Alied Ottevanger

DE WITTE RAAF

Editie 149 januari-februari 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Tate Archive viert 40 jaar Tate Archive

Tate Archive is in 2010 het veertigste jaar ingegaan en dat jubileum wordt gevierd met een tentoonstelling in Tate Britain en teksten over archiefstukken op de blog van de website www.tate.org.uk. De collectie van Tate Archive omvat het Archive of British Art since 1900 en het archief van de Tate (actief sinds 1897). Hoe groot het archief in zijn geheel is, wordt niet precies aangegeven. Wel wordt vermeld dat aan deze twee kerncollecties drie deelcollecties zijn toegevoegd: ruim 100.000 foto’s, 2.000 affiches en 3.000 audiovisuele documenten. De meeste stukken dateren van na 1900, maar ze zijn vrijwel allemaal op een of andere manier verbonden met het leven en werk van Engelse kunstenaars of met personen die in de Engelse kunstwereld opereerden.

In 2007 werd begonnen met het online catalogiseren van het archief en dat ligt nu voor ongeveer 75% achter de rug. De documenten staan op naam van een persoon, een groep of een kunstinstelling. In totaal zijn er ruim 700 zoektermen. Om materiaal te kunnen inzien, moet een afspraak worden gemaakt met de studiezaal, gehuisvest in het souterrain van Tate Britain. De film- en geluidsdocumenten zijn te raadplegen in de bibliotheek (naast Tate Archive). Daarenboven heeft men drie deelcollecties helemaal online ontsloten. Het betreft documenten omtrent de geschiedenis van de Tate en van de Bloomsbury Group, en het persoonlijk archief van de kunstcritica Barbara Reise. Van die deelcollecties zijn in totaal 5.000 beelden van archiefstukken online beschikbaar. Aan de uitbreiding van dit aanbod wordt gewerkt.

Net als in veel andere archieven zijn er in Tate Archive opmerkelijke accenten aan te treffen. Zo vindt men er bijvoorbeeld ook het archief van de ICA (Institute of Contemporary Art), het in 1947 als non-profitinstelling opgerichte podium voor experimenten in kunst, film, theater en muziek dat tot op heden als zodanig functioneert. Verder worden het archief en de complete jaargangen bewaard van de Audio Arts Magazine. Dit in 1973 begonnen Engelse kwartaaltijdschrift bracht in de vorm van cassettebandjes (later cd’s) interviews met kunstenaars uit. De reden dat deze archieven in Tate Archive terechtgekomen zijn, en niet in het archief van het British Museum (of British Library), of van het Victoria & Albert Museum, zal zoals zo vaak gezocht moeten worden in de persoonlijke band van de schenker (of verkoper) met het instituut. En is dat slecht? Voor de Nederlandse (kunst)archieven valt hieruit te leren dat een warmhartiger benadering van potentiële schenkers geen kwaad kan. Zo had men in het recente verleden belangrijke schatten (denk bijvoorbeeld aan het archief van Art & Project) voor Nederland kunnen behouden.

Bij Tate Archive lijkt men dat in ieder geval beter te hebben begrepen. In de expositie van het jubilerende Tate Archive in Tate Britain, is een hele muur van de zaal van plafond tot plint volgeschreven met namen van schenkers die de afgelopen veertig jaar stukken hebben gegeven aan het archief. Op de opening werden zij feestelijk onthaald en geëerd. De expositie biedt een keuze van allerhande, vaak geschonken objecten uit het archief. Naast voor de hand liggende documenten zoals brieven (al dan niet geïllustreerd), worden tentoonstellingslijstjes, schetsboeken en kasboeken gepresenteerd. Er liggen haarlokken, kartonnen maquettes voor tentoonstellingen, een cassetterecorder met cassettebandjes, werkhandschoenen, uit dik papier gesneden stencilsjablonen, een goed gevulde schilderskist, een artistiek bedrukte, linnen placemat; en er hangen verschillende andere lappen, bedrukt met een dessin als een proef voor gordijnstof en beschilderd als banier voor een tentoonstelling. Keurig opgevouwen wordt wellicht een van de mooiste schatten uitgestald: de spierwitte overall van de schilder Walter Sickert, plus een van zijn vermiljoenrode schilderskielen. Gewassen en gestreken viel er helaas geen enkel spoortje DNA meer op die kleding te ontdekken. Er is wel degelijk naar gespeurd; men wil geen kans voorbij laten gaan om een definitief antwoord te krijgen op de vraag of de romantische schilder Sickert nu wel of niet de echte Jack the Ripper is.

Naast deze aan kunstenaars en kunst gerelateerde archiefstukken zijn er nauwelijks documenten opgenomen die de geschiedenis van de Tate belichten. Kennelijk vindt men die stukken minder interessant, althans voor het publiek (van potentiële schenkers). Die keuze staat haaks op bijvoorbeeld die van het Van Abbemuseum, waar men juist kiest voor documenten uit de museumhistorie. Zo werden onlangs in Eindhoven, in een zaal met enkele klassiekers uit de collectie, de dossiers gepresenteerd over de verwerving en de uitlening van drie aldaar getoonde schilderijen: de topwerken van Chagall en Picasso die Edy de Wilde aankocht en de Lissitzky die Jan Debbaut binnenhaalde (al betrof het daar in feite kopieën van die dossiers!). Een ander verschil is dat het Van Abbemuseum geen commentaar of uitleg bij de archiefstukken geeft, terwijl men daar in Londen juist dol op is. Op de tentoonstelling in Tate Britain valt dat misschien nog wel mee, maar op Tate Blog zijn heel leuke teksten te lezen die zowel informatief als onderhoudend zijn. Fijn daarbij is natuurlijk ook dat je via de blog kunt doorklikken naar de werken van de betreffende kunstenaar in de collectie van de Tate. Aan die toegankelijkheid kan niet alleen het Van Abbemuseum, maar het merendeel van de Nederlandse musea nog een puntje zuigen.

Uit de inhoud van Tate Archive, de archiefexpositie en de teksten op Tate Blog, spreekt een fascinatie voor de grillige en ongrijpbare kanten van de kunst en het kunstenaarschap. Waar archiefmateriaal in Nederland (misschien wel op te rekken tot het Europese continent?) nog steeds vooral wordt verzameld met het oog op de traditionele beoefening van de kunstgeschiedenis (het identificeren van kunstwerken, het reconstrueren van oeuvres en het beschrijven van de ontvangst aan de hand van kunstkritieken), lijkt men in Londen toch meer te collectioneren met het oog op een spannende ontdekkingsreis. Men is er niet in het minst benauwd voor afwijkende archiefstukken en – in het verlengde hiervan – evenmin voor het bestuderen van onorthodoxe kunst. Integendeel, men omhelst er graag zijn excentriekelingen.

Ook in de expositie van het archief in Tate Britain is die voorliefde gemakkelijk te herkennen. Van het essay dat Jake Chapman in 1980 verplicht zou hebben geschreven om tot de academie of een hogere graad te worden toegelaten, staat bijvoorbeeld de authenticiteit en vooral de datering niet vast. Voor het opnemen in het archief en het exposeren van het document vormt dat echter geen enkel beletsel. Men vindt dit cadeau van de kunstenaar tekenend voor diens dwarse en ongrijpbare opstelling, en daarin heeft men natuurlijk groot gelijk. Hetzelfde geldt voor de prachtige tekening uit 1943 van de dichter-tekenaar David Jones, ook te zien op de tentoonstelling. Het opnemen van dit werk, dat een grillige stamboom voorstelt waarin Jones verschillende bronnen van de Arthurlegende onderscheidt en onderling verbindt, zorgt voor een uitbreiding of een complicatie van het onderzoeksterrein. In plaats van een duidelijk houvast te bieden, waarmee de onderzoeker andere kunstwerken van Jones kan meten en wegen, wordt het domein van de beeldende kunst opgerekt in de richting van de literatuur.

Misschien is deze voorliefde voor wat ik gemakshalve even ‘buitencategoriale stukken’ zal noemen, wel kenmerkend voor het soort verzameling dat Tate Archive omvat. Tate Archive houdt ervan de raadsels van de kunst te vergroten, eerder dan ze te verkleinen. Die voorkeur tekent in ieder geval de opstelling van het hoofd van Tate Archive: Adrian Glew, al ruim twintig jaar verbonden aan het archief. Met aanstekelijk plezier vertelt hij over zijn laatste archiefvondst die het wereldnieuws haalde. In de nagelaten papieren van de tamelijk onbekende 19de-eeuwse Engelse beeldhouwer Henry Sibson, die in Parijs betrokken was bij de restauratie van de Notre Dame, omschreef deze laatste een van de Franse steenhakkers als de gebochelde Trajanus. Sibson deed dit in de periode waarin Victor Hugo Les Misérables schreef. Omdat vast staat dat de grote romanschrijver bekend was met de equipe beeldhouwers en hakkers die aan Viollet-le-Ducs project werkte, is Glew ervan overtuigd dat Hugo zijn fameuze gebochelde klokkenluider weleens geïnspireerd kon hebben op een levende persoon. Niet alleen stond de misvormde steenhakker wellicht model voor de romanfiguur Quasimodo, Hugo nam aanvankelijk ook diens bijnaam over: de gebochelde Trajanus, en dit dan voor de hoofdpersoon in Les Misérables. In die de roman werd de naam Jean Trajean uiteindelijk omgezet in Jean Valjean. Helaas noemt Sibson niet de achternaam van de gebochelde, en dus besluit Glew zijn mooie verhaal met het understatement dat hij om die naam te achterhalen eens in de Parijse archieven zou moet duiken. Dat zal er echter door zijn werk in de Tate Archive niet gauw van komen, iets wat hij volgens mij minder betreurt dan hij doet voorkomen.

 

De presentatie naar aanleiding van het 40-jarige bestaan van Tate Archive loopt tot 13 februari in Tate Britain, Millbank, London SW1P 4RG (020/7887.8888; www.tate.org.uk).