen en was zowel chronologisch als thematisch geordend. Het verhaal begon met de zogenaamde Black Atlantic Avant-Gardes. Werken van Pablo Picasso, Constantin Brancusi, Walker Evans en anderen – geïnspireerd door (gedecontextualiseerde) Afrikaanse kunst – werden gepresenteerd naast werken van kunstenaars als Edward Burra, Tarsila do Amaral en Aaron Douglas, die op hun beurt beïnvloed waren door hun Europese collega's. In feite vormde deze zaal met haar complexe historische kruisbestuivingen al een tentoonstelling op zich.

Een ander voorbeeld van hybridisering werd zichtbaar in Maya Derens postuum gecompileerde film Divine Horseman: The Living Gods of Haïti (1947-1951, 1977), tevens de naam van de tweede zaal. Enerzijds is de film geworteld in het surrealisme en gemonteerd als een poëtisch verslag, anderzijds is het een bijzonder waardevolle documentatie van voodoo, een religie die ontstond in slavenmiddens en waarin West-Afrikaanse geloofsopvattingen zich verbonden met katholieke tradities. De film doet de grenzen tussen kunst en etnografie vervagen. De sterk informatieve tentoonstelling vervolgde met een zaal over Négritude: een literaire, politieke en artistieke stroming ontstaan in de jaren 30 in Parijs en verspreid naar de Caraïben, Zuid-Amerika en Afrika die het herwaarderen van de eigen Afrikaanse cultuur vooropstelde. Kunstenaars als Uche Okeke zochten naar een synthese van modernisme en Afrika. Wilfredo Lam schilderde in de stijl van het Europese primitivisme terwijl zijn onderwerpen verwezen naar de Afro-Caraïbische cultuur. Meer politiek getint commentaar was te zien in Dissident Identities. De worstelingen van de Civil Rights Movement en Black Power zijn zichtbaar in Pirkle Jones’ foto's van de Black Panther, navoelbaar in de collages van Romare Bearden en bijna tastbaar in David Hammons’ The Door (1969).

Naar het einde van de tentoonstelling raakten de beoogde interculturele conversaties wat op de achtergrond. Dat lag enerzijds aan het tekort aan informatie op de tekstborden en anderzijds aan een overdosis aan visuele en emotionele indrukken. Zo waren in Reconstructing the Middle Passage (de term duidt het midden aan van de driehoek gevormd door de transportroutes tussen Europa, Afrika en Amerika) werken te zien van hedendaagse kunstenaars die reageerden op het slavernijverleden. Keith Pipers posterserie Go West Young Man (1987) is bijvoorbeeld een ongemakkelijk verhaal over migratie. Venus Baartman (2001) van Tracey Rose, opgenomen in het hoofdstuk Exhibiting Bodies, verwees naar de Zuid-Afrikaanse Sarah Baartman die in 1810 als curiositeit in Europa tentoongesteld werd; Candice Breitz neemt in Ghost Series nr. 4 (1994-1996) de door haar gefotografeerde vrouw in bescherming tegen een exotische blik door het lichaam met witte verf te bedekken. In 8 Possible Beginnings Or: The Creation of African-America, a Moving Picture by Kara E. Walker (2005) gebruikt Kara Walker minder subtiele schaduwbeelden om de tragiek van slavernij uit te drukken.

De selectie van Afro Modern bevatte heel wat zelden geëxposeerde kunst. Vele werken stelden de bezoeker voor een uitdaging. Gelukkig zorgde humor regelmatig voor een welkome adempauze. Er werd een zeer gevarieerd beeld geschetst, maar de tentoonstelling neigde ook naar een opsomming van 'black artists' waarbij de hoofdlijn enigszins verloren dreigde te gaan. Op een selectie valt altijd wel iets af te dingen, maar los daarvan staat de vaststelling dat de ‘Black British Art’ ondervertegenwoordigd was en kunstenaars werkzaam in het Afrikaanse continent vrijwel geheel afwezig waren. De nadruk op Afro-Amerikaanse kunst bleek vooral in de laatste zaal From Post-Modern to Post-Black. De term ‘Post-Black’ werd uitgelegd aan de hand van de omschrijving van de Amerikaanse curator Thelma Golden. Zij duidt hiermee kunstenaars aan ‘who were adamant about not being labelled as ‘black’ artists, though their work was steeped, in fact deeply interested, in redefining complex notions of blackness’. Ellen Gallagher, Glen Ligon, Lorna Simpson en Chris Ofili zijn slechts enkele voorbeelden van kunstenaars die onder deze term geschaard werden. 

Ondanks de vele bruiklenen die Tate voor Afro Modern wist te verkrijgen, kon deze tentoonstelling een lacune in de eigen collectie niet verhullen. Zoals in vele grote musea voor moderne kunst in het westen bestaat de collectie van de Tate vooral uit Europese en Noord-Amerikaanse werken. Sinds 2001 is het museum echter bezig met een inhaalslag. Latijns-Amerika werd een nieuw aandachtsgebied, enkele jaren later gevolgd door Azië en de Pacific. Het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn het recentst in beeld gekomen. Oost-Europa en Afrika staan nog bovenaan het ‘verlanglijstje’. Deze ontwikkeling gaat gepaard met uitvoerige onderzoeksprogramma's, omvangrijke samenwerkingsverbanden en diepgaande (interne en externe) discussies. Zo is er in het kader van Afro Modern, in samenwerking met de University of Liverpool, een website opgericht voor het ontplooien van kennis en bewustzijn in deze materie (www.liv.ac.uk/csis/blackatlantic). Het zelfkritische en reflexieve karakter van de tentoonstelling vormde de essentie van haar succes. Ze stimuleert het intercultureel onderzoek en het creëren van nieuwe dialogen. Ze illustreert dat er niet sprake is van één, maar van meerdere kunstgeschiedenissen.

 

Afro Modern: Journeys through the Black Atlantic liep van 29 januari tot 25 april 2010 in Tate Liverpool, Albert Dock, Liverpool L3 4BB (0151 702 7400; www.tate.org.uk/liverpool).