Tessel Bauduin

DE WITTE RAAF

Editie 152 juli-augustus 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Van dada tot surrealisme: Joodse avant-gardekunstenaars uit Roemenië.

Nu veel avant-gardes langzaam maar zeker hun eeuwfeest kunnen vieren, maken de musea zich op voor een nieuwe blik op deze vaak overbekende materie. Het Amsterdamse Joods Historisch Museum richt zich op dada en surrealisme uit Roemenië, van bekende en minder bekende joodse kunstenaars. Deze kunst werd lange tijd als perifeer aan de avant-gardes van na 1918 beschouwd. Zoals het museum benadrukt, zijn vanwege antisemitisme velen van de kunstenaars tot voor kort nauwelijks bestudeerd. Het leeuwendeel van de tentoongestelde werken is, onder meer vanwege het IJzeren Gordijn, nog nooit buiten Roemenië te zien geweest. Maagdelijke grond wordt hier dus gebroken.

Begrippen als ‘perifeer’ en ‘centraal’, en vooral de dynamische spanningen tussen deze twee, zijn hier relevant. Twee van de zeven besproken kunstenaars, Tristan Tzara (1895-1962) en Victor Brauner (1903-1966), zijn erg bekend. Beiden stonden in het centrum van avant-gardebewegingen en zijn alom geprezen voor hun bijdragen aan die bewegingen: Tzara aan dada in Zürich en het surrealisme van de jaren 20 in Parijs, Brauner aan het Parijse surrealisme vanaf 1934 tot ruim na de Tweede Wereldoorlog. Marcel Janco (1895-1984) stond eveneens aan de wieg van dada in Zürich, en verwierf vooral bekendheid als modernistisch architect in Boekarest. Ook Arthur Segal (1875-1944) nam deel aan het dadaïstische Cabaret Voltaire in Zürich, alvorens naar Engeland te vertrekken. De drie kunstenaars die het zevental completeren, M.H. Maxy (1895-1971), Paul Păun (1915-1994) en Jules Perahim (1914-2008), zijn buiten Roemenië daarentegen weinig bekend. Zij hebben hun carrière grotendeels in Boekarest uitgebouwd. De eerste vier hebben evenwel vooral in het buitenland gewoond en hebben zelfs, in het geval van Tzara en Brauner, de Franse nationaliteit gekregen. De vraag rijst dan ook of het zin heeft deze zeven kunstenaars binnen één tentoonstelling met elkaar te vergelijken.

Allereerst zijn deze kunstenaars verbonden door hun Roemeense oorsprong, niet door het staatsburgerschap – als joden werd hen dat in eerste instantie ontzegd. Die joodse achtergrond is een volgende overeenkomst, al is dit niet van (iconografisch) belang geweest voor hun kunst: geen van allen heeft zijn werk van joodse thema’s of onderwerpen voorzien. Allen waren avant-gardist, en overstegen daarmee bewust nationalisme of religie. Hierin schuilt waarschijnlijk ook de belangrijkste overeenkomst.

De bezoeker krijgt in deze tentoonstelling als het ware een minicursus avant-garde voorgeschoteld, van 1910 tot 1938. Het is opvallend hoe veelzijdig deze kunstenaars waren en hoeveel stijlen ze hebben uitgeprobeerd: neo-impressionisme, kubisme, futurisme, neorealisme, expressionisme, dada en surrealisme passeren de revue. Felle en matte kleuren, abstracte en figuratieve vormen; schilderijen, tekeningen of zelfs maskers; alles hangt broederlijk naast elkaar. De diversiteit in medium, stijl, kleurgebruik én kwaliteit binnen deze, uiteindelijk toch vrij kleine, tentoonstelling is opzienbarend en fascinerend.

Bijzonder is dat men van Brauner en Tzara, ondanks hun centrale rol in de Europese avant-garde, toch ‘perifere’ werken te zien krijgt: vroege stukken uit privéverzamelingen die decennialang in woonkamers van Boekarest hebben gehangen. We zien een andere kant van Tzara, namelijk zijn beeldend kunstenaarschap; en ook van Brauner, namelijk zijn vroege, nog niet of nauwelijks surrealistische werk. De werken van Janco, Maxy en Segal, en zeker van de navolgers Perahim en Păun, zullen sowieso voor de meesten nieuw zijn. Dat alleen al maakt ze interessant, hoewel de opvallende kwaliteit en inventiviteit van het merendeel van de tentoongestelde werken ook meer dan voldoende reden is voor een bezoek. Als deze tentoonstelling één ding duidelijk maakt, is dat het inderdaad onterecht is dat deze vijf kunstenaars, en de ontwikkeling van de avant-garde in Roemenië alsook de rol daarin van deze zeven kunstenaars, zo lang onderbelicht is gebleven.

De opstelling van de tentoonstelling, met ruim zeventig kunstwerken, is helaas vrij krap. De tentoonstellingsruimte van het JHM is nou eenmaal niet erg groot. Misschien was het wat te ambitieus om het werk van zeven kunstenaars over een periode van 30 jaar te belichten. Het museum heeft gekozen voor een klassieke opstelling, terwijl het spannende materiaal toch zou kunnen uitnodigen tot meer experiment – ook met de ruimte zelf.

Dit zijn echter slechts details. Bovendien kent het feit dat men zich in één zaal beweegt ook een groot voordeel: men loopt er gemakkelijk via een eigen route en meermaals doorheen. Het JHM heeft dit in de hand gewerkt: de boeiende film waarmee de tentoonstelling opent en die de Roemeense avant-garde en de individuele kunstenaars introduceert, biedt, in combinatie met de aanwezige biografische informatie, voldoende aanknopingspunten voor een exploratie van de kunstwerken op eigen tempo en naar eigen smaak. Enigszins onderbelicht blijft de rol die het joods-zijn al dan niet gespeeld heeft bij de avant-gardistische overtuigingen van deze kunstenaars, maar in de (trouwens erg aardige) catalogus wordt daar ruimschoots aandacht aan besteed. Al met al presenteert het Joods Historisch Museum een waardevolle alternatieve versie van de avant-gardes.

Van dada tot surrealisme: Joodse avant-gardekunstenaars uit Roemenië, 1910-1938, tot 2 oktober in het Joods Historisch Museum Amsterdam, Nieuwe Amstelstraat 1,
 1011 PL Amsterdam
 (020/531.03.10; www.jhm.nl).