Koen Brams, Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Interview met Pol Hoste over IJsbreker 20: Computerkunst

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: Op het moment dat aflevering 20 van IJsbreker wordt uitgezonden, fungeerde jij reeds geruime tijd – met name sinds aflevering 4: Kunst te koop – als de onzichtbare ‘stem’ van het programma. Jij verzorgde ook inleidende bindteksten en persberichten. Daarnaast was jij samen met Marianne Van Kerkhoven verantwoordelijk voor de inhoudelijke voorbereiding van de uitzendingen. Wat hield die voorbereiding precies in? Bepaalden jullie bijvoorbeeld het thema van de uitzending?

Pol Hoste: Nee, het thema werd vrijwel steeds door Jef Cornelis of door de andere realisators voorgesteld. Mijn taak bestond erin invalshoeken te bedenken van waaruit de problematiek kon worden benaderd. Ik ging ook op het terrein kijken wie er met het onderwerp bezig was. Eens de deelnemers aan het programma vastgelegd waren, bezocht ik samen met Jef de locaties. Ik overliep met de deelnemers welke thema’s aan bod zouden komen en bereidde hen op de uitzending voor.

K.B./D.P.: Wat deed Marianne Van Kerkhoven?

P.H.: Zij verzamelde voornamelijk documentatie. Zij verrichtte opzoekingswerk in de rijk gestoffeerde knipseldienst van de VRT en ging naar bibliotheken. Soms gebeurde het dat wij samen een organisatie bezochten. Voor de aflevering over dans zijn we bijvoorbeeld samen naar het Ballet van Vlaanderen getrokken. Maar het veldwerk was in de eerste plaats mijn verantwoordelijkheid.

K.B./D.P.: Hoe ging jij daarbij te werk?

P.H.: Voor de negende aflevering over dans ben ik simpelweg van de telefoongids vertrokken. Ik zocht in De Gele Gids op wie er met dans bezig was in Vlaanderen: dansgezelschappen, volksdansgroepen, dansscholen, noem maar op. Ook de 15de aflevering is me steeds bijgebleven, over goochelen en parapsychologie: ik heb toen tientallen goochelaars verspreid over heel Vlaanderen opgezocht.

K.B./D.P.: Hoe werden de kandidaten geselecteerd?

P.H.: Eerst maakte ik een ruime voorselectie die op de redactievergadering besproken werd. De overgebleven personen en organisaties zocht ik op. Ik bekeek wat ze te bieden hadden en op basis van mijn bevindingen werd de lijst verder uitgedund tijdens een tweede redactievergadering. Wie dan nog overbleef, werd door Jef persoonlijk gecontacteerd voor een gesprek. Jef had dus altijd het laatste woord.

K.B./D.P.: Daarnaast opereerde jij als de ‘stem’ die alles aan elkaar praatte. Volgens Jef schreef jij je bindteksten altijd volledig uit.

P.H.: Jef was daar erg tevreden over. Hij vond dat ik uitstekende bindteksten en persberichten maakte. Volgens hem zou ik een uitstekende kabinetschef zijn geweest.

K.B./D.P.: In de uitzending over computerkunst zijn informaticaspecialist Luc Steels en componist Dick Raaijmakers te gast in de videoroom te Brussel.

P.H.: Jef wist dat Steels met artificiële intelligentie bezig was. Ik kende Steels niet voor de uitzending eraan kwam.

K.B./D.P.: De gasten op de locaties zijn Peter Struycken, in het Groninger Museum, en het duo Peter Beyls en Rudi Blondia, in de woning van Beyls te Gent.

P.H.: Ook met hen heb ik pas naar aanleiding van de uitzending kennisgemaakt. Ik vermoed dus dat mijn werk als terreinverkenner in dit geval beperkt was. Jef zal hen vermoedelijk voorgesteld hebben.

K.B./D.P.: In het archief van de VRT bevindt zich een document waaruit blijkt dat het de bedoeling was om Hugo Brandt Corstius te benaderen.

P.H.: Brandt Corstius is een computertaalkundige. Allicht wilde Jef hem in de uitzending hebben omdat hij over de taligheid van de computerkunst kon reflecteren. Brandt Corstius gold als een moeilijke jongen.

K.B./D.P.: Weet je waarom hij geweigerd heeft?

P.H.: Omdat hij geen hoge dunk had van de expertise die in Vlaanderen voorhanden was? De ware reden zal hij aan Jef hebben meegedeeld. De gesprekken over effectieve deelname aan het programma werden altijd door hem gevoerd.

 

2.

K.B./D.P.: Wie was met het thema computerkunst op de proppen gekomen?

P.H.: Zoals ik zei werd het thema vrijwel steeds door Jef voorgesteld. Dat was ook nu het geval. Voor Jef lag zo’n thema nogal voor de hand.

K.B./D.P.: Waarom?

P.H.: Jef is altijd gefascineerd geweest door de materialiteit van de productiemiddelen. Hij wil weten hoe iets geproduceerd wordt. Hij is geïnteresseerd in de apparatuur. Hij kende iedereen die zich met technische kwesties bezighield op de VRT en stelde hen allerlei vragen over techniek. Ik heb altijd gevonden dat het werk van Jef Cornelis heel dicht bij een materialistische kunstopvatting staat.

K.B./D.P.: Wat bedoel je daar precies mee?

P.H.: Ik doel op de idee dat kunst begint met het oneigenlijk gebruik van materiaal. Verf is in oorsprong niet ontwikkeld om schilderijen mee te maken. IJsbreker is wat dat betreft exemplarisch. De straalverbindingen die in IJsbreker worden aangewend zijn niet voor dergelijke doeleinden bestemd. In De langste dag (1986), over de Gentse kunstzomer van 1986, zette Cornelis zelfs de motards en helikopters in die voor wielerwedstrijden worden gebruikt: middelen die de sportredactie al op een tegendraadse wijze aanwendde – helikopters dienen immers evenmin om de Ronde van Frankrijk te verslaan – gebruikte hij om een cultureel programma te maken. Het thema computerkunst sluit perfect aan bij die belangstelling voor de onvoorziene gebruiksmogelijkheden van technologische innovaties voor artistieke ontwikkelingen. Ook computers zijn immers niet bedacht om kunst mee te maken. Daarnaast sloot het thema computerkunst aan bij een discussie die binnen de VRT aan de gang was over allerlei nieuwe media. Zo herinner ik me dat de aanschaf van een digitale paint box werd overwogen. Het was ook de tijd waarin heel wat goedkopere opnameapparatuur op de markt kwam – ook dat vormde een gespreksonderwerp in de openbare omroep.

K.B./D.P.: Herinner jij je nog wat het thema computerkunst bij jou opriep toen Jef het ter tafel bracht?

P.H.: Mijn persoonlijke belangstelling ging vooral uit naar mijn eigen ervaring met allerlei media, van potlood tot computer. Ik had net twee jaar computerbrochures voor IBM vertaald. Aanvankelijk ging ik die vertalingen intikken op een computer in het kantoor van IBM aan de Kruidtuinlaan te Brussel. Een fascinerend apparaat: om ermee te werken moest je plaatsnemen in een zitmeubel dat het midden hield tussen een gynaecologische stoel en een zitplaats in een ruimtecapsule. Na een tijdje stelde André Hebbelinck, die bij IBM werkte, voor om de vertalingen in te tikken op een computer die bij mij thuis werd geïnstalleerd. In mijn vrije tijd mocht ik die computer gebruiken voor mijn literaire werk. Dat was mijn kennismaking met de computer, die ik overigens louter als schrijfmachine gebruikte. Ik herinner me wel dat ik toen reeds verbaasd was over de omwenteling die de computer teweegbracht. Zelf behoor ik tot een generatie van mensen die gewoon is eerst een doel te bepalen en dan de geëigende middelen te kiezen. Die verhouding tussen middel en doel werd door de computer op zijn kop gezet. De computer beloofde talloze gebruiksmogelijkheden, maar je had nauwelijks nog zicht op wat je er allemaal mee kon doen.

K.B./D.P.: Het is opvallend dat in deze IJsbreker slechts twee kunstvormen aan bod komen: beeldende kunst en muziek, waarbij Peter Beyls en Rudi Blondia met beide disciplines bezig zijn. Jij was nochtans goed geplaatst om kandidaten uit de literaire hoek te suggereren. Je had bijvoorbeeld iemand kunnen voorstellen als Gerrit Krol, de Nederlandse auteur die met computerpoëzie experimenteerde.

P.H.: Naar aanleiding van jullie vraag heb ik in mijn archief een lijst met te contacteren personen opgeduikeld waarop de naam van Gerrit Krol voorkomt. Maar ik herinner me niet dat ik Krol ter sprake heb gebracht.

K.B./D.P.: Waarom heb je dat niet gedaan?

P.H.: Ik stelde me dienstbaar op. Ik dacht nooit aan wat ik zelf interessant zou vinden. Ik probeerde als schrijver geen namen voor te stellen die mij literair van belang leken, maar mensen die voor Jef relevant konden zijn om een televisieprogramma als IJsbreker te maken.

K.B./D.P.: Heb jij los van jouw terughoudendheid een verklaring waarom er is gekozen om slechts twee kunstvormen aan bod te brengen in de uitzending?

P.H.: Ik vermoed dat de afwezigheid van schrijvers alvast met Jefs sceptische houding ten aanzien van de literatuur te maken heeft.

K.B./D.P.: Sceptisch? Jef had voorafgaand aan IJsbreker verschillende literatuurfilms gemaakt, films over Oscar de Wit, Maurice Gilliams, Daniël Robberechts, Jacq Vogelaar en H.C. ten Berghe.

P.H.: Ik heb die films nooit kunnen plaatsen. Ik heb altijd de indruk gehad dat Jef meer geïnteresseerd was in de manische volharding van die schrijvers dan in hun literaire werk. Hij zei: ‘Robberechts wordt niet gelezen en toch blijft hij maar doorgaan.’ Die pathologische koppigheid fascineerde hem.

 

3.

K.B./D.P.: In het archief vonden we een voorbereidende tekst van jouw hand waarin heel wat prikkelende vragen met betrekking tot computerkunst worden opgeworpen. Een voorbeeld: ‘Betekent de inschakeling van de machine de uitschakeling van de kunstenaar?’ Of wat verderop: ‘In welke mate is de inschakeling van de machine het resultaat van een Geloof in het Systeem?’ Vreemd genoeg wordt geen enkele van die kwesties tijdens de uitzending aan bod gebracht.

P.H.: Marianne Van Kerkhoven was telkens weer ontgoocheld als bleek dat de talrijke kwesties die zij belangrijk achtte niet aan bod kwamen in de uitzending. Ik vond dat normaal.

K.B./D.P.: Het frustreerde jou niet?

P.H.: Natuurlijk niet. De bedoeling van IJsbreker was juist om het gesprek zijn gang te laten gaan. De regel was om níet bij te sturen. Als ‘stem’ moest ik enkel de knikker in beweging brengen – ik moest ervoor zorgen dat het gesprek begon te lopen. Ingrijpen was slechts in het uiterste geval aangewezen, bijvoorbeeld wanneer de uitzending stil zou vallen. Ik geloof overigens niet dat dat ooit gebeurd is. Het was in de eerste plaats de bedoeling dat het televisiebeeld als zodanig zou spreken. Wat de deelnemers zeiden, moest de beeldtaal op de verschillende locaties op gang brengen.

K.B./D.P.: Vreemd genoeg duurt het in de aflevering over computerkunst bijzonder lang voor die ‘knikker’ echt in beweging raakt. Eerst houden Steels en Raaijmakers een lange inleiding van ongeveer tien minuten. Dan houdt Struycken in het Groninger Museum een inleidend praatje bij zijn werk en daarna – we zijn dan reeds 26 minuten ver – komen Peter Beyls en Rudi Blondia aan het woord. Alle sprekers worden door jou ingeleid, waarbij jij je scrupuleus houdt aan het door jou voorbereide script. Pas na de toelichting van Rudi Blondia heb jij dat scenario afgewerkt en kan de knikker beginnen rollen. Heb jij een verklaring voor het feit dat het zo lang duurde voor de interactie tussen de locaties op gang kwam?

P.H.: Een begin van een verklaring schuilt wellicht in het feit dat dit een van de laatste afleveringen van IJsbreker was. Naar het einde nam het gemor over de vermeende ‘onverstaanbaarheid’ van de uitzendingen toe. De kritiek kwam vooral uit de hoek van diegenen die de klassieke opdracht van de openbare omroep hoog in het vaandel voerden: informatie, ontspanning en – vooral – educatie. ‘Gaan onze kijkers dat wel verstaan?’, dat was hun grootste zorg.

K.B./D.P.: Misschien wordt er in deze aflevering zo veel ‘lesgegeven’ omdat jullie het over een nieuw en onbekend medium hadden?

P.H.: Dat zou kunnen, maar ik hecht meer geloof aan de verklaring die ik zonet heb gegeven.

K.B./D.P.: Daarnaast lijken de eerste 26 minuten van begin tot einde gerepeteerd.

P.H.: Is dat zo? Dat zou me verwonderen.

K.B./D.P.: Een illustratie daarvan vormt de volgende scène in Groningen. Struycken wil een uitleg geven bij een schilderij en zegt dat hij potlood en papier nodig heeft. Hij wandelt een eindje door het museum en komt als bij toeval uit bij een pupiter waarop papier en potlood klaarliggen. Het kan niet anders of die pupiter is daar neergezet. De hele scène is tot in de puntjes bedacht.

P.H.: De locaties werden natuurlijk voorbereid op de risico’s van de live-uitzending. Ook dat was een van mijn taken: ik coachte de deelnemers, ik bereidde hen voor op het moment dat ze in de ether kwamen. Ik vond het belangrijk om hen niet aan hun lot over te laten.

K.B./D.P.: Dat verklaart evenwel nog niet het gerepeteerde karakter van het overgrote deel van deze uitzending…

P.H.: Wellicht had de opnameleider op locatie zijn eigen scenario bedacht? Dat gebeurde namelijk wel eens. Daarnaast kwam het voor dat een gast verzocht om een bepaald script te volgen… door de eigengereidheid van de personen op de locaties bleef er soms nauwelijks iets over van de spontaneïteit die door IJsbreker beoogd werd.

K.B./D.P.: Terwijl jij je meticuleus aan het script houdt, neemt Steels de rol van moderator over. Heb jij dat ook zo ervaren, dat hij jouw rol overnam?

P.H.: Ik herinner mij dat niet. Voor mij was het in elk geval geen probleem als iemand in de uitzending de rol van moderator op zich nam. Ik zag mezelf ook niet als moderator. Zoals gezegd: Ik was slechts het apparaatje dat de knikker in beweging bracht.

K.B./D.P.: Steels vervult die rol van moderator uitstekend. Hij stelt voortdurend relevante, en doorgaans ook kritische vragen aan Struycken en Beyls.

P.H.: Wat ik me van de voorbereidende gesprekken met Steels herinner, is dat hij weinig kaas gegeten had van cognitieve psychologie. Dat kan pretentieus klinken, maar die indruk had ik toen.

K.B./D.P.: Wat vond je van de andere deelnemers, Beyls in Gent en Struycken in Groningen?

P.H.: Ik vond het interessant om hun visie te beluisteren. Het was mijn eerste kennismaking met beeldende kunstenaars die van computers gebruikmaakten. Struycken had een veeleer rationele houding, die ik met de Noord-Nederlandse nuchterheid associeer. Hij had de neiging om de output van de machine te controleren. Beyls was veel bezetener. Hij liet de machine meer toe in zijn werk. Hij was nieuwsgierig naar wat de machine hem te bieden had.

K.B./D.P.: Laat ons het nog even hebben over jouw rol als ‘moderator’ in IJsbreker. Bijzonder is dat de ‘stem’ onzichtbaar is.

P.H.: Dat lag mij uitstekend. Ik ben opgevoed om onzichtbaar te zijn, om als het ware niet te bestaan. Dat is me later duidelijk geworden…

K.B./D.P.: Juist die onzichtbaarheid maakt de stem enorm aanwezig.

P.H.: Absoluut. Men stoorde zich daar verschrikkelijk aan. Jackie Claeys en Dirk Christiaens wilden dat ik als ankerman in de videoroom zou postvatten. Ze zeiden: waarom breng je Pol niet in beeld? Af en toe kregen we zelfs een brief van iemand die wilde weten wie de man achter die stem was. Het is not done om de moderator van een televisieprogramma buiten beeld te houden. In televisie geldt een ongeschreven regel die zegt dat wie spreekt altijd ook in beeld komt.

K.B./D.P.: Door van die regel af te wijken, wordt als het ware een radio-element in het medium televisie binnengebracht.

P.H.: Dat kan je zo zeggen. Je kan radio in televisie binnenbrengen. Het omgekeerde is evenwel onmogelijk. Wat ik belangrijk vind aan IJsbreker is de idee dat het discours door het beeld wordt overgedragen.

K.B./D.P.: Kan je dat uitleggen?

P.H.: Op sommige momenten – misschien waren die te zeldzaam – werd de betekenis in IJsbreker rechtstreeks door het beeld of door de opeenvolging van de beelden overgedragen. De gedachte om het literaire, tekstgebondene te verlaten en televisie als een zuiver beeldmatig discours te ontwikkelen vind ik zeer vernieuwend. Een ander inzicht dat IJsbreker mij bijbracht, is dat techniek bepalend is voor wat je kan doen. Als je vandaag naar een voetbalwedstrijd kijkt, krijg je vaak eerder een lyrische verbeelding dan een feitelijk verslag van die wedstrijd voorgeschoteld. Hoe komt dat? Omdat de cameraploeg zo gebeten is door de sport dat zij die ene geniale actie vanuit alle hoeken en kanten van het veld wil laten zien. Jefs meesterzet was om die technici en technische middelen in te zetten om een cultuurprogramma te maken. Hoe kan je die geavanceerde middelen inzetten om een cultuurprogramma te maken? Dat soort vragen hield hem bezig. Het leverde televisie op die fel afsteekt tegen de doorgaans armtierige televisieprogramma’s van vandaag. Vaak is televisie vandaag niet meer dan het aanzetten van een camera. Het medium biedt amper meer dan de registraties door bewakingscamera’s. Ik zou daarom geen ogenblik twijfelen mocht ik opnieuw gevraagd worden om voor een programma als IJsbreker te werken.

 

Transcriptie: Klaar Leroy

Redactie: Dirk Pültau