Pieter T'Jonck

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Flitsende gedachten, noest werkende computers

Gesprek met Stéphane Beel over de architect en de computer

Vanaf de jaren 90 werden computers gemeengoed op architectenbureaus. Aanvankelijk verbeterden en versnelden ze vooral de productie van technische beschrijvingen en meetstaten. CAD, ‘Computer Aided Design’, schrikte velen in het begin nog af omwille van de kostprijs, maar die daalde snel toen er steeds meer programma’s op de markt kwamen. Zo kwam het dat op een tijdspanne van minder dan 10 jaar potlood en papier hun eminente belang verloren. Kalk en inkt verdwenen zelfs helemaal van de werktafel van de architect.

Van meet af aan leken zich met de computer ongekende mogelijkheden aan te dienen. Om te beginnen was het vanaf nu gedaan met de papierverspilling: ontwerpen zouden op het scherm ontstaan. Een geprinte versie zou de uitzondering worden. Levensechte simulaties van gebouwen zouden in een handomdraai klaar zijn. Een virtuele wandeling door gebouwen zou zelfs de maquette overbodig maken. Tekeningen zouden automatisch meetstaten en bestekteksten genereren. Varianten van eenzelfde ontwerp konden simultaan ontwikkeld worden, op een manier die nauwelijks bijkomende inspanningen vergde. Bestanden en tekeningen konden vanaf nu ook veel sneller – en zonder kwaliteitsverlies – worden gedeeld. De archivering van documenten zou als het ware vanzelf gebeuren. Gigantische tijdsbesparingen lagen dus in het verschiet.

De tijd die vrijkwam kon aan het creatieve werk besteed worden. Ook in dat opzicht beloofde de computertechnologie gouden bergen: complexe vormen als ellipsoïden of regelvlakken, die je met de hand nauwelijks getekend, laat staan berekend krijgt, konden nu met de hoogst mogelijke precisie worden uitgedacht.

Veel van die beloften heeft de computer ook waargemaakt, al betekent dat niet per se dat hij de bakens van het architecturaal denken heeft verzet, of dat de kwaliteit van het ontwerp erop vooruitging, aldus Stéphane Beel. Hoe ziet hij de verhouding tussen het schetsen met de hand en het werk aan de computer? Wat heeft de computer zijn kantoor bijgebracht of wat is er sinds de computer verloren gegaan? Welke ‘beloftes’ van de computer hebben zich in zijn kantoor ingelost, en wat zijn de gevolgen van de computer voor de archivering van zijn ontwerpen?

 

De schets versus de computer

Pieter T’Jonck: Je begon je carrière in het begin van de jaren 80. In het begin van de jaren 90 had je kantoor al opmerkelijke successen geboekt met een bankkantoor in Brugge en een villa in Zoersel. In die tijd ontstonden ook de plannen voor het BAC gebouw in Brugge en Villa M in Zedelgem. Een eerste grote overzichtstentoonstelling in de Singel stond in de steigers. Computers werden toen echter, ook in jouw kantoor, nog vooral ingezet om bestekken, meetstaten en andere technische documenten te produceren. CAD was er nauwelijks bij. Ongetwijfeld heb je echter nog de periode gekend dat ook dat ‘met de hand’ gebeurde. Was die eerste overgang vanzelfsprekend?

Stéphane Beel: Die evolutie is heel snel, maar merkwaardig genoeg ook quasi terloops gegaan. Toen ik begon als architect, was een lastenboek een soort cadavre exquis. Je knipte stukjes tekst uit oude lastenboeken en plakte die weer aan elkaar. Typografisch leek het vaak nergens op. Er waren echter weinig alternatieven, tenzij je bereid was om voor elk nieuw project een tekst met de lengte van een roman uit te tikken. Een eerste gevoelige verbetering waren de elektrische schrijfmachines met een beperkte geheugencapaciteit. Toen ontdekte ik bij een kennis de eerste Mac’s. Die betekenden een ware revolutie in de productiesnelheid en de kwaliteit van de documenten. Zelfs al stond de informatisering van data over producten en technieken nog in haar kinderschoenen, je kon ook toen al uit allerlei bibliotheken teksten plukken. Zo kon je op korte tijd op maat van een project een precieze en typografisch verzorgde beschrijving realiseren. Als je je inbeeldt hoe architecten dat moesten klaarspelen voor er van computers sprake was, dan is het haast onvoorstelbaar dat ze met die beperkte middelen zoveel voor elkaar kregen.

P.T.: Maar dat heeft met tekenen en representeren van ontwerpen nog niets te maken.

S.B.: Nee, maar onze nieuwsgierigheid was natuurlijk gewekt. We gingen rondneuzen om te zien wat er op de markt was. De doorbraak in de informatisering van het tekenwerk kwam er in ons kantoor rond 1990, toen we plots aan vier wedstrijden [CC Oostkamp, Domburg (NL), de uitbreiding van Swift in Terhulpen en het masterplan voor Hoog-Kortrijk, PT] tegelijk werkten. Die klus hadden we nooit kunnen klaren zonder tekenprogramma’s. In die tijd werden plannen en perspectieven parallel geproduceerd met de hand en via computers. Het leidde in het bureau tot een tweespalt tussen de groep die zwoer bij het ‘handwerk’ en de groep die alle heil in de computer zag. Dat was bijna een gevecht. Ik leerde er wel van hoe je met de computer als ontwerptool kan omgaan.

P.T.: Nochtans tekende je zelf altijd met de hand. En niet weinig ook. Je tekende talloze perspectieven en plannen. Soms ging het om potloodschetsen uit de losse hand. Bij een plotse ingeving haalde je al eens gewoon je vulpen boven. Je aarzelde echter ook niet om een exact meetkundig perspectief uit te werken en zelfs handmatig in te kleuren. Waarom wekte tekenen met de computer dan toch je belangstelling?

S.B.: Precies omdat ik zelf veel tekende, wist ik wat voor een inspanning dat kostte. Als je in tijdnood zit kan je minder tekeningen en dan vooral minder perspectieven maken dan je zou willen, terwijl die wel van uitzonderlijk belang zijn om te controleren of een ontwerp doet wat je beoogt. Daarom leek het mij een grote troef dat de computer op relatief korte tijd wel honderd perspectieven kon genereren. Handmatig was dat ondenkbaar. Dat tekenwerk op de computer deed ik overigens niet zelf en ik teken nog steeds nauwelijks met de computer. Die computertekeningen stelden mij bijna onveranderlijk teleur. Je had plots een karrenvracht perspectieven, en meestal was er niet één spannend. Ik zag al snel in waarom ik dat zo ervoer. Als je met de hand tekent, ga je zeer economisch te werk. Je kiest je standpunt zorgvuldig uit. Je optimaliseert de keuze van de horizon, je vermijdt dat bouwdelen elkaar maskeren, je bepaalt welke doorzichten je zeker in beeld wil krijgen… Daartoe maak je eerst een aantal schetsen waarin je de ruimte exploreert. Het meetkundig exacte perspectief is dan de verificatie van wat je al schetsend op het spoor kwam. Je hebt zo meteen het beeld dat je voor ogen stond.

P.T.: Wat ‘doen’ die beelden dan? Wat is hun belang?

S.B.: Het belang daarvan is groot. Beelden zijn immers geen versiering. Ze dienen om beslissingen te genereren, om het ontwerp voort te stuwen. Zwakke beelden laten dat niet toe. Een goede tekening daarentegen genereert volgens mij nog altijd een goed ontwerp. Paradoxaal genoeg kan een computer dus vertragend werken, als je zomaar wat beelden uit de machine laat rollen. Die ‘automatische’ beelden ontberen dat generatieve vermogen.

P.T.: Begrijp ik hieruit dat voor jou de schets het moment is waarop je een specifieke kijk ontwikkelt op het ontwerp en op de kwesties die daarin aan de orde zijn, en dat het exacte perspectief toelaat om na te gaan of dat ook ervaarbaar zal zijn?

S.B.: Zo kan je dat stellen. Een architect is immers bezig met relaties. Je bepaalt een positie tegenover het programma, de locatie, de tijd, de financiën, en nog veel meer. Dat zijn vaak bijzonder disparate elementen, maar toch construeer je een verband daartussen. Plots vallen die elementen samen in een figuur, een specifieke samenhang. Dat zijn processen in je hoofd die zeer snel verlopen. In je hoofd kan je met wel tien dingen tegelijk bezig zijn. Het is een soort heen en weer ‘flitsen’ tussen ongelijksoortige aspecten. Het is zaak om dat zo snel en zo accuraat mogelijk vast te leggen, want gedachten zijn bijzonder vluchtig. Tekenen met de hand is daarvoor het beste middel, omdat de hand als het ware een verlengstuk is van je hersenen. Al schetsend kan je heel veel op één blad verenigen: plannen, perspectieven, snedes, kleine berekeningen… op het blad worden het allemaal korte notities van wat er zich in je hoofd afspeelt. Die laten je meteen toe om snel na te gaan of je aannames kloppen. Met een muis of een touchpad lukt dat niet. Daarvoor zijn die ‘tools’ gewoon te traag.

P.T.: Een computer is een blok aan het been van de ontwerper!

S.B.: Nee, dat bedoel ik niet. Computers bieden mogelijkheden die niet in het bereik van de tekening liggen. De computer biedt een grote vrijheid. Anderzijds stelt hij beperkingen die de tekening niet kent. Ik zie dat zelfs in de auto-industrie. Je zou verwachten dat het ontwerp er uitsluitend computergestuurd tot stand komt, maar ook daar komen aan het ontwerpproces nog steeds handmatige tekeningen en artists impressions te pas. Computers renderen daarentegen enorm in het geval van repetitieve of complexe berekeningen, in de uitwerking dus van complexe objecten. Je mag er niet aan denken dat je bij grote projecten alle maatlijnen en -berekeningen nog met de hand zou moeten calculeren. Computers verlenen aan de uitwerking van een project een wendbaarheid die bij handmatig tekenen onhaalbaar is.

P.T.: De laatste decennia duiken er inderdaad steeds meer architectuurontwerpen op die zonder computers ondenkbaar waren. Ik denk dan in het bijzonder aan alle architectuur die met complexe regelvlakken en volumes werkt, zoals het oeuvre van Greg Lynn, Zaha Hadid of Frank Gehry. Zo’n ontwerpen uitwerken met de hand zou zo extreem tijdrovend worden dat je voor onoverkomelijke problemen zou komen te staan.

S.B.: Dat is uiteraard zo. De vraag is echter of dat op zich meer kwaliteit genereert. Het is toch niet omdat je iets kan doen dat je het ook moet doen. Je moet je afvragen of de architectuur die je maakt gerechtvaardigd is. Is het bijvoorbeeld een verdienste dat je van een gebouw kan aflezen dat het slechts in het computertijdperk had kunnen ontstaan? Wat uiteindelijk telt in architectuur is de aard van de verhoudingen van ruimtes, op zich en tegenover elkaar, en hun relatie met alle andere aspecten van het programma. Dat vereist een bepaalde gevoeligheid die bijzonder moeilijk te ontwikkelen is. Ik ervaar dat in het onderwijs: het is moeilijk om dat studenten bij te brengen. Het blijkt ook in het professionele leven een zeldzaamheid.

P.T.: In wedstrijdontwerpen maak jij in elk geval erg weinig gebruik van de verbluffende mogelijkheden van computerbeelden. De presentatie van je wedstrijdontwerpen wordt opvallend vaak gedragen door schetsen van jouw hand. Waarom houd je daar zo sterk aan vast?

S.B.: Als je een project aan de opdrachtgever presenteert, heb je toch nog het meest aan een heldere, precieze tekening die je voor zijn ogen neerzet. Je moet al verdraaid handig zijn met programma’s als powerpoint om de gedachtegang op een even directe manier weer te geven, want voor je het weet zit je te shuttelen tussen allerlei bestanden en verlies je de draad van het betoog.

P.T.: Het versterkt natuurlijk ook de magie van de presentatie. Alsof je het ontwerp ter plekke, in een geut van inspiratie, uitvindt.

S.B.: Maar dat zou aanstellerij zijn. Ik hoor wel eens over collega’s die op de werf, voor de ogen van opdrachtgever en aannemer, op een blaadje papier of gewoon op de muur tekenen hoe het moet, alsof het ter plaatse bedacht was. Ik denk dat het in de meeste gevallen slechts om een vertoning gaat die de mythe van het genie van de ontwerper moet illustreren. In werkelijkheid vereist een ontwerp een zeer doordachte uitwerking van de intuïties en inzichten waar het uit voortvloeit. Dat staat in de regel haaks op zo’n spontane gestes. Een schets is echter van groot belang om je bij een uiteenzetting niet te verliezen in de technische complexiteit van een ontwerp, om snel door te stoten naar wat er op het spel staat.

P.T.: Schetsen lijkt mij vooral ook van belang als je met een opdrachtgever zoekt naar de ‘projectdefinitie’ van een ontwerp.

S.B.: Uiteraard. Daar is directe communicatie doorslaggevend. Je kan je niet terugtrekken uit een gesprek om even met je computer aan de slag te gaan. Ik herinner mij dat we bij de startvergadering voor het project voor het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in 2008 aan tafel zaten met een groep van twaalf mensen. Je had de ingenieurs stabiliteit en technieken, enkele mensen van ons kantoor, maar daarnaast ook antropologen, sociologen, medewerkers van het museum, noem maar op. Ze zaten allemaal samen om een idee uit te tekenen over wat dit museum kon worden. We beseften dat het om een beladen onderwerp ging: het gewicht van het museum als instituut, van een complexe geschiedenis, de ervaring van wat aanwezig is… Welke kijk hadden de mensen rond de tafel op wat bestond, waar wilde men naartoe? Dat zijn dingen die je niet in een pc kan stoppen, noch in een powerpointje kan verwerken. Ik heb toen op 30 seconden een eerste schets gemaakt van wat ik voor ogen had. Daar confronteerde ik de aanwezigen mee. ‘Wat denk je daarvan? Hoe reageer je daarop?’ De reacties van de aanwezigen inspireerden mij tot nieuwe schetsen, die op hun beurt nieuwe reacties uitlokten. Het was een intens interactief gebeuren. Na vier uur vergaderen was ik ongelooflijk opgeladen door wat er allemaal aan bod gekomen was. We hadden een invalshoek op het programma ontwikkeld die richtinggevend werd voor het verdere ontwerpproces. Met computerbeelden kom je daar gewoon niet aan toe. Dat is te omslachtig. Maar uiteraard gingen we daarna quasi meteen aan de slag met die computer om het ontwerp nader uit te werken. Dat was een snel en voorspoedig huwelijk tussen de tekening en de computer. De computer is een fantastische ‘tool’ als je hem maar intelligent hanteert.

 

De werkvormen op kantoor

P.T.: Een van de grote beloftes van het computertijdperk was de ‘paperless office’. Is dat in jouw ervaring bewaarheid geworden?

S.B.: Het omgekeerde is het geval. Er wordt veel meer papier verbruikt dan tevoren. Computers verleiden hun gebruikers er immers toe om zeer snel zeer veel data aan te maken. Maar net die vanzelfsprekendheid leidt ook te vaak tot tekeningen die niet scherp staan, die beslissingen uitstellen in plaats van ze te genereren. Met als gevolg dat er veel geprint wordt om het materiaal te bespreken, waarna er nog meer nieuw materiaal volgt enzovoort.

P.T.: Een andere belofte van de computer is dat de communicatie met de buitenwereld vlotter en transparanter zou verlopen. Ervaar jij dat ook zo?

S.B.: In praktische werksituaties heeft de snelheid en de kwaliteit van het delen en verwerken van data zeker een enorme sprong voorwaarts gemaakt. We printen nu bijvoorbeeld werfverslagen op de werf zelf. Tekeningen kunnen op zeer eenvoudige manier gedeeld worden, zonder dat je zelfs maar van je stoel moet komen. Dat zijn onschatbare voordelen. Wij zouden nooit het werkvolume aankunnen dat we nu halen zonder die middelen.

P.T.: Wat was in het algemeen de impact van het computertekenen op de werkvormen in jouw kantoor?

S.B.: In mijn kantoor zijn er geen tekenaars, enkel architecten. Ontwerpers dus. Dat houdt in dat iedereen altijd met alle aspecten van een ontwerp begaan is. Natuurlijk is de ene meer bedreven in een bepaald aspect van het ontwerpen dan de andere. Sommige mensen kunnen op korte tijd een verkoopstekening maken, terwijl anderen zeer efficiënt zijn in het uitwerken van details of het maken van maquettes. Zo ontstaat als vanzelf een taakverdeling, maar dat was in de tijd voor de computer niet anders. Ik streef er echter naar om mensen van het begin tot het einde aan een project te laten werken. Dat creëert een mentale verbondenheid. Mensen identificeren zich ermee. Dat is cruciaal, omdat de mentale verbondenheid met projecten sowieso steeds dunner wordt. Mogelijk is er een oorzakelijk verband met de opkomst van de computer, maar het heeft zeker ook te maken met de groeiende tendens om te shoppen: men probeert eens dit systeem, dan weer dat, men gaat eens hier werken, dan weer daar. Als je mensen als tekenaar terugdringt in één specifieke rol, wordt die tendens alleen maar sterker. Daarom wil ik dat mijn medewerkers allround zijn. Het laat hen toe om zich een denkwijze en een project eigen te maken. Zo kennen we ook veel minder verloop op ons kantoor dan elders.

P.T.: Je schetst nu een strategie om je kantoor te organiseren en je medewerkers bij het werk te betrekken. Maar computers blijken net op dat punt specifieke effecten te sorteren die tegen deze ‘allround’-organisatie ingaan. Die laatste veronderstelt bijna dat de ontwikkeling van projecten en de uitwisseling van kennis rond de tekentafel plaatsvindt. Een tekenscherm creëert echter als het ware een private ruimte, die niet uitnodigt tot dialoog. Als je rond een tekening staat kan iedereen iets aanstippen. Bij een scherm is het degene die het klavier bedient die bepaalt wat wel en niet te zien is. Het gesprek tussen medewerkers verstomt zo letterlijk. Het moet voor jou ook moeilijker zijn om het overzicht over de stortvloed aan documenten te bewaren. Ga je daar tegenin of beschouw je dat als een onvermijdelijkheid?

S.B.: Je beschrijft een reële impact van computers op de werksfeer. Ik stel keer op keer vast dat de machine medewerkers ertoe verleidt om quasi op automatische piloot projecten uit te werken. Ze kunnen bijvoorbeeld ontzettend lang doorgaan op een idee waarvan je van meet af aan had kunnen weten dat het een doodgeboren kind was. Vaak volstaat een simpele berekening om te weten dat een bepaalde werkwijze of strategie tot niets leidt. Het maakt mij soms bijzonder ongeduldig, zelfs kwaad. Ik vergelijk het met breien: gedachteloos voortborduren op een motief zonder de geldigheid of minstens de plausibiliteit ervan vooraf te onderzoeken. Ik weiger om dat als een onvermijdelijkheid te beschouwen. Voor elk project organiseer ik op gezette tijdstippen een vergadering met iedereen die erbij betrokken is om na te gaan op welke manier er een antwoord gezocht en geboden wordt op de vragen die het ontwerp oproept. Dat kan zeer confronterend zijn, vooral als ik merk dat men aan het ‘breien’ is. Af en toe houden we ook zo’n vergadering met alle medewerkers samen.

P.T.: Ik kan me ook voorstellen dat het tekenen met de computer in een kantoor met veel medewerkers tot standaardisering dwingt. Een computer laat immers zoveel manieren toe om een tekening te organiseren en grafisch te modelleren dat ze een bedreiging kan vormen voor de communicatie binnen het bureau. Stel je voor dat iedereen er zijn systeempje op nahield. Dat zou de tijdswinst van computers tenietdoen. Tegelijk is dat een erg moeilijke kwestie, omdat ze een uiterste discipline vraagt.

S.B.: Het uniform maken van bestanden en tekenstijlen is een voortdurende zorg. Nu zijn we bezig met de productie van een boek over recente projecten. In dat geval hebben we een specifieke representatiewijze voor alle plandocumenten vastgelegd. Dat komt de rust en de helderheid van het boek ten goede. Maar ook het gewone tekenwerk vereist dat je een duidelijke richtlijn opstelt waar iedereen zich aan houdt. Dat gebeurt, maar het gebeurt ook weer niet. Er is altijd wel een of andere reden waarom een medewerker dat uniforme ontvlucht en zijn individuele vrijheid claimt. Dat volgt uit het feit dat elk ontwerp nu eenmaal om zijn specifieke aanpak en manier van detailleren vraagt. Plots kan dan blijken dat de courante tekenwijze niet aangepast is aan wat iemand nastreeft of wil verhelderen.

P.T.: Dat begrijp ik niet helemaal. Het komt mij voor dat details net de neerslag zijn van de kennis die een kantoor opgebouwd heeft rond bepaalde bouwkundige vraagstukken, en dat je die op een weliswaar moduleerbare wijze ‘deelbaar’ maakt. Ik begrijp dat daar een evolutie in kan plaatsvinden, die ook noopt tot nieuwe presentatiewijzen, maar ook dan moet je die toch weer tot een soort uitwisselbare bron van kennis kunnen ombouwen? Anders vindt elke medewerker steeds weer het warm water uit…

S.B.: Dat is het probleem met bibliotheken van ontwerpdetails. Ze worden wel gebruikt, maar niet altijd op de juiste manier. Een detail is de finale uitkomst van een denkproces over de expressie of de toepassing van materialen en technieken. Maar als je dat denkproces niet beheerst, weet je ook niet hoe je het kan vertalen naar andere situaties en opgaven. Daarin ligt ook het belang van het gesprek over projecten. Bovendien is het ook niet wenselijk dat dezelfde details steeds weer opduiken, precies omwille van de eigen logica van elk project. Uiteindelijk is het ook hier weer zo dat de intelligentie van de persoon die de computer bedient, bepalend is voor het rendement. Pas dan wordt de enorme potentialiteit van de computer een reëel voordeel.

 

De archivering van het ontwerp

P.T.: Dit brengt ons bij een meer algemene kwestie, die je overigens al aanhaalde toen je sprak over het boek dat jullie maken. Het archiveren van projecten lijkt mij sinds de opkomst van de computer veel complexer geworden. Zoals je al aangaf zijn er immers (heel) veel versies van één project in omloop, en worden ze allemaal opgeslagen. Vroeger bleef het aantal kalken en tekeningen van een project noodgedwongen beperkt. Vandaag is het vaak moeilijker om achteraf na te gaan waar de belangrijke beslissingen gevallen zijn. Soms weet je door de talloze alternatieve versies nog nauwelijks hoe de uiteindelijke versie eruitzag. Hoe maak je zo’n archief dan toegankelijk?

S.B.: Het boek confronteert ons inderdaad met de problematiek van het archiveren. Het is een taak die op het einde van elk project zou moeten gebeuren om documenten voor de toekomst consulteerbaar te houden. Ook dat is weer een reden om mensen van a tot z aan één project te laten werken. Ik merk dat we er niet altijd in slagen om die archivering naar behoren af te ronden. In het verleden, voor het gebruik van computertekeningen, stelde dat echter nog grotere problemen. Als je werkte op kalk, dan krabde je stukken weg – al liet dat soms gaatjes na in het blad – om de tekening te updaten naar de laatste inzichten. Maar zo vernietigde je in zekere zin ook wat voorafging. Evidenter was archiveren toen zeker niet. De vraag drong zich echter niet zo op, omdat de materiële bronnen als het ware ondubbelzinnig dat ene ontwerp, in zijn finale versie, weerspiegelden. Wel is het zo dat je een scherper beeld bewaart van dergelijke tekeningen. Je bent zelf een soort levend archief. Dat is veel minder het geval als je een tekening wegschrijft naar een server die zich weet ik waar op de wereld bevindt. De tekeningen zijn lijfelijk opgeslagen.

P.T.: Om Jean-Luc Godard te parafraseren: tekeningen produceren herinneringen, computers geheugenverlies.

S.B.: Bij tekeningen is er een rechtstreeks contact tussen je hersens, je hand en je zintuigen. Maar die laatste zijn niet zo flexibel als je hersens. Hersens kunnen bijvoorbeeld 360° rondkijken, je ogen kunnen dat niet. Je hersens kunnen in alle dimensies en in de tijd vooruit en achteruit gaan, zonder enige moeite. Maar de snelheid waarmee je tekent heb je wel in de hand. Je kijkt naar een compositie terwijl je tekent, net zolang als je jezelf wil toestaan. Je bekijkt ook iedere keer alles. Wat je tekent is communiceerbaar voor jezelf, en dus ook voor anderen, of dat nu klanten, medestanders of tegenstrevers zijn. Mensen van deze generatie kennen dat middel niet zo goed. Ze zijn onmiddellijk met computers als ontwerp- en communicatiemiddel begonnen. Wellicht werkt dat ook, maar mij lijkt het interessant om over beide middelen te beschikken. Tekenen maximaliseert je autonomie. Je kan het uiteindelijk op een bierviltje, of zo nodig in het zand doen. Het werkt altijd.