Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Anthony Vidler en/of Pier Vittorio Aureli.

In zijn nieuwe essaybundel The Scenes of the Street and Other Essays is architectuurtheoreticus Anthony Vidler (1941) strijdvaardig: hij wil zich blijven verzetten, zo schrijft hij in de inleiding, tegen de ‘aanhoudende pogingen om het debat over de moderne architectuur te scheiden van dat over de moderne stedenbouw’. De architect moet het ontwerp van het publieke domein naar zich toe blijven trekken, en mag zich niet beperken tot het oprichten van alleenstaande gebouwen in ‘a sea of urban blight’. De essays in The Scenes of the Street zijn geschreven tussen 1965 en 2009, en gaan over historische momenten in de strijd van de architect om de beheersing van de stedelijke ruimte. Parijs speelt de hoofdrol, samen met teksten en ontwerpen van Franse architecten als Ledoux, Boullée, Haussmann, Garnier en Le Corbusier, die stuk voor stuk architectuur als onderdeel van een ontwerp of van een project voor de stad hebben beschouwd. Voor Vidler valt het begin van de moderne architectuur dan ook samen met de Franse Revolutie: aan het eind van de 18de eeuw is architectuur in een sociologische context aanbeland die sindsdien niet is veranderd. De beheersing van de ruimte heeft zich losgemaakt van Kerk en Staat, en moet zich keer op keer zelf bewijzen. De grote vijanden zijn nu de Industrie, het Kapitaal en – meer abstract (en met Foucault, die Vidler geregeld citeert) – de Macht, die ook het stads- en architectuurontwerp dreigen te hanteren als een middel om de mens in de pas te laten lopen.

De architectuur waarnaar Vidler herhaaldelijk verwijst om deze conditie te illustreren, is die van de Koninklijke zoutziederij van Arc-et-Senans, eind 18de eeuw door Claude-Nicolas Ledoux gebouwd in opdracht van Lodewijk XVI. Ook in eerdere publicaties, zoals in zijn klassieke The Writing of the Walls. Architectural Theory in the Late Enlightenment uit 1987, heeft Vidler het werk van Ledoux intensief bestudeerd. Het is duidelijk wat hem in de zoutziederij en de bijhorende arbeiderswijk fascineert: hier wordt evenzeer macht uitgeoefend over het subject, maar de architectuur maakt het verschil door die situatie op een zowel esthetische als autonome manier zichtbaar te maken. In Arc-et-Senans, zo schrijft Vidler, heeft Ledoux niet op een panoptische maar op een theatrale manier de machtsstructuren georganiseerd – en het industriële complex is geen ‘kooi die langs alle kanten open is’ (zoals Foucault het schreef), maar een humane architectuur die de mens op een speelse en visuele manier wil begeleiden in wat onvermijdelijk is. Die interpretatie van Vidler kan uitgebreid worden naar zijn denken over de stad: de architect moet er niet voor terugdeinzen om op grote schaal het stedelijk leven vorm te geven. De stad heeft grootschalige architectuurontwerpen nog altijd nodig om aan abstracte schema’s te ontsnappen, door middel van zichten, relaties, vormen, allusies, symbolen en sublieme ruimtelijke ervaringen.

Het is aantrekkelijk om deze positie lijnrecht tegenover die van Pier Vittorio Aureli (1973) te zetten, een jongere architectuurtheoreticus die recent het boek The Possibility of an Absolute Architecture publiceerde. Zoals de titel al aangeeft is Aureli een koele minnaar van het stadsontwerp. Hij onderschrijft voluit het belang van het singuliere architectuurproject dat zich afzijdig tegenover de bestaande stad positioneert. Voor Aureli is de ongebreidelde verstedelijking – of die nu bewust door architecten ontworpen is of als het ware vanzelf tot stand komt – onlosmakelijk verbonden met een ongecontroleerd kapitalisme, precies omdat elk onderscheid verloren gaat, en omdat alles in het teken komt te staan van een altijd eendere, soms saaie, soms spectaculaire, maar altijd onmenselijke homogenisering. Vanuit die optiek is de Industriële Revolutie de laatste belangrijke crisis van de moderne architectuur, omdat sindsdien alle aspecten van het leven steeds meer geautomatiseerd werden in een proces van productie, consumptie en winst. Om dat te illustreren verwijst Aureli naar No-Stop City, een ontwerp van het Italiaanse collectief Archizoom, tot stand gekomen tussen 1968 en 1972. No-Stop City is een oneindige stad, een verzameling puntjes en streepjes, een machinale herhaling van steeds hetzelfde; ‘the homogeneous plan’, schrijft Aureli, ‘was imagined as an empirically exaggerated (and thus critical) commentary on the biopolitical mechanism of the city, where infrastructure, and thus social control, is not restricted to the factory but is everywhere.’ Volgens Aureli was de diagnose van Archizoom juist, maar niet heilzaam: de bewuste maar cynische droom van een oneindig verstedelijkte wereld is werkelijkheid geworden, en heeft ertoe geleid dat de moderne stad één groot winkelcentrum is, waarin waardenvrij pluralisme en reflexmatige groei de perfecte ruimte hebben gecreëerd voor ‘mass voluntary servitude to the apolitical democracy imposed by the market’. Aureli leunt dus dichter aan bij Foucault dan Vidler: tegen ‘het systeem’ in proberen gaan door middel van stadsontwerp maakt de zaak alleen maar erger.

Wat Aureli als remedie voorstelt is ‘absolute architectuur’ die een dam opwerpt tegen de zondvloed van de immer voortschrijdende verstedelijking. Om dit te onderbouwen ontplooit hij zich meer nog dan Vidler als historicus, maar niet als wetenschapper. Aureli is vooral een architect (zijn bureau Dogma heeft samengewerkt met Office Kersten Geers David Van Severen) die op zoek is naar een manier om te bouwen, te werken en te denken. Als een goede hegeliaan interpreteert hij in The Possibility of an Absolute Architecture projecten uit het verleden, niet om hun ‘ware aard’ te achterhalen, maar om zijn theorie kracht bij te zetten. Zo wordt het werk van Mies van der Rohe, Palladio, Piranesi, Boullée, Ungers en Koolhaas ingeschakeld in een web van eigengereide beweringen, die niet altijd even concreet zijn en soms een duizelingwekkend effect sorteren. Wat deze architecten met elkaar verbindt is dat ze hun architectuur als een obstakel hebben ingezet. Het project van Koolhaas uit 1976 voor het New Welfare Island is exemplarisch: het is letterlijk een afgesloten eiland vlak naast de ‘urban decadence’ van Manhattan, waarin op kleine schaal nog contrasten kunnen bestaan door middel van sterk verschillende architectuurprojecten.

Is de stad een verloren zaak? Vidler en Aureli proberen hardnekkig het idee van de stad levend te houden – ze geloven beiden dat steden niet noodzakelijk op dezelfde luchthaven moeten gaan lijken, zoals Koolhaas het omschreef in zijn beroemde essay The Generic City. Het verschil is dat Vidler, minder extreem en klassieker, het project van de moderne en verlichte architectuur en stedenbouw niet afschrijft. The Scenes of the Street and Other Essays vertelt daardoor op een diepgaande manier een bekend verhaal, dat door Vidler en zijn generatiegenoten vaker is gepresenteerd. Aureli is in zijn radicale verwerping van de ongebreidelde verstedelijking pessimistisch en dramatisch, maar zijn dwarse kijk op de rol van architectuur vandaag maakt The Possibility of an Absolute Architecture tot een riskanter, hoogdravender en tegelijk ook spannender boek.

The Scenes of the Street and Other Essays van Anthony Vidler verscheen in 2011 bij Monacelli Press, 1745 Broadway, 16th Floor
, New York 10019 (monacelli-info@randomhouse.com; www.randomhouse.com/monacelli). ISBN 978-1-58093-270-7.

The Possibility of an Absolute Architecture van Pier Vittorio Aureli verscheen in 2011 bij MIT Press, The MIT Press Ltd., Fitzroy House, 11 Chenies Street, London WC1E 7EY (020/7306.0603; info@hup-mitpress.co.uk; http://mitpress.mit.edu). ISBN 978-0-262-51579-5.