Herman van Bergeijk

DE WITTE RAAF

Editie 149 januari-februari 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het front van de legerbegraafplaatsen. De schoonheid van Lutyens.

 Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de grond van Noord-Frankrijk en België doordrenkt met bloed. Dagelijks waren duizenden soldaten het slachtoffer van het oorlogsgeweld dat vanuit de verschillende hoofdkwartieren werd georkestreerd. Ook stierven ze vaak aan de Spaanse griep en andere ziekten die zich in de loopgraven snel konden verspreiden. Vooral in de laatste jaren van de oorlog vormde het grote aantal gesneuvelden een belangrijk probleem. Waar moesten de lijken worden begraven? Moest dat tijdelijk of permanent zijn? En hoe moest er worden omgegaan met de nagedachtenis? Het zijn slechts enkele van de vele vragen die aan beide kanten van het front werden gesteld.

In Engeland werd in de lente van 1917 de Imperial (later Commonwealth) War Graves Commission in het leven geroepen, die onder meer vastlegde dat elke dode moest worden herinnerd met zijn naam op een grafsteen of een monument. Voorts werd bepaald dat deze herinneringsplaatsen permanent moesten zijn en dat de grafstenen een uniform karakter moesten hebben. Er mocht geen onderscheid in rang, ras, geloof of anderszins worden aangebracht. Oprichter van de commissie was generaal Fabian Ware, leider van een Engelse mobiele Rode Kruiseenheid.

Een van de architecten die werd benaderd om zich met de vormgeving van de oorlogsbegraafplaatsen en -monumenten bezig te houden was Edwin Lutyens (1869-1944). Lutyens was net uit India teruggekeerd waar hij verschillende regeringsgebouwen had neergezet en deel had uitgemaakt van de groep van specialisten die de verdere uitbreiding van Delhi zou ontwerpen. Hij gold als een imperial architect die zowel de behoeften van de natie als van de gegoede adel op een waardige wijze in architectuur had weten om te zetten. In Engeland had hij verschillende grote landhuizen gebouwd, die veel aandacht hadden gekregen. Het combineren van de Arts and Crafts en classicistische kenmerken viel bij de conservatieve modernen goed in de smaak. Zijn architectuur gaf uitdrukking aan ‘traditie’.

In de maand juli van het jaar 1917 reed Lutyens met een groep van andere genodigden langs de verschillende slagvelden en bracht in een brief aan zijn vrouw verslag uit van deze voor hem dramatische verkenningstocht. Voor het eerst werd hem duidelijk wat deze oorlog had voortgebracht en welk contrast deze wrange werkelijkheid bood met wat er in Engeland gebeurde en de opvattingen die er over de oorlog heersten. ‘The question is so big, so wide, that the most we can do is to generalise’, zo schreef hij. Al snel kwam Lutyens tot de opvatting dat op elke Britse begraafplaats als herkenningsteken een grote monumentale steen moest komen. Zoals zijn officiële biograaf Christopher Hussey in 1950 schreef, was de gedachte van Lutyens: ‘one great fair stone of fine proportions, lying raised upon three steps, of which the first and third shall be twice the width of the second; and that each shall bear, in indelible lettering, some fine thought or words or sacred dedication. This should be, wherever circumstances permit, on the east side of each cemetery and the graves lie before it, facing east, as the Army faces now.’

Frederic Kenyon, directeur van het British Museum en eindverantwoordelijke voor de ligging en vormgeving van oorlogsbegraafplaatsen, nam deze gedachte over. Met uitgekiende proporties en uniformiteit wilde Lutyens de begraafplaatsen abstracte waardigheid verlenen en tot oases van rust maken. De keurige rijen van witte grafstenen moesten voor eeuwig de respectvolle nagedachtenis van een volk voor zijn gevallenen uitdrukken. Naast Lutyens werden de architecten Herbert Baker en Reginald Blomfield aangesteld. De samenwerking, vooral die met Baker, verliep niet altijd even soepel. Onderlinge meningsverschillen leidden tot enkele varianten op het vaste schema. De teksten op de begraafplaatsen kwamen allemaal uit de pen van de schrijver Rudyard Kipling.

De afzonderlijke monumenten en de bijzondere oorlogsbegraafplaatsen van Lutyens hebben in de algemene overzichtsboeken van het werk van deze architect altijd wel een plaats gekregen en in het boek van Tim Skelton en Gerald Gliddon, Lutyens and the Great War, dat in 2008 in Londen verscheen, waren ze zelfs uitgangspunt voor een omvangrijke studie. Met een recent boek van Jeroen Geurst wordt echter voor het eerst een volledig overzicht geboden van het enorme aantal begraafplaatsen dat Lutyens ontwierp en een analyse gemaakt van de compositieregels die hij toepaste. Geurst toont aan dat Lutyens ondanks vele gestandaardiseerde elementen – hij werkte met een vast repertorium – tot een grote variëteit kwam en dat de landschappelijke ligging daarbij van invloed was. Als supervisor werkte Lutyens vaak samen met andere architecten, onder andere met de landschapsarchitecte Gertrude Jekyll.

Geurst is zelf architect en dat wordt snel merkbaar. In een uitvoerige inleiding van bijna tweehonderd bladzijden behandelt hij de vele aspecten van het begraven van de frontsoldaten en introduceert hij de elementen uit Lutyens’ repertorium. Vervolgens richt hij zijn aandacht op de begraafplaatsen zelf. Van elke begraafplaats waar Lutyens een rol heeft gespeeld, maakt hij een typologische analyse. Daarbij blijkt algauw dat de typische grote ‘altaarsteen’ slechts een van de vele beeldbepalende elementen is. Vrijwel geen enkel detail ontsnapte aan de aandacht van Lutyens.

Geurst bespreekt vervolgens de weerkerende elementen in de verschillende ontwerpen en gaat na hoe ze de landschappelijke kwaliteiten beter doen uitkomen. Historische plattegronden worden steeds aangevuld met planmatige tekeningen die Geurst zelf heeft vervaardigd. Zijn boek vormt een breed opgezette gids en een alfabetisch geordende catalogus van een deel van Lutyens’ oeuvre dat vaak als marginaal wordt gebrandmerkt. Het wordt echter duidelijk dat de opdracht om oorlogsbegraafplaatsen te ontwerpen een cruciale fase in het oeuvre van Lutyens inluidt, waarbij hij verder kon experimenteren met zijn opvattingen van architectuur als bouwsteen van een geciviliseerde wereld.

Thans liggen de Britse begraafplaatsen van Lutyens nog steeds als onberispelijke stukjes cultuur in het landschap. Weinig doet nog denken aan het geweld van de oorlog. De schoonheid heeft uiteindelijk de slag gewonnen, zeker als we deze begraafplaatsen vergelijken met de Duitse tegenpolen die vanuit andere principes werden vormgegeven. Maar dat is een verhaal dat nog geschreven moet worden.

 

• Jeroen Geurst, Cemeteries of the Great War by Sir Edwin Lutyens, verscheen in 2010 bij uitgeverij 010, Watertorenweg 180, 3063 HA Rotterdam (010/433.35.09; www.010.nl). ISBN 978 90 6450 715 1.