Pol Hoste

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Thema’s

De vraag of computers kunnen denken is waarschijnlijk al even moeilijk te beantwoorden als de vraag of mensen kunnen denken. Maar als computers modellen van menselijk denken systematiseren, in welke mate zijn ze dan te beschouwen als bruikbaar hulpmiddel en in welke mate dienen ze dan te worden benaderd als op zichzelf functionerende automaten?

Machines kunnen terminologieën als formele symbolensystemen waarschijnlijk vrij ondubbelzinnig definiëren en formaliseren, maar wellicht zijn ze niet in staat terminologische discussies (bijvoorbeeld over de vraag: wat is creativiteit?) uit te sluiten. (Die IJsbreker kan nog een geleerd programma worden.) Maar als een computer iets als creatief denken in mechanische modellen kan vertalen, in welke mate is hij dan in staat de kunstenaar een inzicht te geven in zijn artistieke activiteit? (En waar is dat goed voor?)

In welke mate leggen de beperkingen van de machine als een eindig systeem (met een oneindig aantal mogelijkheden?) beperkingen op aan de permanente zijsprongen van menselijke activiteit (i.c. die van een grafisch kunstenaar)? Is ‘inspiratie’ een fictie omdat ze tot hiertoe nog niet volledig werd geïnventariseerd?

Betekent de inschakeling van de machine de uitschakeling van de kunstenaar? En zo niet. Welke verhouding kan een kunstenaar met zijn machine uitbouwen? Laat hij de machine binnen in de verhouding tussen hem en zijn werk (driehoeksverhouding)? Levert hij zichzelf uit aan de creatieve (?) mogelijkheden van de machine? Bouwt hij met de machine als ‘interactieve partner’ een relatie op waarbij zijn werk als ‘output’ van deze relatie een secundair karakter krijgt? Is kunst zonder kunstwerken eindelijk (!) niet meer denkbeeldig?

Geeft de machine een aparte sociale (en dus artistieke?) status aan de kunstenaar binnen een hoogtechnologische samenleving? Is computerkunst marginaal, elitair of allebei?

In welke mate is de inschakeling van een machine in een creatief productieproces een reductie van de realiteit tot kwantificeerbare eenheden, tot analyseerbare gegevens, zodat al van bij het begin de artistieke productie wordt gestroomlijnd? In welke mate is de inschakeling van de machine het resultaat van een Geloof in het Systeem? (De computer als verlichte despoot?)

Emotie en intuïtie worden binnen het natuurlijke taalgebruik slechts zelden geassocieerd met mathematische – of logische modellen. In welke mate is computerkunst in staat deze misvatting te nuanceren? Of heeft ze hoofdzakelijk met dit vooroordeel af te rekenen? Hoe intuïtief ‘converseert’ een graficus met zijn machine?

Bevat het resultaat van computerkunst een dimensie meer omdat de (unieke) bouw en de taal van de machine ook deel uitmaakt van het kunstwerk? Welk deel? (Is mislukken toelaatbaar?) En welke invloed heeft dit bijvoorbeeld op de idealistische opvattingen over esthetiek?

Computerkunst laat het ‘talig’ karakter van een kunstwerk zien. Wat nog meer? En impliceert dit meta-karakter geen soort ongenietbaar (?) intellectualisme?

De markt wordt op dit ogenblik overspoeld met machientjes maar democratiseert de computer het kunstgebeuren? Of blijft onze cultuur antitechnologisch?

Verstoort de computergrafiek bijvoorbeeld bepaalde marktmechanismen in de culturele business of is het een geslaagde combinatie van artistieke – en mercantiele inventiviteit? Het programma is uniek maar de reproductie niet. Is er nog wel een origineel? Het programma is origineel maar de kunstenaar niet? Maar hoe dan ook: het werk blijft aan de wand, als vierkant of rechthoek en liefst niet té groot a.u.b. Of waardoor het eindig systeem met de oneindige mogelijkheden wordt afgesneden.

Is computerkunst een voorbijgaand modeverschijnsel of een wezenlijk historisch moment van een natuurlijke (?) ontwikkeling?