Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 152 juli-augustus 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Paris – Delhi – Bombay…

Als bij toeval lopen er in Lyon en in Parijs gelijktijdig twee tentoonstellingen met hedendaagse Indische kunst. Nog tot 31 juli toont het Musée d’art moderne van Lyon Indian Highway IV. Deze rondreizende tentoonstelling is een productie van Hans-Ulrich Obrist en de Serpentine Gallery. Na Londen, Oslo en Herning is Lyon de vierde halte, vandaar het Romeinse cijfer IV. Nadien reist deze tentoonstelling, die voor elke etappe speciaal wordt aangepast, nog door naar Rome, Moskou, Singapore, Hong Kong, Sao Paulo en Delhi.

In tegenstelling tot Indian Highway, die met een dertigtal kunstenaars een mooi overzicht geeft van de hedendaagse kunstscene in India, tracht Paris – Delhi – Bombay… zich in te schrijven in de reeks historische tentoonstellingen over de artistieke relaties tussen Parijs en andere metropolen als New York, Berlijn en Moskou, zoals deze in de beginjaren van het Centre Pompidou onder leiding van Pontus Hultén geconcipieerd werden. Alleen zijn de artistieke relaties tussen India en Frankrijk – met uitzondering van de in de jaren 50 door Corbusier gebouwde stad Chandigarh – ongeveer nihil.

Maar wat niet geweest is, kan nog altijd komen. In januari 2008 bracht de Franse president Nicolas Sarkozy een officieel bezoek aan India. Hij was er de speciale gast op hun nationale feestdag, Republic Day. Het jaar daarop kwam de Indische eerste minister Manmohan Sing naar Parijs voor de viering van quatorze juillet. Sindsdien werden de vooral economische en strategische banden tussen beide landen stevig aangehaald. India koopt in Frankrijk vooral militair materiaal (gevechtsvliegtuigen en onderzeeërs), nucleaire brandstof en kernreactoren.

De Parijse tentoonstelling speelt zich duidelijk af tegen een politiek-culturele achtergrond. De ambitie van Paris – Delhi – Bombay… is volgens de organisatoren niet alleen ‘het laten ontdekken van de Indische maatschappij en haar hedendaagse kunstenaars, maar ook het aanmoedigen van een dialoog, het organiseren van uitwisselingen en het creëren van duurzame banden met deze grootste democratie ter wereld’. Naast werk van een dertigtal Indische kunstenaars, ongeveer dezelfde als in Lyon, werden vijftien Franse kunstenaars naar India gestuurd om er hun indrukken op een artistieke manier te formuleren. Aan zowel de Franse als de Indische kunstenaars werd gevraagd om India te bekijken volgens het spectrum van politiek, urbanisme en milieu, godsdienst, huiselijkheid, identiteit en ambacht. De centrale ronde ruimte, waarin summiere informatie over de vooropgestelde thema’s verzameld werd, geeft toegang tot de verschillende secties. Die ietwat artificiële opstelling beantwoordt aan het antropologisch perspectief van de cultural studies, maar zegt weinig over de artistieke ambities van de kunstenaars en de kwaliteiten van hun werk. Ze zegt wel veel over de westerse blik van de Franse kunstenaars en de curatoren, Sophie Duplaix van het Centre Pompidou en de hoofdredacteur van Beaux Arts Magazine Fabrice Bousteau, die met heel wat exotische clichés zijn naar huis gekomen.

De tentoonstelling opent veelzeggend met de Draps-peaux hybridés van Orlan, waarbij de kleuren en de motieven van de Franse en de Indische vlag, in talrijke glitterplaatjes, met elkaar vermengd werden. Centraal in de tentoonstelling staat een traditioneel beeld van Tara, de godin van vrede en bescherming, en symbool van eeuwig licht en eeuwige liefde, die door Ravinder Reddy in een kitscherig kleedje van bladgoud werd gestoken, zoals dat door westerse toeristen op zoek naar exotische ervaringen ten zeerste geapprecieerd wordt. De gerecycleerde computeronderdelen van Krishnaraj Chonat, die als een gordijn bij de ingang aan de muur hangen, evenals de winkel vol met keukengerei in roestvrij staal van Sbodh Gupta of de miniatuursloppenwijk van Hema Upadhyay, tonen dan weer een andere realiteit, die evengoed het gevolg is van de in het Westen ruim verspreide gemeenplaatsen. Dit soort werk laat uitschijnen dat de tentoonstelling niet alleen de nadruk legt op de hedendaagse kunst in India, maar ook op diepgaande veranderingen in een land dat in volle expansie is.

Ook de modieuze genderinsteek bij Pushpamala N, die zichzelf in de mythische Harcourtstudio’s in Parijs liet fotograferen als La liberté guidant le peuple, getuigt eerder van westerse obsessies dan van een werkelijke belangstelling voor een minder gekende cultuur en haar hedendaagse artistieke expressie. Eenzelfde benadering vindt men trouwens bij Sonia Khurana, die zowel Franse als Indische transseksuelen ondervraagt, of in de stereotiepe chromo’s van Pierre et Gilles, die in de jaren 80 in de straten van Delhi Indische adolescenten portretteerden.

De tentoonstelling is vrij oppervlakkig en – in het licht van de actuele politieke, economische en financiële context – opvallend onkritisch. Ze is ook een gemiste kans om het werk van deze kunstenaars beter te leren kennen. Eén werk per kunstenaar is veel te weinig om zich een idee te vormen. Het gebrek aan een historische achtergrond maakt het moeilijk om deze werken te situeren – dat de meeste kunstenaars in het Westen gestudeerd hebben en sommigen reeds door de internationale kunsthandel werden gepromoot, verhelpt daar niets aan.

Ook de meerwaarde van de confrontatie met de Franse kunstenaars is ver te zoeken. Hun gelegenheidspoëzie gaat niet verder dan een oppervlakkige verwondering, een anekdotisch uitgangspunt of een pittoreske blik op een land, een cultuur of een kunst die ze nauwelijks kennen. De problematiek van de tentoonstelling wordt mooi samengevat door Stéphane Calais, die de uitnodiging om naar India te reizen demonstratief naast zich heeft neergelegd, maar ons wel verrast met een reeks grote Chinese inkttekeningen met prachtige florale motieven.

Paris – Delhi – Bombay… tot 19 september in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).