Dirk Van Weelden

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Waar komt mijn transdigitale schrijfmachine vandaan?

1.

Voor Sinterklaas in 1969 – ik was een bebrilde jongen van 12 – kreeg ik het Time/Life-boek Robots en computers. Daarin werd op kinderniveau uitgelegd wat ik al tijden wilde weten: wat computers nu precies deden en hoe.

Als ruimtevaart-enthousiast (ik verzamelde boeken en tijdschriften over Gemini- en Apollomissies) had ik veel over computers gehoord, maar ik had er weinig over kunnen vinden in de Winkler Prins Encyclopedie (6de editie, 1952) die bij mijn vader in de studeerkamer stond. Zocht je daarin ‘computer’ of ‘software’ op, dan ving je bot. Bij ‘binair’ stond: betekent letterlijk twee aan twee. Binaire verbindingen noemt men in de scheikunde ook wel verbindingen, die slechts uit twee atomen bestaan: natriumchloride NaCl, loodoxyde PbO enz. En veel wijzer werd ik ook niet van het artikel over rekenmachines van Prof. Dr. Ir. A. van Wijngaarden. Je zag foto’s van een reeks gesloten metalen keukenkastjes (dat was de rekenmachine zelf) en ervoor een bureau. Of eigenlijk heette het ‘de contrôle-tafel’. Daarop stond een kist met een wit front, dat naast ‘de photo-electrische ponsbandleesmachine’ meters en tientallen schakelaars te zien gaf. Het zag er wezenloos, verlaten, ondoordringbaar uit.

De Automatische Digitale Machine (ADM), zoals van Wijngaarden de computer noemde, was volgens hem bedoeld om zeer ingewikkelde berekeningen uit te voeren. Hij noemde de nooit verwezenlijkte mechanische Difference Engine van Charles Babbage (1830), de aan het eind van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde elektromechanische ASCC en de geheel elektronische ENIAC. Van die laatste zei hij dat ze ‘door haar enorme snelheid (300 vermenigvuldigingen van getallen van tien cijfers in een seconde) de algemene belangstelling wakker riep’. Dat klonk indrukwekkend, maar veel interessanter was de slotpassage, die wat mij betreft veel te beknopt was:

 

De ADM is niet alleen tot rekenen, maar ook tot allerlei werk in staat, waarbij geen momentaan initiatief vereist wordt, zoals bijvoorbeeld het oplossen van schaakproblemen, zelfs tot draaglijk vertalen van zakelijke tekst en zeker tot het overgrote merendeel van pseudo-intellectuele arbeid, dat op kantoren geschiedt. Het is te voorzien dat haar ontwikkeling en toepassing in het bedrijfsleven een effect zal hebben, vergelijkbaar met dat van de invoering van de energiebron en productiemachine in de vorige eeuw.

 

Een achteloze voorspelling van een heuse digitale industriële revolutie. En die verwachting was volgens de makers van het Time/Life-boek aan het uitkomen ook, eind jaren 60. Ondersteund door vrolijke tekeningen werd uit de doeken gedaan hoe onontbeerlijk computers waren voor het geleiden van raketten en satellieten, het bijhouden van grote administraties als die van de belastingdienst en het verwerken van grote hoeveelheden gegevens, zoals in de logistiek en de sterrenkunde. Dat de complexiteit van de kaartverkoop van een luchtvaartmaatschappij mensen boven de pet ging en beter kon worden toevertrouwd aan computers. Ook werd uitgelegd wat een bit en een byte waren en hoe het binaire getallenstelsel werkte. Een computer was een reusachtig geheugen waar alles een adres had, dat voortdurend aan andere adressen werd gekoppeld. Omdat het me allemaal sterk aan de Thunderbirds deed denken, kwam het me vertrouwd en tof voor.

Echt opwindend werd het bij de uitleg van de werking van een computerprogramma. Er stond een simpel voorbeeld van een flowchart in. Daarin werd een beslissingsproces of een taak in opeenvolgende stappen geanalyseerd. Iedere stap correspondeerde met een vraag waarop je Ja of Nee kon antwoorden. Het protocol aan vragen en commando’s heette samen het programma. Het was een logisch samenhangende keten van zinnen, een systeem, dat net als een verhaal of een gedicht moest kloppen om te werken. Alleen was de taal hier opgebouwd uit twee tekens: 1 en 0, aan en uit, ja en nee.

In mijn hoofd ging bij het lezen hiervan een atoombom van enthousiasme af. De explosieve openbaring zat hem in het idee dat je voor je digitale machines niet alleen symbolen kon schrijven, maar net zo makkelijk verbindingen kon leggen tussen machines, dat je commando’s kon geven aan machines, lampen, ventielen en muziekinstrumenten; kortom, dat dit een taal was waarin woorden commando’s werden, die mentaal én fysiek effect hadden. Taal schreef wereld! Niet alleen overdrachtelijk, maar ook letterlijk. Het jaar erna moest ik in de brugklas een beroepskeuzetest doen. Bij de vraag Wat wil je worden? vulde ik in: computerprogrammeur.

 

2.

Tien jaar later, in 1979, wilde ik schrijver worden en daarvoor was het in mijn ogen van het grootste belang dat je gedachten en taalvermogen versmolten met de schrijfmachine. Ik vergeleek het met Rollins en zijn sax, Hendrix en zijn Stratocaster, Cruijff en de bal. Ik had jarenlang met een Bic-balpen in schriften gedichten en verhalen geschreven en die overgetikt op een groene metalen Erika uit de jaren 50. Dat schooljongensniveau moest ik ontstijgen, leek me, en daarom deed ik moeite proza te schrijven zonder dat er een handschrift aan voorafging. Het echte schrijven, dacht ik, vond plaats in de tussenruimte, begrensd door het privédomein van het handschrift en de openbaarheid van het gedrukte woord. Daar heerste de schrijfmachine.

Makkelijk was het niet in het begin, maar het lukte alsmaar beter. Jammer alleen dat deze Erika de machine van mijn vader was geweest. Hij had er tijdens mijn kleutertijd zijn afstudeerscriptie op geschreven. Nog altijd een uitstekende schrijfmachine, maar hij verwees in alle opzichten (zakelijk elitelettertje, mijn map met uitgetikte pubergedichten) naar een leefwereld die ik al schrijvend achter me wilde laten. Ik zocht een ‘axe’, een eigen voertuig. Helaas was er geen geld voor een nieuwe schrijfmachine.

Wat wilde ik schrijven? Het liefst korte teksten ondergebracht in een slim systeem met dwingende samenhang, waarin ieder element het midden hield tussen een conceptueel kunstwerk (ik las en vertaalde de teksten uit Duchamps Groene en Witte doos) en een stuk literair proza. Mij ging het erom dat er iets veranderde in het hoofd van de lezer, en tussen mij en mijn vrienden. Zoals een berekening iets verandert aan de waarneming van de gegevens, of de overschakeling op rood licht groene schaduwen oproept. En dus tikte en kopieerde ik voor mijn vrienden een uit dertig bladzijden bestaande tekst, waarin denkbeeldige beeldhouwwerken en installaties uiterst nauwkeurig werden beschreven, en beeldende vignetten, dialogen en beschouwelijke prozagedichten elkaar afwisselden. Ieder fragment genummerd en gecatalogiseerd in het systeem dat ik het programma van mijn levensgevoel noemde. Het heette Werktuig.

Toen ik een jaar later een vriendin met een baan had, slaagde ik er zo goed in mijn dromen op haar over te brengen, dat haar eerste cadeau aan mij een schrijfmachine was, die ik zelf mocht uitzoeken. In dat jaar (1980) gingen de mechanische schrijfmachines definitief in de aanbieding. De elektronische schrijfmachines van IBM en Olivetti, met hun verwisselbare lettertypes, correctietoetsen en minigeheugens waren de norm geworden. Een half maandsalaris besteedde mijn lief aan een afgeprijsde, maar splinternieuwe Adler Gabriele 25, een degelijke West-Duitse draagbare mechanische schrijfmachine, gemaakt in 1973. Gebroken wit, fris en modern van belijning. Beslist kek, maar net niet elegant, zoals alleen Duitse producten dat kunnen zijn. De letter was helder, neutraal, middelgroot: pica. Er zijn foto’s waarop goed te zien is hoe trots ik op mijn schrijfmachine ben. Je ziet: de Gabriele is de interface tussen mijn eenzame, onzekere innerlijk en mijn vurige, brutale droom een schrijvend leven te leiden. 

 

3.

Een jaar na mijn afstuderen, in 1984, bracht mijn vader drie grote kartonnen dozen. In de ene een monitor waarop in het zwart groene blokletertjes te zien waren. In de tweede een metalen schoenendoos met snoeren eraan en in de derde een elektronische Nakajima daisy wheel schrijfmachine die dienst deed als printer. Het betrof een Aziatische IBM-kloon uitgerust met DOS-besturingsprogramma en Xword, een tekstverwerkingsprogramma dat WordPerfect nabootste. Ik bezocht een cursus DOS en oefende wat met Xword, maar de stukken die ik voor Metropolis M en Museumjournaal schreef, of publiceerde in de tijdschriften die ik samen met vrienden uitbracht, kwamen uit de Gabriele. Hetzelfde gold voor mijn eigen notities, de verhalen en essays die ik voor mijn bureaulades maakte en de brieven die ik mijn vrienden schreef.

Toch wist ik maar al te goed dat de versmelting van mijn schrijfpraktijk met de mechanische schrijfmachine een ‘unzeitgemäße’ was en dat die spanning alleen maar toe zou nemen. Niet alleen praktisch, maar ook mentaal en cultureel. Op 11 november 1984 maakte ik deze notitie:

 

Wat is de impact van digitale technieken op culturele processen en producten?

Afgebroken tot de kleinst denkbare eenheid, 1 of 0, kan de opgebouwde hyperrealiteit een echter effect hebben dan de werkelijkheid. Wat daar afstotelijk aan kan zijn weten we al. Maar de goede en interessante mogelijkheden kennen we nog lang niet. Die moeten snel en met fantasie veroverd worden, voordat de kansen er niet meer zijn.

Het idee van een datastroom. Daarin zijn duizenden aangesloten op een netwerk dat uit open geheugens bestaat. Ieder kan gegevens in de vorm van tekst, video, geluid in de geheugens van anderen stoppen. Zo kan er een gigantisch vloeiend geheugen ontstaan en een elektronische openbaarheid, waarin de samenwerking en uitwisseling plaatsvindt. De noodzaak van kostbare, afgewerkte producten, wordt ondergraven. Het romantisch individu dat werkt voor de eeuwigheid en het eigen genie wordt onbelangrijk, men is fysiek deel van de datastroom. Die wordt de feitelijke vorm van de openbaarheid.

 

Zulke gedachtevluchten werden een jaar later tot grote hoogte gestuwd door het bezoek aan de tentoonstelling Les Immatériaux in Parijs. De filosoof Jean-François Lyotard wilde in het Beaubourg laten zien wat de oorsprong en de motor was van het nieuwe tijdperk dat aangebroken was. Met opstellingen uit de wereld van wetenschap, kunst, muziek, technologie, industrie, ontwerp, vermaak en alledaags leven werd duidelijk gemaakt dat de toekomst en de macht toekwamen aan het netwerk, de schakeling, de groepscommunicatie met open einde, de beheersing van materie en mensen door informatie en beeld, aan de snelheid en onmiddellijkheid van gedeelde informatie, aan de prestatie van de output. De betovering en de wreedheid, de vernieuwing en de vernietiging van die nieuwe immateriële cultuur maakten grote indruk.

Maar hoezeer mijn filosofisch temperament en wilde plannen als aspirant-schrijver hier ook door geïnspireerd werden, mijn Gabriele bleef het centrum van mijn schrijfpraktijk. Op 10 februari 1986 schreef ik zelfs:

 

De moderne wapenen van de schrijfkunst liggen me niet. De tekstverwerker stoot me af. Niet alleen heb ik mijn handbediende Gabriele eeuwig trouw gezworen, ik mijmer zelfs over de aanschaf van een Hermes Baby als reismachine. Als iemand hier de motor van het zaakje wezen moet, dan ben ik het wel.

 

Het jaar erop richtten Martin Bril en ik een halve verdieping van een vervallen pandje in de Von Zesenstraat in Amsterdam-Oost in als kantoor. Tegenover elkaar, haaks op de suizende gaskachel, stonden twee tafels. Op de een mijn Gabriele, op de ander de witte jaren 70 Erika van Martin. We schreven er ons debuut, Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril&VanWeelden, dat eind 1987 gepubliceerd werd.

Het volgend jaar kwam ons leven van freelanceschrijvers op gang en kochten we allebei een Apple Macintosh. Kopij leverden we in op diskettes. Omdat we de PTT niet helemaal vertrouwden, fietsten we door weer en wind naar de redacties om die te overhandigen.

 

4.

Interessant genoeg betekende mijn grote enthousiasme voor ‘de schrijftelevisie’ en het werken in Word (het gebrek aan weerstand, het vlotte en vloeiende van de tekst, de meerdere vensters!) niet dat ik de schrijfmachine als overbodig ging beschouwen. Net zo min als mijn vulpen en het systeem van schriften dat ik voor verschillende doeleinden bijhield. Er waren nu een keer zaken die zich slecht lieten neerschrijven aan het digitale toetsenbord. Er zijn bespiegelingen en intuïties die heel natuurlijk op papier komen als iedereen slaapt en je bij kaarslicht en een cognacje de dop van je vulpen schroeft. Ook voor het maken van aantekeningen bij boeken die ik bij wijze van research las schreef ik met de hand. Het werken aan de opzet en de aantekeningen voor een essay, een lezing of een hoofdstuk van een roman is iets dat ik associeerde met een zonnige ochtend in een werkruimte waar voortvarend de mechanische schrijfmachine wordt gebruikt. De uiteindelijke tekst, waarin alles samenkwam en makkelijk te redigeren en te corrigeren viel, dat was iets voor de tekstverwerker. Boekbesprekingen, komische sketches voor de televisie, een column die exact 3963 aanslagen mocht bevatten en al het andere waar haast bij was, dat waren teksten die uiteraard onmiddellijk aan de Macintosh moesten ontstaan.

De digitalisering van het geschreven woord liep dwars door mijn schrijvend leven. In 1990 werd ik redacteur van Mediamatic Magazine, een tweetalig tijdschrift voor mediakunst en nieuwe media. Het was onvermijdelijk dat ik de theorieën, de technologische ontwikkelingen en de experimenten in kunst en design die daar aan de orde kwamen, betrok op mijn eigen domein, de literatuur. Dankzij de digitale machine en de hyperlink was het ‘schrijven tot de tweede macht’, zoals me dat bijna twintig jaar eerder voor ogen had gestaan, mogelijk geworden. En ik deed mee aan experimenten op cd-roms en de eerste websites, maar al snel was me duidelijk dat het singuliere van het literaire effect werd beperkt en afgezwakt in een interactieve, door menus en formats beheerste omgeving. Het was ideaal voor het bewerken van audiovisueel materiaal, voor instrumenteel archiefbeheer en sociale communicatie, maar wat ik met schrijven wilde werd er niet makkelijker door.

In 1993 liep ik vast in het schrijven van een roman en zocht naar de toon die het boek moest hebben. Ik besloot om voor drie maanden in te trekken in een afgelegen boerenhuisje in Zuid-Frankrijk, geleend van vrienden, die er in de koude maanden toch niet waren. Omdat de oplossing die ik vond eruit bestond dat de roman uit brieven moest bestaan, deed ik wat ik al jaren van plan was: de mooiste ultralichte reisschrijfmachine kopen die ik kon bedenken, de Hermes Baby. Brieven aan vrienden en dierbaren, dat is de oervorm van vrij proza. In mijn wereldbeeld ontstaan ze op het ritme van een mechanische schrijfmachine. In de advertentiekrant ViaVia (een analoge voorloper van Marktplaats.nl) vond ik er een. Omdat toeval niet bestaat, had hij een Frans (azerty) toetsenbord en daarop zat ik te hameren, bij een op mazout loeiende kachel en een cassettespeler waaruit razende solo’s van Coltrane opstegen. Ik dank de toon, de stijl van de roman Oase aan dat kleine Zwitserse machientje uit 1959.

Daarmee had de schrijfmachine een nieuwe rol gekregen. Hij bleek in digitale tijden meer te kunnen zijn dan een stuk neutraal schrijfgereedschap. Zoals het handschrift bevrijd was door de schrijfmachine en vrij kronkelend over een typoscript kon zwerven, en veel persoonlijker kon worden omdat zetters niet meer vanaf gekopieerde manuscripten werkten maar vanaf schone typoscripten, zo was de schrijfmachine door de digitalisering van communicatie en drukpers bevrijd van zijn nuttige kantooraura. Het was een persoonlijker, sensueler, magischer apparaat geworden. Had MacLuhan in 1969 niet al gezegd: alle technisch achterhaalde media worden kunst?

 

5.

In de jaren die volgden werkte ik aan Powerbooks en iBooks. Surfen en e-mailen werden onmisbare onderdelen van mijn schrijfpraktijk. Maar ik begon ook steeds meer schrijfmachines te kopen. Op de vrijmarkt op Koninginnedag liep ik tegen een Underwood Universal aan uit 1948. Op reis in Columbus Ohio vond ik een machine die ik al lang zocht: de Underwood Touchmaster Five, een futuristisch ogend grijs bakbeest uit 1961. Ik legde de hand op een prachtige Hermes 3000. Was ik een verzamelaar geworden? Nee, heel oude of zeldzame schrijfmachines boeiden me niet. Ik was niet uit op volledigheid en een knutselpassie had ik al evenmin. Mij ging het om het karakter van specifieke machines, waar ik dagelijks op schreef.

Met het aanbreken van de 21ste eeuw bleek dat de schrijfmachine in de ogen van nieuwe, digitaal inheemse generaties een flexibel teken van ‘authentiek’ schrijven was geworden. Ik veerde op toen ik in een tijdschriftartikel las dat kantoormachinehandels in Seattle, Portland, Los Angeles en San Francisco de vraag naar opgeknapte mechanische schrijfmachines zagen groeien. Vooral de uitleg van de twintigers onder de klanten, die jonger zijn dan de pc en de Mac, was interessant: Ze vonden dat het echte schrijven beter plaatsvindt in een vorm van digitale retraite. Ze klaagden over de afleiding door YouTube, het web, sociale media, e-mail, muziek, en de eindeloze mogelijkheden tot lay-out van de digitale tekst. Wat schrijven betreft maakten ze een verschil tussen tekstverwerken, communiceren en echt schrijven. Voor dat laatste, waarmee ze persoonlijk getinte projecten bedoelden, leek hun de schrijfmachine het beste.

Niet veel later vond ik een video op Youtube waarin een kunststudente uit Minneapolis vertelt over een nieuwe passie. Lopend van de campus naar een koffiehuis waar ze vriendinnen zou ontmoeten, trof ze langs het trottoir een schrijfmachine aan. Tussen de vuilnisbakken, als afval. Ze was geschokt, want ook al was ze opgegroeid met computers en had ze nog nooit een regel geschreven aan een schrijfmachine, ze kon deze oude Remington niet voorbijlopen alsof het een oude mixer of stofzuiger was. Ze belde met haar vriendinnen dat ze niet kwam en droeg de loodzware kantoormachine naar huis. De camera, die ze eerst op zichzelf gericht had, werd de andere kant opgedraaid om de stemmig uitgelichte schrijfmachine in beeld te brengen. Een bakbeest, een crèmekleurige kantoormachine van rond 1960. Het ding maakte merkwaardig genoeg eenzelfde indruk als de studente zelf: zwaar, breed, bleek, aandoenlijk en eenzaam.

Onderwijl vertelde de studente dat ze hem helemaal schoongemaakt had, op het internet had gezocht naar de do’s and don’ts van het schoonmaken en opknappen van schrijfmachines, vervolgens een lintje besteld had en ten slotte begonnen was aan een project dat draaide om haar nieuwe liefde voor de schrijfmachine. Ze noemde hem Bernhard en deed research, maakte tekeningen, schreef aan de machine zelf over haar ervaringen, maakte foto’s en video’s. Ze probeerde te weten komen van wie hij was geweest en op basis daarvan speculeerde ze over alles wat er op de machine geschreven was gedurende de vijf decennia dat het ding bestond. Ze zocht ook contact met gelijkgestemden, vandaar de plaatsing van het filmpje op Youtube.

Ik ontdekte dat deze studente niet alleen was. Zo vond ik bijvoorbeeld een professioneel gemaakt filmpje van Karen Abad dat een liefdesverklaring is aan haar modern vormgegeven Olympia SM9 uit de jaren 60, een middelgrote, draagbare machine, die ze in een zonnige parkomgeving met bloesemende bomen en struiken met de camera uit alle hoeken besluipt, begluurt en streelt. Alsof het om haar kind of huisdier of minnaar gaat. Romantische muziek, macro-opnames, ritmische montage. Hier werd de schrijfmachine als een levend lichaam benaderd; speels en sensueel. Er hing een belofte in de lucht toen het filmpje was geëindigd.

Misschien, dacht ik, dat het mechanische de menselijke solidariteit aanspreekt, in een wegwerpeconomie waar elektronische apparatuur in plastic behuizing de norm is. We snappen mechanische machines. Ze delen met ons mensen de tragische aspecten van het lichamelijke. Het gevecht met de zwaartekracht, de slijtage die gewrichten sloopt, de strijd tegen vuil en vermoeidheid. Mensen kunnen herstellen van een kwetsuur of ziekte, en mechaniek kan worden gerepareerd. Ze zijn allebei afhankelijk van onderhoud en zorg. Mensen en mechanische machines kunnen hun werk doen, ook al verkeren ze in een onvolmaakte toestand. Oud, moe, verbogen, half kapot, ze doen het. Ze hebben desondanks hun waarde. 

Als elektronische apparaten een storing hebben of ondermaats presteren, worden ze geheel of gedeeltelijk vervangen. Of als het meezit, gerecycleerd. Het tempo van de elektronische vooruitgang ligt hoog. Voor onderhoud en reparatie van elektronica is weinig ruimte. Haar levensduur wordt niet gemeten in decennia, zoals die van mensen en mechanische apparaten, maar in maanden. Digitale machines zijn in feite alleen de wegwerpverpakking waarin de culturele en economische levensvorm huist die ze zo waardevol en machtig maakt, en die in niets op mensen of andere zoogdieren lijkt, omdat ze lichaamloos is: informatie, oftewel, software, code, algoritmes, data.

Waar het gaat om het communiceren van informatie, is de digitale technologie superieur aan die van het tijdperk van schrijfmachine en drukpers. Als je nuttige, belangrijke, economisch waardevolle gegevens en sociaal relevante meningen wilt noteren, zijn schrijfmachines inefficiënt. Die twintigers in Californië zeiden het heel scherp: echt schrijven is geen tekstverwerken of communiceren. En ze duidden dat echte schrijven aan als persoonlijke projecten. Echt schrijven, dat noemen ze de keren dat ze iets willen schrijven dat waarde op zichzelf heeft, en iets schept en vormgeeft in plaats van puur instrumenteel te zijn. Als schrijven zelfbewust wordt, dient het langzamer en zorgvuldiger te gebeuren, en voor die houding is de schrijfmachine blijkbaar het juiste gereedschap.

In 2007 publiceerde ik de utopische roman Het Middel waarvan de eerste versie helemaal ontstaan is aan een Alpina KBS (1956) en een Underwood Touchmaster Five (1961). Daarna kopieerde en herschreef ik de tekst op mijn laptop. In het boek komt een kleine Smith Corona schrijfmachine voor, de Skyriter, waarop niemand kan schrijven. Mijn hoofdpersoon gebruikt het ding als het objet de méditation. Hij gaat er geregeld voor zitten om de stilte en leegte die in het simpele en geduldig wachtende apparaat vervat is tot zich te nemen.

 

6.

Er is ten slotte nog een onvermoede sociale dimensie aan het nieuwe leven dat de schrijfmachine dankzij de digitale media heeft gekregen. Het mag duidelijk zijn dat de verzamelaars en hobbyisten veel handel, informatie en gezelligheid uitwisselen op het internet. Op ebay worden wereldwijd dagelijks duizenden schrijfmachines te koop aangeboden.

Interessanter zijn de ‘typecasters’, mensen die op hun weblogs foto’s en scans van typoscripten zetten. Ironisch genoeg is de term ‘typecast’ ontleend aan het jargon van computerprogrammeurs. Oorspronkelijk wordt ermee aangegeven dat een regel programmacode uit het ene programma wordt geciteerd in een ander programma. Een digitaal fremdkörper, zou je kunnen zeggen. En dat is een foto van een schrijfmachinetekst ook.

Wie zijn die typecasters? Er zijn literatuurdocenten bij die op die manier verslag doen van hun experimenten om studenten essays en gedichten op schrijfmachines te laten schrijven. Er blijkt steeds weer een wonderlijk enthousiasme bij digitale inboorlingen voor de rauwe fysieke kwaliteit van het schrijven aan een schrijfmachine. Dan zijn er de amateurdichters en -schrijvers. Mensen die in het dagelijks leven bij computerbedrijven, tijdschriften, kantoren of archieven werken. Maar ook balorige types, die absurde en vaak scabreuze minivertellingen plaatsen, schots en scheef getypt met half werkende machines.

Er is een gepensioneerde elektrotechnicus uit Albuquerque, Joe Van Cleave, die zijn leven lang een goed amateurfotograaf is geweest en nu met en zonder schrijfmachine zijn beschouwingen deelt over (digitale) fotografie, zijn ontmoetingen op straat en op reis, zijn experimenten met zelfgemaakte lensloze chemische camera’s. Boeiende beelden en teksten van een heldere, onafhankelijke geest. Dan is er een filosofieprofessor uit Cincinnati, Richard Polt, van de blog Writingball, die een enorme verzameling schrijfmachines heeft, die vrijgevig en geestig zijn kennis deelt, en die soms ook korte prikkelende bespiegelingen tikt over het lot van de schriftcultuur en het literaire schrijven in de 21ste eeuw.

Er zijn typecasters uit alle delen van de Verenigde Staten, Engeland, Zwitserland, Oostenrijk, Australië en Nederland. De even buiten Seattle, Washington State woonachtige Sheryll Lowry heeft de afgelopen jaren het initiatief genomen een papieren ‘zine te maken dat helemaal gevuld is met bijdragen van typecasters. Het heet Silent Type*6* en bevat de op papier gedrukte digitale scans van getypte vellen met verhalen, essays en gedichten, aangevuld met foto’s en collages. Er zijn twee afleveringen van verschenen. Ik schrijf hierover als deelnemer, laat dat duidelijk zijn. Bijdragen van mijn hand verschenen in Silent Type. En ik heb de afgelopen drie jaar een weblog (dirkvanweelden.net) waar ik typecasts op zet. Soms in het Engels, of begeleid door een Engelse vertaling om de kameraden in de zogenaamde Typosphere ter wille te zijn.

Een van de boeiendste manieren waarop ik de laatste jaren een schrijfmachine gebruik is bij het maken van een schrijfmachineportret. Ik zoek iemand op in zijn of haar eigen omgeving, en spreek af dat ik een half uur later klaar ben. De afspraak is: een enkel A4 met een ter plekke geïmproviseerde tekst, die als een geschreven polaroid werkt. Een momentopname.

Behalve een vel papier draai ik een tweede vel en een carbonvel in de machine, om zelf een kopie te hebben. Dan begint het gesprekje. Opmerkingen over de schrijfmachine negeer ik. Meestal stel ik maffe vragen, die de geportretteerde op het verkeerde been zetten, zonder bedreigend over te komen. Een Indiase zakenman vroeg ik of hij zich het hiernamaals voorstelde als een eeuwig durende cricketmatch, bijvoorbeeld. Een jonge Roemeense reclamemaakster of ze dacht dat God van geld hield. Ik vraag ook naar mensen hun relatie met paarden. Meestal beginnen ze uit zichzelf over heel andere, veel boeiender onderwerpen en herinneringen. Ondertussen kijk ik naar lichaamstaal, ogen, de inrichting van de kamer, let ik op de klankveranderingen in de stem en gebruik ik mijn voorstellingsvermogen om over hun herkomst of verlangens te speculeren.

Als de tijd voor 50% verstreken is, begin ik te typen. Ik gebruik spaties, witregels, onderstrepingen en andere typografische trucs om het beeld van het portret te verlevendigen. Als het af is, overhandig ik het origineel en berg de kopie weg.

De eenvoud en onmiddellijkheid van een mechanische schrijfmachine geven aan de opzet een theatraal effect. Het is spannend, omdat je geen typefouten kunt maken en degene over wie je schrijft pal tegenover je zit. Het is alsof je improviseert op een muziekinstrument. Je zit in de ontmoeting die je per hamerslag in tekst omzet en vertrouwt op de schrijfmachine om de nodige afstand en concentratie op te brengen.

Mijn weblog met typecasts, de schrijfmachineportretten, het gebruik van schrijfmachines bij het maken van essays, verhalen en romans, alles bij elkaar beschouw ik het als pogingen om een transdigitale schrijfmachine in het leven te roepen, een hybride van mechanica, digitale media en fysieke gebeurtenissen. Het transdigitale gebruik van de schrijfmachine is een manier om het vrije, literaire schrijven te beoefenen en te delen, dwars door de digitale cultuur heen. Want dat iets economisch en technisch overbodig is geworden, betekent niet dat het niet bruikbaar zou zijn en geen eigen waarde heeft. De schrijfmachine is dankzij de digitalisering, die hem een eeuw na zijn introductie overbodig maakte, aan een tweede cultureel leven begonnen.