Indira Van 't Klooster

DE WITTE RAAF

Editie 146 juli-augustus 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Centre Pompidou in Metz

Inmiddels is het oprichten van een tweede tentoonstellingsgebouw een fenomeen dat er nu eenmaal bijhoort als een museum een bepaalde internationale status heeft bereikt (en dus een goed voorspelbare behoefte aan depotkunst). Het moedermuseum levert het imago, waardoor het museumfiliaal een snelle weg is naar allerlei vormen van gewin, citymarketing en een mogelijkheid tot het creëren van een architectonisch statement. Eerder bewezen onder andere Guggenheim-Bilbao, Louvre-Sens, Hermitage-Amsterdam en Rijksmuseum-Schiphol het succes van de formule.

Sinds kort heeft Centre Pompidou een satellietmuseum in Metz. Jean-Luc Bohl, president van Metz Metropole – die de ietwat achtergebleven regio mee moet slepen in de vaart der volkeren – wordt bijna door emoties overmand wanneer hij zegt: ‘De kathedraal van Metz wordt de Lantaarn van God genoemd. Met de komst van Centre Pompidou-Metz hebben we nu een tweede goddelijke lantaarn.’ Ook burgemeester Dominique Gros kan zijn geluk niet op: ‘Metz is altijd een beetje een onfortuinlijke stad geweest, maar nu hebben we eindelijk het geluk aan onze zijde. Dit lichtbaken zal zowel economisch als mentaal van enorme betekenis voor deze stad zijn.’

De opdrachtgever, de naamgever én de architect benadrukken graag de relatie met Centre Pompidou-Parijs. Een van de selectiecriteria was dat het ontwerp, net als Centre Pompidou-Parijs, de toon moet zetten voor de komende eeuw en zich in architectonische zin moeten kunnen meten met het Parijse moederschip. Duurzaamheid, futuristische technologie en stedenbouwkundige inpassing staan daarbij centraal. Richard Rogers, mede Pompidou-architect in Parijs, nam zitting in de jury om daarop toe te zien. Het ontwerp dat hij samen met Renzo Piano maakte, was bij de opening in 1977 volstrekt revolutionair – en is dat eigenlijk nog steeds. Zij maakten van Centre Pompidou-Parijs het eerste museum dat tegelijk fabriek, vermaakmachine en kunstsupermarkt is. Nog altijd is de architectonische uitwerking een toonbeeld van originaliteit (door alle techniek, als ging het om een fabriek, zichtbaar te maken aan de gevel van het gebouw).

Architect Shigeru Ban is vooral bekend als recycling-architect die kartonconstructies van monumentale afmetingen ontwerpt, maar ook woonhuizen met bijvoorbeeld gordijngevels. Lichte materialen dus, afbreekbaar, duurzaam. Dat hij de prijsvraag won, zal wellicht te maken hebben met het technische hoogstandje van de overspanning in teflon en fibre glas van 8000 m2 op een houtconstructie. Een letterlijke verwijzing naar Parijs is de mast, die precies 77 meter hoog is. De enorme overspanning van zeil op een houten frame, ’s nachts feestelijk verlicht, betekent een instant beeldmerk voor Metz. Onder deze hoed gaan een ruime foyer, drie tentoonstellingsverdiepingen en allerlei museumfuncties schuil die tezamen ruim 10.000 m2 beslaan. Een glazen liftschacht verbindt de drie verdiepingen die als mikadostokjes nagenoeg willekeurig over elkaar heen liggen en op de kopse kanten uitzicht over de stad bieden.

Het ontwerp zelf is uiteindelijk onvergelijkbaar met het echte Centre Pompidou, maar in de openingstentoonstelling is de visie en de collectie van het moedermuseum nadrukkelijk aanwezig. De 6 uur durende film Sleep van Andy Warhol (1963) wordt gepresenteerd naast de al even beroemde Slapende Muze van Brancusi (1916). Daarnaast het vrolijke Le Magazin du Ben van Ben (1958). Iets verderop staat zomaar ineens de toren van Tatlin ietwat achteloos naast een installatie van Bruce Nauman. Dit is een willekeurige greep uit de openingstentoonstelling Chefs-d’Oeuvre? Het vraagteken heeft tot doel te benadrukken dat hier gezocht wordt naar wat een meesterwerk is of kan zijn, en hoe het dat wordt. De werken gaan bedoeld en onbedoeld relaties met elkaar aan – ofwel omdat de titels overeenkomen, het jaartal of de thematiek hetzelfde is, ofwel domweg doordat kleuren en vormen, genres en bekendheid elkaar wel of juist niet ontkrachten. Het museum toont zich, net als in Parijs of misschien nog wel meer, als een supermarkt, waarin meubilair, schilderwerk, maquettes, video’s en grafisch werk geordend staan volgens een hogere thematiek die de moeite van het ontdekken waard is. Curator Laurent le Bon werkte er drie jaar aan. Toch is het schokkend om te zien hoezeer al deze unica aan zeggingskracht verliezen als ze zomaar naast elkaar staan. Hetgeen niet betekent dat het dan geen meesterwerken zijn.

De verdiepingen zijn ingericht als een staalkaart van opstellingsmogelijkheden. Zo is de zaal op de begane grond – grenzend aan het hoge, lichte forum met een maximum aan daglicht – een proeve van bekwaamheid in tentoonstellen zonder daglicht. Een labyrintische route langs zwarte muren met spiegels aan het plafond doet de bezoeker al snel elk gevoel voor richting en tijd verliezen. Een etage hoger staan de meesterwerken opgesteld in hokken en blokken. Op de tweede verdieping valt het daglicht stralend binnen in een strak vormgegeven ruimte die is opgedeeld in een middenschip met zijbeuken. In slagorde staan de maquettes (zijbeuk), de meesterwerken (middenschip) en de video’s (zijbeuk). Op de derde en bovenste verdieping valt het felle licht abrupt weg en staat de bezoeker plots in een zwarte, donkere ruimte. Heel vernuftig allemaal, maar ook een beetje snoeverig.

De leukste tentoonstelling staat op de tweede verdieping in een van de zijbeuken. Wat is eigenlijk een modern museum? Hoe kun je de architectuur beschrijven en welke concepten liggen eraan ten grondslag? Daar ontvouwt zich in uniforme fotografie en prachtige maquettes een overzicht van alle Franse musea sinds 1937. Stuk voor stuk meesterwerken zonder vraagteken. De Fondation Marguerite et Aime Maeght van Joseph Luis Sert (1964), het Musée Chagall in Nice van Jean Dubuffet (1973), het Institut du Monde Arabe in Parijs van Jean Nouvel (1987), de uitbreiding van het Louvre door I.M. Pei (1989), het Centre Culturel Tjibeou van Renzo Piano (1998). Het is duidelijk dat Pompidou-Metz zich in deze traditie wil voegen.

Wat we hier in Metz bij elkaar hebben, is een bonte en beetje opschepperige verzameling van ‘superlatieven’. De gedachte van een dependance in Metz is heel spannend, de kunstwerken zijn volstrekt uniek, de inrichting is uiterst veelzijdig. Of Pompidou-Metz zich daarmee een meesterwerk mag noemen, is eigenlijk geen interessante vraag. Op dit moment onderstrepen zowel het gebouw als de tentoongestelde waar vooral de grootsheid van de Franse museumcultuur en de enorme waarde van de Franse kunstcollectie. En dat zou, meesterlijke ijdeltuiten die de Fransen soms zijn, zomaar precies de bedoeling kunnen zijn.

 

Chefs d’Oeuvre? loopt tot 25 oktober in Centre Pompidou-Metz, 1 parvis des Droits de l’Homme, 57020 Metz (03/87.15.39.39; www.centrepompidou-metz.fr).