Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Richard Prince, American Prayer.

De Amerikaanse kunstenaar Richard Prince verzamelt al heel zijn leven boeken. In een artikel in Art in America uit 1988 schreef hij over die verzamelwoede. ‘I want the best copy. The only copy. The most expensive copy. I want James Joyce’s Chamber Music. I want the 1907 version, the ‘variant’, the first variant, the one with the lighter green binding, the taller trim size, laid endpapers as opposed to wove. I want the earliest copy on record. I want the copy that is rarer than anyone had previously dreamed of. I want the copy that dreams.’ Prince, die bekend is geworden door te ‘herfotograferen’, door bestaande beelden – van Amerikaanse iconen, van vrouwen, van cowboys – opnieuw te presenteren, heeft zijn verzameling in een aantal publicaties getoond. In 2003 verscheen bijvoorbeeld Good Life, een boek vol foto’s van voorwerpen in het interieur van het huis van Prince: boeken, maar ook gesigneerde foto’s van beroemdheden, cassettebandjes of tijdschriften. American English, uit hetzelfde jaar, is minder chaotisch: het toont telkens op de linkerpagina de Britse editie van een boek, en op de rechterpagina de Amerikaanse.

Het is dus niet verwonderlijk dat Prince recentelijk werd uitgenodigd om een tentoonstelling te maken in de Bibliothèque Nationale de France, vermoedelijk de beroemdste bibliotheek ter wereld. De architectuur (van Labrouste en meer recent van Perrault) verleent haar een mythische status, maar ook de bezoeken van historische figuren als Benjamin of Rilke. Die faam van de bibliotheek is niet onbelangrijk. Het werk van Prince neemt de mythes van de westerse cultuur als grondstof. De kleine maar meeslepende verhalen en beelden uit de recente cultuurgeschiedenis worden door hem toegeëigend en geïndividualiseerd, op een manier die als blinde adoratie, maar ook als subtiele kritiek kan geïnterpreteerd worden. De tentoonstelling American Prayer – de titel is ontleend aan een gedicht van Jim Morisson, de zanger van The Doors – die uit deze invitatie resulteerde, was in de lente van dit jaar in de bibliotheek te bezoeken. Tegelijkertijd verschenen er (wat Prince vermoedelijk op prijs gesteld zal hebben) twee catalogi: een Franse versie en een Amerikaanse, die er helemaal anders uitzien, maar nagenoeg dezelfde inhoud hebben. De Amerikaanse versie is door Rizzoli uitgegeven als een dik leesboek; de Franse is door de bibliotheek zelf gepubliceerd als een salontafelboek met glossy foto’s.

De curator van de tentoonstelling, de Amerikaanse francofiel en voormalige zakenman Robert Rubin (tevens de president van de Centre Pompidou Foundation), is ook de samensteller van de catalogus. In een inleidend essay, Frog Prince: The Gallic Charms of an American Original, beschrijft Rubin de methode achter de verzameling van Prince, die hij in het tentoonstellingsconcept heeft willen imiteren. Rubin is een enthousiaste liefhebber die niet met betekenissen of kritische concepten begaan is, maar op een bijna fetisjistische manier omgaat met gecanoniseerde fenomenen of culturele landmarks – een paar jaar geleden kocht hij bijvoorbeeld in Parijs het Maison de Verre van Pierre Chareau, een modernistisch meesterwerk uit de jaren 20. In zijn inleiding scheert Rubin over het oppervlak van de kunst van Prince, wat resulteert in beweringen als: ‘So you could say that Richard’s art is the next course at the Art Banquet. Not a whole new meal – just a different part of the animal.’ Het concept van het boek en de tentoonstelling is thematisch: in 14 hoofdstukken worden boeken uit de verzameling bij elkaar gebracht, en gecombineerd met verwante werken van de kunstenaar en met verwante teksten, die al dan niet aansluiten bij de interesses van Prince. Het hoofdstuk Bomb and Dreams opent bijvoorbeeld met een motto van Stanley Kubrick – een uitspraak naar aanleiding van diens ‘atoombomfilm’ Dr. Strangelove. Daarnaast wordt een aantal grafische werken opgenomen van Prince, zoals All I’ve Heard uit 1989, een rood canvas met in het midden een grapje in groene letters: ‘With all I’ve heard about A-bombs that’ll destroy a city and H-bombs that’ll destroy a state and chain reactions that’ll destroy the world… you know I just don’t have any incentive to buy a two pants suit.’ Voorts zijn er informatieve of illustratieve teksten over de angst van Amerikanen (voornamelijk in de fifties) voor de atoombom, zoals een fragment uit de Chronicles van Bob Dylan, een interview met Joseph Heller (auteur van de oorlogsroman Catch-22), en de onvergetelijke scènes uit Underworld van Don DeLillo, waarin de stand-up comedian Lenny Bruce zijn publiek keer op keer toeschreeuwt: ‘We’re all gonna die!’ Daartussen zitten dan foto’s van boeken uit de verzameling van Prince, zoals van Catch-22 (overgenomen uit American English) en van een eerste druk van How to Talk Dirty and Influence People, de autobiografie van Lenny Bruce. Op een gelijkaardige manier worden er hoofdstukken opgebouwd rond thema’s als de lolitafiguur, de Beat Generation, beroemde criminelen, aliens, cowboys en pornografie.

Dit overweldigend aanbod van teksten, beelden en foto’s beslaat meer dan 500 pagina’s, en wordt nog voorafgegaan door twee andere essays. Marie Minssieux-Chamonard, bibliothecaresse in Parijs, bespreekt de bijzondere boeken of tijdschriften die Prince uit het archief van de Bibliothèque Nationale heeft opgediept ter gelegenheid van de tentoonstelling. Het gaat om items die vaak nooit eerder ontleend zijn en meestal het label ‘EL’ dragen. ‘EL’ staat voor ‘Extension Libre’ (of – als grap onder de bibliothecarissen – voor ‘Eliminable’) en geeft aan dat het betreffende boek niet voor ‘ernstige lezers’ bestemd is. De selectie van deze ‘minderwaardige’ publicaties biedt Prince de gelegenheid om de Franse hoge en officiële cultuur van de ernstige en oude bibliotheek met een afwijkende en soms zelfs scabreuze variant te confronteren – een variant die nota bene al in de kelders van de bibliotheek zelf aanwezig was. John McWhinnie, tot slot, schrijft onder de titel No Country for Old Men een algemener essay dat fungeert als een introductie op leven en werk van Richard Prince.

Het spreekt voor zich dat zoveel uiteenlopend materiaal een uitwaaierende en gevarieerde lectuur oplevert, met niets minder dan een panorama op de obsessies en de verlangens van de Amerikaanse (of zelfs tot in Frankrijk veramerikaniseerde) cultuur uit de 20ste eeuw. Tegelijk is American Prayer helaas niet veel meer dan een nagenoeg rechtstreekse omzetting van de boekenverzameling van Prince, gecombineerd met fragmenten uit zijn oeuvre. Waarom Prince boeken verzamelt, hoe hij die boeken bij elkaar zet en vooral wat het betekent om vandaag boeken te verzamelen op zijn manier, dat alles wordt nergens toegelicht of besproken. In 1931 schreef Walter Benjamin het beroemde essay Ich packe meine Bibliothek aus. Eine Rede über das Sammeln – het moet mogelijk zijn deze tekst bijna honderd jaar later te herschrijven en te actualiseren aan de hand van het werk van Richard Prince. Dat is in de catalogus American Prayer niet gebeurd.

American Prayer – Richard Prince verscheen in 2011 bij de Éditions de la Bibliothèque nationale de France, Quai François-Mauriac, 75013 Parijs (01/5379.8173 of 8175; http://editions.bnf.fr). ISBN 978-2-7177-2480-6.