Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 148 november-december 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Abstract USA 1958-1968. In the Galleries.

‘Materiaal, kleur en ruimte zijn de belangrijkste aspecten van kunst’, aldus Donald Judd. De invloedrijke kunstenaar was in New York al vanaf 1959 actief als kunstcriticus, nog voor zijn carrière als kunstenaar goed en wel op gang kwam. Judd schreef over hedendaagse en oudere kunst voor het behoudende tijdschrift Arts Magazine, waar de aartsconservatieve criticus Hilton Kramer de scepter zwaaide. In zijn talrijke, meestal kleine recensies klonk zijn uitgesproken mening. Hij deinsde er niet voor terug kunstwerken zonder al te veel uitleg te kwalificeren als ‘goed’ of ‘slecht’. Wie zijn recensies leest begrijpt echter al gauw dat zijn toetsstenen inderdaad materiaal, kleur en ruimte waren, en dat de vorm en de voorstelling geheel buiten beschouwing werden gelaten. De categorie ruimte stond voor Judd centraal – hij zou later zelfs schrijven dat hij het was geweest die de ruimte als het belangrijkste aspect van kunst had ontwikkeld, door het object van zijn sokkel te halen en op de grond neer te zetten. Hiervoor bedacht Judd de benaming ‘specific object’.

Hoewel Judd de schilderkunst dus uiteindelijk verwerpt ten faveure van het driedimensionale object, dat immers ‘werkelijke’ ruimte en materie bezit, is het een interessante zet om een tentoonstelling van Amerikaanse abstracte schilderijen samen te stellen aan de hand van zijn geschriften. Uit de vele Amerikaanse abstracte schilderijen in de No Hero Collectie, in bruikleen bij het Rijksmuseum Twenthe, werden voor deze tentoonstelling enkel werken gekozen van kunstenaars die in de jaren 50 en 60 zijn besproken door Judd in zijn rubriek In the Galleries. Deze keuze maakt het mogelijk een dubbel scharnierpunt in de kunst van de jaren 50 en 60 te tonen. Ten eerste is er de omslag die Judd als kunstenaar maakte van schilderkunst naar het specifieke object. Ten tweede is er de eerdere omslag binnen de Amerikaanse schilderkunst, besproken door Judd als kunstcriticus, van het gestuele, lyrische abstract expressionisme naar de methodische en systematische ‘cool art’, ‘hard edge’, ‘systemic painting’ of ‘post-painterly abstraction’.

De tentoonstelling opent met een laat werk van Judd. Het is een karakteristiek regelmatig werk van aluminium, bestaande uit twee parallel aan de muur bevestigde horizontale geometrische sculpturen, met open modules van afwisselende grootte en kleur. Materiaal, kleur en ruimte zijn de hoofdbestanddelen. In de volgende grote zaal zie je direct de verwantschap van Judds werk met de regelmatige, ritmische en minimale benadering van de ‘koele’ abstracte schilders. Het vijf meter lange schilderij Shift van Kenneth Noland (1967) bestaat eveneens uit regelmatige horizontale banden. Brede groene banden zijn afgewisseld met dunne kleurstrepen, paars en geel, tussen onbeschilderde banden canvas. Ertegenover hangt het werk WILD van Frank Stella (1965), eveneens een horizontaal doek, maar opgedeeld in twee vierkanten. Het linker vierkant bestaat uit concentrische vierkante kleurbanen, van binnen naar buiten de kleursequentie paars-blauw-groen-rood-oranje-geel volgend, en vervolgens de omgekeerde sequentie (het binnenste vierkant en de buitenste vierkante baan zijn dus paars), steeds met dunne witte banen ertussen. Ernaast een identieke vierkante opbouw, maar ditmaal in grijstinten, van binnen naar buiten opgebouwd van wit tot zwart, en dan weer terug naar wit. Het optische effect van deze kleursequenties werkt licht destabiliserend, de kleuren suggereren ruimte, maar ook weer niet. Door een niet precieze afwerking lijken de kleurbanen aan de randen te vibreren. Met behulp van de ‘soak stain’ techniek zijn de kleuren in het doek getrokken en daardoor is er geen verfoppervlak, geen zichtbaar handschrift.

De zogenaamde ‘cool art’ was een afrekening met het lyrische abstract expressionisme – ook ruim vertegenwoordigd in de tentoonstelling – maar volgens velen ook een ‘logisch’ gevolg van de ontwikkeling van de schilderkunst. De invloedrijkste modernistische kunstcriticus Clement Greenberg, het mag bekend zijn, beschreef die ontwikkeling in termen van ‘mediumspecificiteit’: elk medium moet zich richten op de unieke aspecten die het onderscheiden van andere media. ‘Cool art’ of ‘post-painterly’ schilders elimineerden met bijna wetenschappelijke (positivistische) energie alles uit het schilderij wat niet tot het schilderij zelf behoorde. Het ‘object’-karakter van het schilderij stond centraal: benadrukt werden het platte vlak en het kader. ‘What you see is what you see’, is een vaak geciteerde uitspraak van Stella.

Deze reductie beschreef Judd uiteindelijk als onvoltooibaar, omdat de schilderkunst zich niet zou kunnen losmaken van de illusie van ruimte – zelfs de ‘beste’ schilders Noland en Stella konden het niet. Judd stelde dan ook dat de schilderkunst juist niet een bestaan voor zichzelf kon claimen als apart medium. Immers, de belangrijkste aspecten van kunst, ruimte, materie en kleur, zijn niet voorbehouden aan het schilderij, en zijn in het object waarachtiger. Hoe sterk Judds eigen artistieke agenda was gebaseerd op ontwikkelingen binnen de schilderkunst, blijkt niet alleen uit zijn beperkte vocabulaire als criticus (met zijn ‘specifieke objecten’ zette hij zich uiteraard af tegen de ‘mediumspecificiteit’ van Greenberg), maar wordt vooral begrijpelijk als je in de tentoonstelling zijn werk vergelijkt met het werk van Noland, Stella en Gene Davis. Van Stella is er ook nog een magnifiek ‘shaped canvas’ te zien – volgens Judd dan weer een stap in de ontwikkeling naar de driedimensionale kunst.

Gelukkig is de tentoonstelling helemaal niet zo kunsthistorisch opgebouwd als het voorafgaande zou kunnen doen vermoeden. De informatie over de kunstenaars en hun tijd is ondergebracht in een prachtig vormgegeven documentatiezaal in het midden van de tentoonstelling. De teksten van Judd bevinden zich in de catalogus. De tentoonstelling is verder een schilderkunstig feest voor het oog. We kunnen het eens zijn met Judd dat de abstract expressionist Alfred Jensen een ‘goed’ schilder was, maar Friedel Dzubas en Michael Goldberg eigenlijk niet. Een hoogtepunt is een klein werk van Helen Frankenthaler, dat een abstract expressionistische vormentaal combineert met kleuren die neigen naar pastel. Het blijft gissen waarom Judd Frankenthalers roze ooit omschreef als ‘erotisch’; een van de weinige sensuele commentaren die hij zich veroorloofde.

Hoewel je inhoudelijk niet anders kunt dan kritiek hebben op het idee van een noodzakelijke ontwikkeling in de schilderkunst – een idee dat zijn hoogtepunt kende op het kunsthistorische moment dat in deze tentoonstelling centraal staat – zorgt het modernistische optimisme dat van de doeken spat voor een tinteling die ik persoonlijk lang niet meer had gevoeld.

 

Abstract USA 1958-1968. In the Galleries, nog tot 20 februari in Rijksmuseum Twenthe, Lasondersingel 129-131, 7514 BP Enschede (053/435.86.75; www.rijksmuseumtwenthe.nl).