Gijs van Oenen

DE WITTE RAAF

Editie 152 juli-augustus 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Collaboratie in de kunst

Wat is de maatschappelijke rol van de beeldend kunstenaar? Is hij creatief, of conformistisch? Of zijn die twee misschien identiek geworden – en heeft de kunst zich daarmee buitenspel gezet? Dat is het soort vragen waarop in twee recente publicaties antwoorden worden gezocht. De ene is een collectief werk, een collage bijna, getiteld Art and Activism in the Age of Globalization, geredigeerd door Lieven De Cauter, Ruben De Roo en Karel Vanhaesebrouck. Een dertigtal auteurs vuurt hierin een waar salvo aan stellingen, opvattingen, visies, ervaringen en interpretaties op de lezer af, waarin de redacteuren slechts in beperkte mate orde hebben kunnen of willen aanbrengen. De ander is een schotschrift van de BAVO-tandem, Matthias Pauwels en Gideon Boie. In Too Active to Act. Cultureel activisme na het einde van de geschiedenis schieten ook zij een salvo af, maar anders dan het team van De Cauter c.s. hebben zij daarbij een duidelijke tegenstander in het vizier, te weten de (Nederlandse) kunstpraktijk die met de bestaande maatschappelijke orde collaboreert.

Die zware term vinden we overigens in geen van beide publicaties, maar als zij ergens toe uitnodigen, dan is het tot een nieuw overdenken van dit aloude, beladen begrip, in samenhang met aanverwante termen als betrokkenheid, engagement, inbedding, kritiek, subversiviteit, weigering, protest en verzet. Uit beide boeken spreekt het gevoel dat veel vormen van maatschappelijk engagement tegenwoordig beklemmend zijn geworden. Waar kunstenaars zich in de jaren 70 bijvoorbeeld nog konden solidariseren met krakers en (andere) buurtbewoners, en zich daarmee verzekerd wisten van een solide tegenculturele positie, daar worden zij nu met zachte ambtelijke hand naar grootstedelijke ‘broedplaatsen’ geleid om daar in hun quasimarginaliteit een waardevolle bijdrage te leveren aan de zogeheten creatieve economie.

De kunst staat daarin overigens niet alleen. Ook in de wetenschap zien we zo’n gevoel van onbehagen de laatste jaren de kop opsteken. Zo begint in Nederland verzet te ontstaan tegen de rol die de sociologie zich pakweg de afgelopen 25 jaar heeft laten aanmeten, die van dienstmaagd van het openbaar bestuur: zij zou haar autonomie hebben verkwanseld, door haar onderzoeksoren zowel financieel als ideologisch steeds verder te laten hangen naar de noden en prioriteiten van dat bestuur. [1] Iets dergelijks geldt, a fortiori zelfs, voor de bestuurskunde, al is het verzet van binnenuit daar uit de aard der zaak minder sterk. En ook geldt het bijvoorbeeld voor de ethiek, een discipline van de filosofie die tot voor een generatie in feite slechts een bijwagen van de theologie was, en haar ‘bevrijding’ daaruit in belangrijke mate heeft gekocht door zich als ‘toegepaste ethiek’ met een baaierd aan beleidsvraagstukken te gaan bezighouden.

Het zou te simpel zijn om deze tendensen in kunst en wetenschap louter toe te schrijven aan lafheid en/of een neiging tot politiek conformisme; respectievelijk om te menen dat de vernieuwing of herziening van enkele begrippen in het vocabulaire van kunst of wetenschap deze tendens zou keren. Zulke herziening en vernieuwing is zeker belangrijk en noodzakelijk, maar er is meer aan de hand. Dat komt ook tot uitdrukking in de titels van de twee boeken. Kunst en activisme staan in het teken van de ‘globalisering’, en het cultureel activisme speelt zich af ‘na het einde van de geschiedenis’. In Art and Activism wordt die globalisering overigens niet expliciet gethematiseerd; het concept wordt eerder gebruikt als los – en modieus – equivalent van thematieken als onbeheersbaarheid, onoverzichtelijkheid en risicosamenleving. Daarnaast dient het goede oude kapitalisme als steen des aanstoots. Too Active to Act is ook in dit opzicht doelgerichter: BAVO becommentarieert Francis Fukuyama’s stelling dat er met het ‘einde van de geschiedenis’ ook een einde is gekomen aan het maatschappelijk nut van de kunst (Too Active to Act, p. 8). Daarmee nemen Boie en Pauwels primair de zelfgenoegzaamheid van de hedendaagse liberale democratie op de korrel.

Hoewel Art and Activism door de gekozen vorm veel weg heeft van een schot hagel, doet (hoofd)samensteller Lieven De Cauter in zijn inleiding, speels-pretentieus aangeduid als ‘rebelse proloog’, een manmoedige poging om enkele leidende gedachten te formuleren. Het centrale thema daarbij is subversiviteit, ook de noemer van een lopend onderzoeksproject aan de kunsthogeschool RITS in Brussel. Subversiviteit is eigenlijk het romantische neefje van de verlichte, democratische maatschappelijke orde. Het duidt op gezagsondermijning, maar niet in de revolutionaire zin van omverwerping. Eerder gaat het om een tijdelijke verstoring van de gevestigde orde, een soort ludieke guerrilla in de traditie van het situationisme, die ruimte opent voor ‘alteriteit, deviantie en drifting’ (Art and Activism, p. 9).

Moet de subversiviteit weer in ere worden hersteld? Maar hoe moet dat in een tijd waarin alle traditionele gezag allang ondermijnd is? Terecht ziet De Cauter er een gevaar in om bijvoorbeeld de speelsheid tot subversief principe uit te roepen. Kunst en wetenschap moeten volgens hem zeker ‘speelplaatsen’ blijven – en we moeten ze dus niet laten annexeren door het beleid – maar de ‘werkelijke actie’ daarbuiten moet juist geen speelse vorm hebben. De Cauter pleit voor affirmative action, ‘positieve actie’ dus, actievormen die zich niet ‘tegen’ verklaren maar ‘vóór’. En die positieve opstelling is in de huidige onzekere tijd vooral defensief. Met name moeten verdedigd worden: solidariteit, de internationale rechtsorde, constitutionele rechten, uitingsvrijheid, de democratie, de welvaartsstaat en het ecosysteem (Art and Activism, p. 16).

De stellingname van BAVO is een stuk minder geëxalteerd en, wellicht spijtig te zeggen, ook een stuk minder positief. Pauwels en Boie richten hun pijlen eenduidig en ondubbelzinnig op de kunstenaars die zich voor het karretje van de liberale democratie laten spannen, door bijvoorbeeld mee te werken aan allerlei projecten voor participatie, engagement en deliberatie. Daarin zijn zulke kunstenaars inderdaad graag geziene gasten, van wie wordt verwacht dat zij net dat beetje extra brengen, dat zij ‘het verschil maken’, dan wel de X-factor bijdragen. Zij zijn de smeerolie geworden die de machine van de liberale democratie letterlijk en figuurlijk aan de praat houdt. Zij vormen de schaamlap van de hedendaagse ‘postpolitieke’ conditie, of misschien beter de franje, die de aandacht moet afleiden van het feit dat er geen werkelijke keuzes meer gemaakt kunnen en mogen worden en geen werkelijk afwijkende opvattingen meer gehoord kunnen worden. Wat we overhouden zijn ‘brave burgers’ en brave kunstenaars, die komen opdagen omdat de deliberatie- en participatiemachine daaraan behoefte heeft. [2] Hun aanwezigheid heeft echter geen ander effect dan de legitimatie van het doordraaien van deze machine.

Deze diagnose kan ik op zichzelf wel onderschrijven. Zij komt in grote lijnen overeen met wat ik zelf ‘interactieve metaalmoeheid’ noem, een bijna verslavende gewenning aan het oneindige circuit van consultatie en deliberatie, die ons thans frustreert en ‘moe’ maakt omdat er nauwelijks nog iets is dat werkelijk en hoognodig heel anders moet worden geregeld of ingericht dan nu het geval is. Ik noem dat ‘de tragedie van de geslaagde emancipatie’ – een formulering die enerzijds het positieve aspect van de hedendaagse conditie tot uitdrukking brengt, en anderzijds een problematische kant daarvan benadrukt, namelijk de belasting die de geslaagde emancipatie ons oplegt om onophoudelijk geëmancipeerd te handelen en te leven. [3] Op vergelijkbare wijze stelt BAVO dat we zo druk bezig zijn met participeren dat we geen tijd hebben om te handelen, dat wil zeggen om enig werkelijk verschil te maken: too active to act.

Jammer is echter dat de vijftien hoofdstukken in Too Active to Act, van zo’n tien pagina’s per stuk, eigenlijk alleen deze boodschap herhalen, en dan nog niet eens in verschillende toonaarden. Samen met de lelijke vette typografie maakt dit het lezen tot een neerdrukkende ervaring. Als ware hij een heipaal wordt de boodschap er bij de lezer hoofdstuk na hoofdstuk ingeramd. Dat geldt zelfs voor het ‘beeldessay’ van Hendrik Jan Grievink: ook dat draagt, in even vet zwart, dezelfde BAVO-boodschap uit. Geëngageerde kunstenaars zijn niet meer dan ‘culturele therapeuten’ (Too Active to Act, p. 55) die, zoals Christopher Lasch in de jaren 70 aan de therapeuten verweet, geen bevrijding creëren maar juist afhankelijkheid bestendigen en de bestaande orde legitimeren. Deze kunstenaars, of het nu gaat om WIMBY! [4], Sabrina Lindemanns OpTrek-project in Transvaal [5], of het Dwaallicht-project in het Rotterdamse Nieuw Crooswijk van Jeanne van Heeswijk [6], zijn allen ‘radicale pragmatici’ met een ‘inclusieve, integrale aanpak waarin geen maatschappelijke partij te fout is om te engageren’. In een sarcastische parodie op mei 1968 is volgens BAVO het motto van deze kunstenaars: ‘Wees realistisch, doe het mogelijke.’ [7]

Daartegenover wil BAVO zelf vasthouden aan de oorspronkelijke leuze: ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke!’ [8] De strategische vorm die het duo hierbij aanbeveelt, is die van de overidentificatie, ofwel de ‘burgerlijke overgehoorzaamheid’: de logica van de heersende machten zo ver doorvoeren dat de absurditeit of immoraliteit ervan voor zichzelf gaat spreken. Voorbeelden daarvan zijn Laibach, dat in 1983 op televisie pleitte voor een nog sterker en socialistischer Joegoslavië; Christoph Schlingensiefs Bitte liebt Österreich! waarbij asielzoekers in een Big Brotherachtige setting elkaar moeten bekampen met een verblijfsvergunning als hoofdprijs voor de winnaar; en Martijn Engelbregts huis-aan-huis bezorgde formulier waarop het zogenaamde Registratie Orgaan Nederland vraagt of men illegalen kent en zo ja, of men bereid is die aan te geven.

Ik vind dit ook hele geslaagde vormen van cultureel activisme, maar anders dan BAVO zou ik die niet willen verbinden aan een ludiek-militante strategie van het ‘provoceren van de machthebbers’, of het ‘advocaat van de duivel’ spelen. Zeker niet als daar geen duidelijk doel mee is gediend. Want wat nu het werkelijke verschil is dat gemaakt zou kunnen worden, blijft onbesproken. Het blijft bij een extreem vaag geformuleerd ideaal als ‘het heft zelf in handen nemen’ of ‘de mogelijkheid van fundamentele verandering’. [9]

Art and Activism gooit het in ieder geval qua presentatie over een hele andere boeg. Iedereen mag wat zeggen, en de atmosfeer is meer die van een festival dan van een seminar. Mede daardoor zijn de bijdragen zeer uiteenlopend van strekking en kwaliteit. Opvallend is voorts dat de meeste bijdragen – anders dan bij BAVO, dat zich gelukkig concreet en duidelijk uitdrukt – wel weer huizenhoge theoretische pretenties uitstralen. In zekere zin past dit goed in de festivalsfeer – druk wordt geflirt met alles wat cool, modieus of avant-gardistisch is: Paolo Virno, Karlheinz Stockhausen, Antonio Gramsci, Nicolas Bourriaud, Steven Cohen, Christoph Schlingensief, Alain Badiou, Michael Hardt, Toni Negri, Gilles Deleuze, Jacques Rancière, and the list goes on. Net als bij een flirt duurt het zelden lang, dat wil zeggen langer dan een paar pagina’s. Er is zelfs de meta-flirt, in de persoon van Dieter Lesage, die zich (in een bijdrage die stamt uit 2003) naar aanleiding van Documenta 11 afvraagt of de flirt niet de moderne vorm van engagement is geworden. Met andere woorden, Lesage flirt hier met het flirten.

Maar als puntje bij paaltje komt, dat wil zeggen waar het gaat om het uitspreken van sympathieën of het suggereren van therapieën, is Art and Activism niet ver verwijderd van Too Active to Act. Hoewel we her en der wat primitieve politieke oprispingen vinden in de trant van ‘Against the perfection of the State, let us offer our stupid romance’ of ‘go screw some government tonight’ (de laatste zin van het boek!), bevelen de auteurs doorgaans hetzelfde type cultureel activisme aan als BAVO (Art and Activism, pp. 106, 320). Ook hier komen we de ‘overidentificatie’ tegen van Schlingensief, in een overigens fraaie bijdrage van Klaas Tindemans, of bijvoorbeeld de Yes Men, hedendaagse party crashers die topmanagers en hoge bestuurders met hun eigen ongemakkelijke waarheden confronteren.

Beide boeken thematiseren ons maatschappelijk onvermogen om te gaan met eigen en andermans onbehagen. Dat onbehagen is het onbehagen van het radicaal pragmatisme, of van wat ik – om het nog wat duidelijker uit te lichten – collaboratie noemde. Het is het onbehagen van het meedraaien in een systeem waarvan we niet houden, maar waarvoor we geen alternatief zien. Of zoals Slavoj Žižek het ooit treffend heeft verwoord: we kunnen ons tegenwoordig eerder het einde van de wereld voorstellen dan het einde van het kapitalisme. Omdat we geen alternatief zien, weten we moeilijk raad met ons onbehagen. Dan rijst ook de vraag: heeft de kunst hierin nog een of andere meerwaarde, een eigen positie? Dat lijkt problematisch. Petran Kockelkoren poneerde in zijn oratie uit 2003 al de stelling dat kunstenaars eigenlijk ‘incorporatieleraren van de massa’ zijn. ‘Bij het zich eigen maken van […] nieuwe manieren van kijken, horen, ruiken, hebben beeldend kunstenaars een vooraanstaande rol gespeeld. Technieken die nieuwe ervaringswijzen ontsluiten worden hanteerbaar gemaakt en gedomesticeerd door kunstenaars.’ [10] In vergelijkbare trant betoogt Pascal Gielen (overigens ook vertegenwoordigd in Art and Activism) in zijn oratie uit 2008 dat kunstpraktijken het postfordisme hebben voorbereid. [11]

Tegenover de min of meer geresigneerde toon van deze oraties proberen Art and Activism en Too Active to Act weer, getuige alleen al hun titels, een meer activistisch geluid te laten horen. Of iets provocerender gezegd, ze gaan op zoek naar politieke redenen die hun onbehagen over de rol die de geëngageerde kunst is gaan spelen, kracht kunnen bijzetten. Art and Activism zoekt daartoe in alle hoeken en gaten – terecht, want je weet immers maar nooit waar de politiek zich bevindt. Het heeft de romantische toon van verliefdheid en ontdekking, en de daarmee gepaard gaande luchtige en cavaliere stijl. Too Active to Act is daarentegen zwaar op de hand, en in dat opzicht is het vettige zwart van de typografie goed getroffen. Probeert de kunstenaar iets eigens toe te voegen aan het proces van stedelijke herstructurering, dan is hij een ‘incidentenmanager’. Wordt er, op de Westblaak in Rotterdam, speciaal voor skaters een parkje aangelegd, dan ziet BAVO daarin een ‘politiek van containment’, omdat hiermee het ‘recht’ zou vervallen om nog elders in de stad te skaten (Too Active to Act, pp. 118, 131).

Dat laatste is een goed voorbeeld van hoe in feite beide werken nog blijven proberen hun onbehagen te verbinden aan vermeende vormen van uitsluiting. Met andere woorden, aan een onvoltooid proces van emancipatie. Met hun eigen parkje worden de skaters toch juist niet voor vol aangezien, is dan de logica van de kritiek. Dat roept de vraag op wat dan wel werkelijke emancipatie zou zijn, en wanneer we die bereikt hebben. Op de achterflap van Too Active to Act wordt die vraag wel opgeworpen, maar in het boek wordt zij niet beantwoord, en eigenlijk niet eens aangesneden. Ook Art and Activism maakt ons in dit opzicht niet wijzer. Daartegenover zou ik zelf zeggen dat we al meer dan genoeg geëmancipeerd zijn, of in ieder geval al zozeer dat we het zelf nauwelijks meer aan kunnen. Mij zou het dus liever zijn als de kunst ons een middel tegen de emancipatiedrang zou kunnen leveren, bijvoorbeeld met werken waarin overidentificatie uitdrukking geeft aan ‘overemancipatie’. Dat zou voor mij de ware actuele betekenis aangeven van de op zichzelf treffende karakterisering ‘too active to act’.

 

Noten

1 Een aanklacht die is geformuleerd door de Rotterdamse socioloog Willem Schinkel, onder meer in zijn Denken in een tijd van sociale hypochondrie, Kampen, Klement, 2007.

2 Over de brave burgers, zie Marcel Ham en Imrat Verhoeven (red.), Brave burgers gezocht: de grenzen van de activerende overheid, Amsterdam, Van Gennep, 2010.

3 Zie Gijs van Oenen, Interactieve metaalmoeheid. De tragedie van de geslaagde emancipatie, te verschijnen in het najaar 2011 bij Van Gennep, Amsterdam.

4 Felix Rottenberg e.a. (red.), Wimby! Toekomst, verleden en heden van een New Town, Rotterdam, NAi, 2007.

5 Sabrina Lindemann (red.), Stedelijke transformatie in de tussentijd. Hotel Transvaal als impuls voor de wijk, Amsterdam, SUN-Trancity, 2010.

6 Justus Uitermark, ‘Ik geef beeld aan discussies’. Interview met Jeanne van Heeswijk, in: Tijdschrift voor sociale vraagstukken, jrg. 59, nr. 5, 2005, pp. 20-25.

7 Ibid, pp. 24, 48.

8 Ibid. p. 47 (echter fout weergegeven als ‘doe het onmogelijke’).

9 Ibid. pp. 10, 156.

10 Petran Kockelkoren, Techniek: kunst, kermis en theater, Rotterdam, NAi uitgevers, 2003, p. 19.

11 Pascal Gielen, Het gemurmel van de artistieke menigte. Over kunst en post-fordisme, Tilburg, Fontys Hogescholen, 2008.

Art and Activism in the Age of Globalization (red. Lieven De Cauter, Ruben De Roo en Karel Vanhaesebrouck) verscheen in 2011 als achtste deel in de serie ‘Reflect’ bij NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33; www.naipublishers.nl).

Too Active to Act van BAVO (Gideon Boie en Matthias Pauwels) verscheen in 2010 bij Valiz, Gebouw Het Sieraad, Studio K34-K36, Postjesweg 1, 1057 DT Amsterdam (020/676.41.44; www.valiz.nl).