Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 152 juli-augustus 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Severini. Futuriste et néoclassique.

Gino Severini is ongetwijfeld de meest Franse der Italiaanse futuristen. Zijn werk staat symbool voor de artistieke uitwisselingen tussen Frankrijk en Italië in de eerste helft van de 20ste eeuw – en niet alleen in de jaren van het futurisme van 1911 tot 1915. Een mooie overzichtstentoonstelling in de Orangerie traceert ook en vooral zijn belangstelling voor het divisionisme (1905-1910), het kubisme (1916-1919), de retour à la figure (1920-1943), het neofuturisme en de abstracte kunst (1948-1951).

Severini werd in 1883 in Cortona (Toscane) geboren. Hij overleed in Parijs in 1966. Aan beide steden bleef hij zijn ganse leven gehecht. ‘Je suis né physiquement dans la première et intellectuellement autant que spirituellement dans la seconde.’ Samen met Boccioni volgde hij in het Romeinse atelier van de twaalf jaar oudere Giacomo Balla, die net terug was van een verblijf in Parijs, onderricht in de nieuwe Franse schilderkunst. In 1906 vertrok Severini zelf naar de lichtstad, waar hij in de kring rond Braque en Picasso terechtkwam.

De neo-impressionistische techniek van de optische kleurmenging stelde hem in staat om kleur op een meer abstracte manier te gaan gebruiken, zijn geschilderde objecten uit elkaar te halen en hun vormen te definiëren in termen van beweging en snelheid, voor hem de werkelijke karakteristieken van de moderne beschaving. Samen met Boccioni betrok hij Balla in zijn onderzoek en stelde hem voor aan Marinetti. Nadat hij in 1910 het futuristisch manifest van de schilderkunst mee had ondertekend, introduceerde hij zijn futuristische vrienden uit Milaan in de Parijse kunstwereld. Dit resulteerde in 1912 in de fameuze tentoonstelling van de futuristen in de galerij van Bernheim Jeune, die door de Franse kubisten Gleizes en Metzinger ontvangen werd als passéiste.

Uit deze tentoonstelling blijkt ook dat het revolutionaire karakter van het futurisme eerder betrekking had op het discours van Marinetti dan op de eigenlijke schilderijen van Severini en de andere zogenaamde futuristen, die enerzijds sterk beïnvloed zijn door het divisionisme en anderzijds door het kubisme. Uit de mengvorm van kubisme en futurisme ontstaat een hybride schilderkunst die uitmondt in het cubofuturisme. Deze nieuwe stijl stelde Severini in staat om de gefragmenteerde dynamiek van de massa, de stad en haar uitgaansleven in een eigen stijl te verbeelden. De beweging kreeg een levendige uitdrukking in een reeks dansende figuren. De oorlogstaferelen uit de periode 1914-1915 kwamen er op vraag van Marinetti. Na de dood van Boccioni in 1916 – hij sneuvelde aan het Noord-Italiaanse front bij Verona – verliet Severini het futurisme en voegde zich bij de kubisten. Zijn in tegenstelling tot de andere kubisten kleurrijke schilderijen staan het dichtst bij het werk van zijn vriend Juan Gris.

Zijn kubistische schilderijen bestaan uit dynamische composities van kaleidoscopische vlakken met meestal zilvergrijze kleurvibraties. Van Doesburg noemde Severini’s stijl ‘psychisch kubisme’, omdat hij meende dat het werk eerder voortkwam uit zijn geest dan uit de materie. Apollinaire rekende hem tot de cubistes instinctifs, terwijl Severini zijn werk eerder tot het cubisme scientifique rekende. Dit laatste is niet verwonderlijk aangezien Severini ook belangstelling had voor de wetenschappelijke kant van de schilderkunst. Hierover publiceerde hij onder andere in het tijdschrift van De Stijl.

In 1921 verschijnt zijn Du Cubisme au Classicisme, waarin hij de relatie tussen kunst en wiskunde op een persoonlijke manier uiteenzet, via zijn theorieën over meetkunde, de gulden snede en de perfecte harmonie. Op dat moment schildert hij reeds portretten, harlekijns, stillevens en interieurs met een metafysisch karakter, in een zakelijke, objectieve, neoklassieke stijl. Ze begeleiden zijn terugkeer naar de traditionele waarden van de schilderkunst, die volgens hem in de eerste plaats gebaseerd is op ‘constructie’. De jaren 20 worden gekenmerkt door een retour à la figure en een retour à l’ordre.

Het belang van deze tentoonstelling is dat ze een ander zicht geeft op het futurisme en de veelzijdigheid van Severini. Het Parijse kunstmilieu was uiteraard zijn belangrijkste biotoop. Uit de tentoonstelling blijkt echter ook dat hij begon als kopiist van Botticelli en Fra Filippo Lippi, en dat hij altijd een Italiaanse schilder is gebleven. De metafysische sfeer en de droge, frescoachtige techniek geven een vreemde Italiaanse kwaliteit aan zijn virtuoze maniëristische stijl.

Uit de tentoonstelling blijkt dat Severini veel meer was dan de futurist waar hij meestal voor doorgaat. Ze toont de grote diversiteit en de verschillende aspecten van dit minder gekende oeuvre, dat perfect aansluit bij de vaste collectie van de Orangerie, waar een van de mooiste verzamelingen moderne meesters is ondergebracht.

Severini. Futuriste et néoclassique, tot 27 juli in het Musée de l’Orangerie,
 Jardin des Tuileries,
 75001 Parijs (01/44.77.80.07; www.musee-orangerie.fr).