Faby Bierhoff

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De nieuwe collectiepresentatie in de Berlinische Galerie.

Sinds de opening van de Berlinische Galerie in 2004 bestond er een discrepantie tussen de vaste collectie op de bovenste verdieping en de tijdelijke tentoonstellingen op de begane grond. Dit was te wijten aan de onpraktische ruimtelijke indeling van het voormalig glasdepot uit 1964 in de Berlijnse stadswijk Kreuzberg waar het Landesmuseum für Bildende Kunst, Fotografie und Architektur is gehuisvest. De rommelige binnenruimten met diagonale wanden en het ontbreken van een duidelijke routing ondermijnden de coherentie van de vaste collectie, waardoor deze jarenlang als onsamenhangend aanhangsel onderbelicht bleef.

Sinds juni is deze collectie van Berlijnse kunst tussen 1880 en 1980 in een nieuwe presentatie te zien. De herinrichting van de eerste verdieping werd bedacht door directeur Thomas Köhler (die in 2010 werd aangesteld) en de Canadese architect David Saik, die zich in zijn werk laat inspireren door Donald Judd. Saik creëerde zeventien goed geproportioneerde ruimtes als antwoord op de vierkante architectuur. Door middel van subtiele kleurnuances op de wanden wordt de atmosfeer van de verschillende historische periodes ondersteund.

De bezoeker krijgt de vierhonderd beste werken van de collectie te zien. Een van de hoogtepunten zijn de snapshots van de eigenlijk als tekenaar bekend geworden Heinrich Zille. Hij fotografeerde alledaagse taferelen in Berlijn ten tijde van de industrialisatie in de 19de eeuw. Ze werden in 1966 terloops ontdekt en passen vanwege de stadshistorische waarde goed in de verzameling.

Ook is het museum een ruimte verschuldigd aan de Berliner Secession met zijn voortrekkers Max Liebermann en Lovis Corinth. Van de laatste hangen drie van de elf panelen van zijn opvallend grafisch uitgewerkte Odysseecyclus aan de wand. In de gangen van deze ruimtes vindt de bezoeker in vitrines informatie over het expressionistische tijdschrift en de galerie Der Sturm van Herwardt Walden en over de radicale kunstenaarsvereniging uit het interbellum Die Novembergruppe.

De daaropvolgende antracietgekleurde zaal is gewijd aan de Berlijnse dadabeweging. Op mystificerende wijze wordt de presentatie van de Erste Internationale Dada-Messe in 1920 te Berlijn geëvoceerd. Zelfs de uit het plafond zwevende dadapop van de kunstenares Hannah Höch is een letterlijk beeldcitaat uit de tentoonstelling van destijds. Met de titel Internationale Drehscheibe wordt Berlijn gepresenteerd als een internationaal toevluchtsoord dat in de jaren 20 ruim 200.000 Russen herbergde. De baanbrekende Prounenraum van El Lissitzky, in 1923 gemaakt voor de Große Berliner Kunstausstellung, en de sculpturen van Naum Gabo en Vladimir Tatlin herinneren aan de Russische tijd in de Duitse hoofdstad.

Een opzettelijke ingreep in de opstelling is naar mijn mening het fysiek ‘buitensluiten’ van de Tweede Wereldoorlog. Dit collectieonderdeel kan gemakkelijk over het hoofd worden gezien doordat het in de hoek van de verdieping is gesitueerd. Het museum laat deze collectiestukken zowel in de aankondiging als in de rondleiding onbesproken. Mocht de bezoeker toch afdwalen, dan komt hij onder andere oog in oog te staan met de propagandafotografie uit het Derde Rijk en een nagebouwde maquette voor de niet gerealiseerde Große Halle in de Welthauptstad Germania van Albert Speer. In de andere zaal duiden de foto's van Georgij Petrusow op de verwoestende impact van de oorlog op de stad. Van de geestelijke verwerking van de Stunde-Nullperiode getuigt bijvoorbeeld Karl Hofers Totentanz uit 1946.

In de verbindingsruimte naar de jaren 50 is een panoramafoto van de stadsfotograaf Fritz Tiedemann (later bewerkt door Messmer) te zien waarop het zwaar beschadigde Pruisische Stadtschloss wordt afgebeeld. Tiedemann maakte de foto in opdracht van de Oost-Berlijnse magistraat kort voordat het gebouw werd opgeblazen. De herhaling van de kapotte bouwelementen in de façade zorgt voor een haast Andreas Gurskyachtige esthetiek. Aan de hand van de verschillende bouwprogramma's en architectonische tekeningen wordt de naoorlogse context in de opgedeelde stad inzichtelijk gemaakt. Waar in Oost-Berlijn de Karl-Marx-Allee in rap tempo oprees, werd in West-Berlijn het Hansaviertel uit de grond gestampt.

In het laatste gedeelte van de tentoonstelling worden ook de hiaten in de collectie duidelijk merkbaar; de naoorlogse beeldende kunst beperkt zich tot in het Westen werkende kunstenaars. En dat terwijl de foto's van West-Berlijnse arbeiders van Michael Schmidt in de serie Berlin-Wedding 1976/1977 juist een mooie dialoog zouden kunnen vormen met de Oost-Berlijnse impressies van de stad en haar stedelingen in het werk van bijvoorbeeld Gundula Schulze-Eldowy, Helga Paris, Erasmus Schröter of Ulrich Wüst.

Al bij al is de nieuwe collectiepresentatie een enigszins brave tentoonstelling die elk risico omzeilt. Ze is ongetwijfeld erg functioneel en geeft een compact overzicht van de vaste collectie van het Landesmuseum in keurig verzorgde ruimtes. En daarmee zijn de museumdirecteur en de architect geslaagd in wat hen voor ogen stond.

Kunst in Berlin 1880-1980 sinds 17 juni in de Berlinische Galerie, Alte Jakobstraße 124-128, 10969 Berlin (030/78.90.26.00; www.berlinischegalerie.de).