K.P. Vanhoutte

DE WITTE RAAF

Editie 153 september-oktober 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het (niet zo) eeuwige universiteitsmodel van de Verlichting.

REACTIE op Wim Weymans, Cultuurwetenschappen onder druk, in De Witte Raaf, mei-juni 2011.

Literatuur over de kritieke evolutie van de universiteit is de laatste decennia constant aan het toenemen. Bijna maandelijks verschijnen publicaties die een of andere (hervormings)problematiek van dit instituut aan de kaak stellen. Het essay van Wim Weymans Cultuurwetenschappen onder druk is een duidelijke bevestiging dat ook Vlaamse universiteiten niet immuun zijn voor de problemen die voortkomen uit de vele universiteitshervormingen. De gevaren van uitsluitend kwantitatieve berekeningen ter evaluatie van academisch onderzoek die Weymans aan de kaak stelt, kunnen inderdaad niet onderschat worden. Het was dan ook hoog tijd dat ook Vlaamse academici hun stem lieten horen.

Hoe noodzakelijk en lovenswaardig dit essay ook mag zijn, het lijkt ons belangrijk stil te staan bij een probleem dat er onuitgesproken blijft. Het gevaar dreigt dat Weymans’ betoog slechts tot een status quo leidt, omdat zijn argumentaties gebaseerd zijn op het (kantiaanse) Verlichtingsdenken – terwijl juist de ambiguïteiten van Kants Moderne universiteit aan de basis liggen van de huidige universitaire hervormingsfrenesie.

Wat houdt Kants ‘ontwerp’ van de Moderne universiteit precies in, en wat betekent dit met betrekking tot de cultuurwetenschappen? Kants blauwdruk van de Moderne universiteit Der Streit der Fakultäten zag het daglicht in 1798. Kant herziet in dit werk de traditionele opsplitsing tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ faculteiten (respectievelijk theologie, rechten, geneeskunde als ‘hogere’ en filosofie als ‘lagere’) die sinds de Middeleeuwen de basisstructuur van de universiteiten vormden. De ‘laagheid’ van de filosofische faculteit (wat we nu de ‘Cultuurwetenschappen’, de ‘Humanities’, of de ‘arts and sciences’ zouden noemen) krijgt door Kant een hele nieuwe betekenis. Hij stelt een einde aan de bijna slaafse rol die de filosofische faculteit was toegemeten in de Middeleeuwen; zij wordt nu de ultieme vrije faculteit, de ‘kritische rechter’ van het gehele universiteitssysteem.

De geprivilegieerde positie die Kant opeist voor de filosofische faculteit had echter zijn kostprijs. De ‘hogere’ faculteiten stonden essentieel ten dienste van de staat en konden dus terecht rekenen op financiële steun van de overheid. Daartegenover stond de filosofische faculteit, die de ‘functie’ had haar kritische rede te laten weerklinken over de andere faculteiten – zonder onmiddellijk nut voor de staat. Daar ook deze faculteit gefinancierd werd door de staat, was het risico van externe druk niet denkbeeldig. Om dit te vermijden, eiste Kant academische vrijheid voor deze faculteit. De staat moest betalen voor alle faculteiten, maar terwijl ze het recht had invloed uit te oefenen op de ‘hogere’ faculteiten, mocht ze op geen enkele manier tussenbeide komen in de kritische filosofische faculteit.

De noodzakelijke vrijheid van de filosofische faculteit bracht met zich mee dat alleen de gemeenschap van de academici hier kon oordelen over de gemeenschap van academici (cf. het hedendaagse peer review). Mogelijke ‘benoemingen’ of promoties moesten gebeuren zonder interferentie van buitenaf. Enkel de academici zelf hadden het recht te oordelen over wat tot hun onderzoeksdomein behoorde, hoe ze de filosofische faculteit zouden ‘runnen’, en hoe zij zichzelf zouden ‘reproduceren’.

Dat Weymans’ discours dit (kantiaanse) Verlichtingsproject herneemt, wordt niet meteen duidelijk. Hij koppelt zijn (terechte) kritiek op ‘de huidige beleidsmakers’ niet direct aan een eis van non-interventie. Hij bekritiseert het ‘Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen’ (VABB) niet omdat het door de Vlaamse overheid gecreëerd werd, maar omdat de creatie ervan uitsluitend op kwantitatieve criteria stoelt. Weymans ‘vergeet’ dat de overheid het VABB ‘in samenspraak met de universiteiten’ heeft gecreëerd en dat het ‘Gezaghebbende Panel’ (GP) uitsluitend uit academici bestaat. Maar kantiaans is zijn bespreking van de gevaren van dit VABB op het eerste zicht niet.

Dat Weymans geen bezwaar heeft tegen de financiering van de universiteiten en hun onderzoek door de overheid, is op zich evenmin een voldoende reden om zijn discours tot Verlichtingsdenken te herleiden. Dat de overheid via het VABB een vorm van inspraak in het universiteitsleven krijgt, lijkt zelfs op zich niet nefast, ware het niet dat het VABB nu net zo’n negatieve gevolgen heeft voor de beoordeling van de academici, en specifiek die uit de cultuurwetenschappen. Opnieuw lijkt het schoentje enkel te wringen bij de kwantitatieve criteria die verbonden zijn aan het VABB.

Weymans’ discours valt echter in een definitieve plooi in zijn conclusie – en hierdoor komen ook de eerder vermelde punten in een Verlichtingsperspectief te staan. Volgend op zijn terechte pleidooi om het VABB af te wijzen, stelt hij voor alle overheidsfinanciering bestemd voor de universiteit over te dragen aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO). Ware dit de enige ‘raad’ van de auteur, dan zou er slechts een wrange Verlichtingsnasmaak zijn – het FWO staat inderdaad voor ‘kwalitatieve peer review’ (waarbij de peer review voor het Verlichtingselement staat). Dat Weymans echter de Vlaamse overheid aanraadt om ‘beurzen’ te creëren voor academici (en dit volgend op zijn oproep tot meer ‘sabbaticals’) laat niet alleen twijfel ontstaan over het belang van het kwaliteitsargument met betrekking tot het FWO, maar brengt zijn discours volledig in de lijn van het kantiaanse Verlichtingsdenken!

Als de beleidsmakers toch iets willen betekenen voor de universiteiten, aldus Weymans, dan volstaat het de universiteit en het onderzoek te financieren. Het oordelen en beoordelen over het waar en het hoe van deze financiering wordt best volledig overgelaten aan de universiteiten zelf en aan haar academici (in deze context krijgt Weymans’ ‘vergetelheid’ dat het GP uitsluitend bestaat uit academici een andere betekenis). Het reproductieproces van de universiteiten, dat gedeeltelijk de wetenschappelijke methode, maar bovenal de rekrutering en de ‘doorstroming’ van het personeel betreft, moet volledig intern door de peers behandeld worden, en dit om de academische vrijheid te vrijwaren en vooral om de ‘kritische’ waarde (de wetenschappelijkheid en de maatschappelijke relevantie) van het academisch onderzoek te beschermen. Kortom, de kantiaanse Verlichtingsuniversiteit moet herbevestigd worden in al haar waarde en betekenis.

Er is natuurlijk niets verkeerd aan Weymans’ wens terug te keren naar de Moderne universiteit. Dit universiteitsmodel betekende een belangrijke stap voorwaarts in de westerse wereld. Een dergelijke herbronning zou geen onverstandig idee zijn, ware het niet dat het model van de Moderne universiteit vol ambiguïteiten is, die verantwoordelijk zijn voor de patstelling waar de hedendaagse universiteiten zich in bevinden. (Het is geen toeval dat alle hieronder beschreven ambiguïteiten volop aanwezig zijn in Weymans’ tekst.)

Een eerste ambiguïteit die de Moderne universiteit sinds haar ontstaan teistert, is nauw verbonden met Kants behoud van de middeleeuwse opsplitsing tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ faculteiten. Van de in de middeleeuwen ‘lagere’ filosofische faculteit, maakt Kant de kritische faculteit, met als opperste kenmerk haar ‘nutteloosheid’ voor staat en maatschappij. Deze ‘nutteloosheid’ is noodzakelijk in de Moderne universiteit om het kritische karakter van het ‘onderzoek’ en de academische vrijheid te beschermen. Nefast is echter dat er enerzijds een kloof ontstaat tussen de verschillende faculteiten en, anderzijds, dat er een onderscheid ontstaat tussen ‘nuttig’ en ‘nutteloos’ onderzoek. (Dat deze ambiguïteit nog steeds heerst, is meer dan duidelijk in Weymans’ essay, en het is zelfs niet moeilijk te zien hoe de hele problematiek van het VABB grotendeels te wijten is aan deze ambiguïteit.)

Een tweede ambiguïteit heeft te maken met het al of niet aanvaarden van overheidsinterventie (of andere externe invloed) in het onderzoek en de benoemingen aan de universiteit. Daar waar dit voor Kant aanvaardbaar was voor de ‘hogere’ faculteiten, zorgde deze regel al snel voor grote problemen voor alle faculteiten. Het interne reproductiesysteem (onderzoek, benoemingen, promoties) moest, opnieuw in naam van de academische vrijheid en het kritische karakter van het wetenschappelijk onderzoek, beschermd worden. Het grote probleem hier is dat de academische eis van non-interferentie niet houdbaar is. Zoals Graham Gordon enkele jaren geleden reeds schreef: de staat hecht belang aan alle instellingen die van sociaal en cultureel belang zijn. Als dusdanig kan een universiteit inmenging van de staat niet vermijden tenzij ze ophoudt van sociaal of cultureel belang te zijn.

Deze tweede ambiguïteit heeft echter bijkomende gevolgen die op zich voor nieuwe ambiguïteiten zorg(d)en. Zo kan het interne reproductiesysteem van de academici het ontstaan van een elitaire subcultuur in de hand werken. Zoals recent onderzoek in de VS heeft aangetoond, bestaat deze subcultuur van academici uit mensen die, ondanks hun verschillende culturele achtergrond, op een heel gelijklopende wijze denken. Kan hun bijdrage dan wel de maatschappij bereiken of door haar worden begrepen?

Het VABB is nefast voor de cultuurwetenschappen en voor de cultuurwetenschappers aan de (Vlaamse) universiteiten. Selectie- of beoordelingscriteria die uitsluitend gebaseerd zijn op kwantitatieve metingen en berekeningen zijn zelden betekenisvol, zeker in de universiteitswereld. Het obsessief vasthouden aan het Verlichtingsmodel van de universiteit is echter even nefast voor die universitaire wereld, zeker als we zien dat het VABB een bijna natuurlijk gevolg is van de vele ambiguïteiten van de Verlichtingsuniversiteit.

Kants revolutionair universiteitsmodel vormde een antwoord op de grote veranderingen in de wereld rondom hem (de industriële revolutie, de opkomst van de moderne staten…). Vandaag is het hoog tijd om de universiteit (revolutionair?) te herdenken, rekening houdend met de veranderde tijdsgeest.

 

Kristof K.P. Vanhoutte, gastprofessor filosofie aan de Pontificia Università Antonianum, Rome