Koen Brams, Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

‘Ik geloof niet dat de computer kunst kan maken’

Interview met Luc Steels over de computer en de kunsten, en over IJsbreker 20: Computerkunst (1984)

Koen Brams & Dirk Pültau: Naar aanleiding van jouw deelname aan een aflevering van het programma IJsbreker over computerkunst, uitgezonden op 24 oktober 1984, willen we het met jou hebben over jouw visie op de relatie tussen de computer en de kunsten. We weten dat je in de jaren 70 actief was in de kunstwereld in België en dat je computerwetenschappen hebt gestudeerd. Het jaar voor je optreden in IJsbreker had je aan de VUB een laboratorium voor artificiële intelligentie opgericht. Kan je vertellen hoe je met de computerwetenschappen in aanraking was gekomen?

Luc Steels: Ik ben daar omzeggens ingerold. Van 1969 tot 1973 heb ik Germaanse filologie gestudeerd, eerst aan het Ufsia (1969-1971) en vervolgens aan de pas opgerichte UIA (1971-1973), de Universitaire Instelling Antwerpen, gevestigd in Wilrijk, waar ik tot de allereerste lichting behoorde. In de licenties aan de UIA koos ik de optie Nederlands, met als specialisatie taalkunde. Ik had een grote interesse voor taal. Misschien had dat met de tijdgeest te maken? Ook de conceptuele kunstenaars hadden belangstelling voor de structuur en de filosofie van de taal. Op een goede dag vertelde een huisgenoot, die sociologie studeerde, dat in zijn faculteit een vak computerwetenschappen gedoceerd werd. Hij wilde die cursus volgen en vroeg of ik ook geïnteresseerd was. Dat moet in 1971 of 1972 zijn geweest.

K.B./D.P.: Had je voordien al belangstelling voor computers?

L.S.: Nee, helemaal niet! Het klinkt vreemd als je weet waar ik uiteindelijk ben beland, maar vóór ik dat vak ging volgen, zat ik in een compleet andere wereld. Tijdens mijn licenties op de UIA was ik preses cultuur van de studentenvereniging en hield ik me bijna dagelijks bezig met het organiseren van tentoonstellingen, performances, concerten… Je kan achteraf misschien zeggen dat taalkunde en computers niet zo ver van elkaar liggen, maar op dat moment was er geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht dat mijn toekomst in de computerwereld zou liggen.

K.B./D.P.: Wat bewoog je dan om een vak computerwetenschappen te volgen?

L.S.: Misschien is dat de aard van het beestje? Alles wat nieuw was, wekte mijn nieuwsgierigheid – ook in de kunst was ik altijd op zoek naar de nieuwste trends en fenomenen. En net zoals in de kunst was mijn honger niet gestild door er een boek over te lezen. Ik wilde met computers aan de slag.

K.B./D.P.: Betrof jouw scriptie een onderwerp dat in verband stond met computerwetenschappen?

L.S.: Het precieze onderwerp van mijn scriptie herinner ik mij niet meer. Wel ben ik zeker dat ze over taalkunde handelde. Na mijn studies ben ik dan ook assistent Nederlandse Taalkunde geworden.

K.B./D.P.: Wie was jouw diensthoofd?

L.S.: De linguïst Georges De Schutter. Hij liet mij vooral m’n gang gaan. Van computers had hij geen kaas gegeten. Hij heeft me wel een grote liefde voor de studie van taal bijgebracht.

K.B./D.P.: Hoe heb je je dan verder bekwaamd in de computerwetenschappen?

L.S.: Aan de UIA werd een vak in de computerwetenschappen gedoceerd door Jacques Noël, een specialist informatica uit Luik. Hij kwam uit de hoek van de Information Retrieval (IR) en had het onder meer over Terry Winograd. Dat maakte mij nieuwsgierig. In de zomer van 1974 heb ik Winograd ontmoet tijdens een geweldige summer school, de ‘International Summer School on Computational and Mathematical Linguistics’ in Pisa. Het was een onvergetelijke ervaring. Een aantal van de meest vooraanstaande Amerikaanse computerwetenschappers waren er te gast. Vanaf die zomer van 1974 nam mijn leven definitief een andere wending en wist ik dat mijn toekomst daar lag. Ik ben in die tijd dan ook aan een proefschrift in de computerwetenschappen begonnen. Door de confrontatie met Amerikaanse wetenschappers werd mij eveneens duidelijk dat ik vroeg of laat naar de Verenigde Staten moest trekken indien ik in die wereld iets wilde betekenen.

K.B./D.P.: Wat was het onderwerp van je proefschrift?

L.S.: De titel van mijn proefschrift luidt Aspects of a modular theory of language. Het betrof een studie over parsing, meer bepaald de ontwikkeling van een computerprogramma voor zinsontleding. Hugo Brandt Corstius trad op als promotor.

K.B./D.P.: Hoe was je bij hem terechtgekomen?

L.S.: Ik ben in samenspraak met De Schutter op zoek gegaan naar een promotor. Door allerlei conferenties bij te wonen en onderzoekers naar Antwerpen uit te nodigen om lezingen te geven, had ik het terrein verkend. Zo ben ik uiteindelijk bij Hugo Brandt Corstius uitgekomen, die op dat moment als computertaalkundige verbonden was aan de Vakgroep Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Eigenlijk was Brandt Corstius in de Nederlanden zowat de enige die in aanmerking kwam om voor een onderzoek als het mijne als promotor op te treden.

K.B./D.P.: Hoe liep de samenwerking?

L.S.: Veel heb ik aan Brandt Corstius niet gehad. Hij had immers geen tijd. Dat vond ik niet erg. Het was juist prettig dat hij me vrij liet in wat ik wilde doen. Mijn onderzoek was behoorlijk gesofisticeerd. Makkelijk werken was het evenwel niet.

K.B./D.P.: Waarom niet?

L.S.: Vooral de infrastructuur was nog erg rudimentair. Aanvankelijk was er niet eens een computer op de UIA. Pas na een jaar werd in het rekencentrum van de universiteit een machine geïnstalleerd, een PDP 11, en het duurde nog een tijd voor ik dat toestel mocht gebruiken. Ik kon er enkel ’s nachts op werken, als het vaste personeel naar huis was. Alles gebeurde bovendien nog met ponskaarten. Je kan je niet voorstellen hoeveel geduld wij hadden in die tijd.

K.B./D.P.: Was je ondertussen nog met kunst bezig?

L.S.: Ik heb zeker nog aan verschillende events deelgenomen, onder meer met de Dr. Buttock’s Players Pool, een collectief met wisselende samenstelling dat door mij was opgericht en waarbij onder anderen Ria Pacquée en Marc Holthof betrokken zijn geweest.

K.B./D.P.: Wanneer ben je dan uit de kunst gestapt?

L.S.: Ik ben nooit uit de kunst gestapt! Een dergelijke beslissing heb ik nooit genomen. Overigens, het beste bewijs dat ik de kunst niet losgelaten heb, is dat ik de avond na de verdediging van mijn proefschrift een performance heb uitgevoerd in het fort van Wilrijk, samen met Hugo Roelandt, Narcisse Tordoir en nog enkele andere kunstenaars. De kunst is nadien wat op de achtergrond geraakt omdat ik helemaal geobsedeerd raakte door de wetenschap en er voor artistieke nevenactiviteiten geen tijd meer was. Wetenschap kan enorm opslorpend zijn. Je hebt elke minuut nodig om iets te kunnen betekenen in je vakgebied.

K.B./D.P.: Wat heb je na je verdediging van je doctoraat gedaan?

L.S.: Ik ben kort daarna naar de Verenigde Staten getrokken om aan het Massachusetts Institute of Technology te gaan studeren. Ik gaf het al aan: sinds die summer school in Pisa wist ik dat de VS het beloofde land was op het vlak van de computerwetenschappen.

K.B./D.P.: Waarom koos je voor het MIT?

L.S.: Die beslissing is geleidelijk tot stand gekomen. In de periode dat ik werkte aan mijn proefschrift leerde ik dat er twee plekken waren die koplopers waren op informaticagebied: het Computer Science and Artificial Intelligence Laboratory (CSAIL) van het Massachusetts Institute of Technology en het Stanford Artificial Intelligence Laboratory (SAIL). Via de Belgian American Educational Foundation (B.A.E.F.), die beurzen uitreikt in het kader van de uitwisseling tussen België en Amerika, kon ik een beurs bemachtigen als research fellow, voor een periode van twee jaar. Na een selectie mocht ik zelfs mijn voorkeur uitspreken voor een van de twee genoemde plekken. Mijn keuze viel op het MIT, vlakbij Boston – het AI-lab in Stanford was een even valabele keuze geweest.

 

AI-subcultuur

K.B./D.P.: Hoe was het om in Boston aan te komen?

L.S.: Dat was een serieuze schok.

K.B./D.P.: Vertel eens.

L.S.: Al die mensen die ik kende in Antwerpen, heel dat netwerk… dat viel plots helemaal weg. Het was naar adem happen. Ik moest terug voet aan de grond krijgen. Daarbij kwam dat ik van het ene op het andere moment in het meest geavanceerde laboratorium ter wereld terechtkwam. Het was duidelijk dat ik serieus moest bijbenen. Ik heb dan beslist om terug te gaan studeren.

K.B./D.P.: Je hebt je opnieuw als student ingeschreven?

L.S.: Ja, ik heb alle vakken van de masters in de computerwetenschappen van het MIT gevolgd en er examens over afgelegd, om mijzelf te dwingen de opgelopen achterstand in te halen. Je kan je niet voorstellen hoe hard ik gewerkt heb in die jaren. Dat deed trouwens iedereen in het MIT.

K.B./D.P.: Kan je de sfeer in het instituut beschrijven? Wat was het MIT voor een plek?

L.S.: Een enorm stimulerende plek! Iedereen werkte de klok rond. Op elk moment van de dag gonsde het van de activiteit. Wat de sfeer in het MIT nog het meest typeerde, was de centrale ruimte in het instituut. Ze werd the playroom genoemd. Er lagen een tapijt en kussens zodat je op de grond kon gaan liggen. Alles was er beschikbaar om te bouwen wat je maar wilde: voorzieningen voor mechanische en elektrische toestellen, robotica… Het devies van het MIT luidde dat er geen limieten zijn, behalve de limieten van je eigen verbeelding. Probeer maar uit, experimenteer naar hartelust, en zie waar je uitkomt, dat was de mentaliteit. Ik heb er een fantastische tijd gehad. Wel was het jammer dat ik te geïsoleerd zat om de kunstactualiteit te volgen. Ik heb slechts sporadisch interessante dingen gezien.

K.B./D.P.: Boston beschikt nochtans over een stevige culturele infrastructuur, of niet?

L.S.: Je had inderdaad een instelling als het ICA in Boston, maar er waren weinig interessante galeries, en van een performancecultuur zoals die bestond in Antwerpen was evenmin sprake. Ik miste de levendige voedingsbodem die ik in Antwerpen had gekend. Bovendien was de afstand met New York groot. In 1980 ben ik naar Connecticut dichtbij New York verhuisd om er aansluiting te zoeken bij de plaatselijke kunstscene, maar jammer genoeg is dat nooit gelukt. Ik heb wel een andere avant-garde in Amerika leren kennen, niet in de kunst, maar in de computerwereld. In de aftandse lofts van Boston woonde een groep mensen, onder wie een aantal van mijn medeonderzoekers in het MIT, die zich van de meest geavanceerde technologie hadden voorzien.

K.B./D.P.: Wat deden zij precies?

L.S.: Ze ontwikkelden computernetwerken en community memories. Zij waren het internet aan het uitvinden! Ze droomden van de totale democratisering van de computer. Je moet je voorstellen dat een computer in die tijd nog een geheimzinnig apparaat was dat enkel door lieden in witte stofjassen mocht worden gebruikt. Daar gingen ze tegenin. In hun ogen moest iedereen van jong tot oud een computer kunnen gebruiken. Ze waren maniakaal bezig met de ontwikkeling van de technologie die dat mogelijk moest maken en het ongelooflijke daarbij was dat het geen moment in hen opkwam dat ze rijk zouden worden of geschiedenis aan het schrijven waren. De computerwereld van Boston was een rasechte subcultuur, vergelijkbaar met wat ik in Antwerpen had gekend. Het ging om eenzelfde soort alternatieve leefcultuur, alleen was ze in Boston en Cambridge met nieuwe technologie verbonden. Die jonge computerwetenschappers hielden er vaak ideeën op na die vandaag nog radicaal zouden worden gevonden.

K.B./D.P.: Kan je daar voorbeelden van geven?

L.S.: Een van mijn collega’s was Danny Hillis. Hij woonde ook in een loft. Hij bedacht bijvoorbeeld een toestel om over het water te lopen. Hij heeft dat toestel ook gebouwd – hij is namelijk ingenieur. Wat later vatte hij het plan op om een computer met 1 miljoen processoren te bouwen – je moet je voorstellen dat de gloednieuwe computer op mijn bureau over welgeteld vier processoren beschikt. Met behulp van de meest geavanceerde chip design slaagde hij erin een computer met ‘slechts’ 64.000 processoren te bouwen. Een model van die machine bevindt zich nu in het MoMA te New York – de computer heeft een merkwaardige vorm: aan de buitenkant ziet hij eruit als een zwarte kubus met rode lichten, en als je hem opent zie je de processoren zitten. In het MIT zat het vol met jongelui van mijn leeftijd die om de haverklap met waanzinnige ideeën kwamen aandraven en die nog uitvoerden ook. Heel veel van de verworvenheden waarvan we nu profiteren, zijn voorbereid in de lofts van Boston – of in het AI-lab van Stanford, Palo Alto. De jaren 70 waren een van de meest creatieve fasen uit de geschiedenis van de computerwetenschappen, vooral op het vlak van de ontwikkeling van nieuwe technologie voor alledaags gebruik. Aan de westkust had je bijvoorbeeld Stewart Brand, het brein achter de Whole Earth Catalogue, of Alan Kay, die de programmeertaal Smalltalk bedacht. Ik had me graag nog een tijdje verder ontwikkeld in die omgeving. Ik had zelfs plannen om een tweede doctoraat te schrijven – tot bleek dat mijn vrouw zwanger was. Ik deed er dus goed aan om een job te zoeken.

K.B./D.P.: Waar ben je terechtgekomen?

L.S.: Ik heb nog even overwogen om samen met Alan Kay bij Xerox te gaan werken, maar uiteindelijk ben ik via Marvin Minsky terechtgekomen bij een bedrijf dat werkzaam was in de geofysica. Het hield zich bezig met het bepalen van de ligging en het opmeten van olievelden. Ik ben er vrij snel teamleider geworden. Het was een heel bijzonder bedrijf. Ook in de industriële wereld gebeurden toen spannende dingen met computers. In 1983 ben ik echter naar België teruggekeerd.

K.B./D.P.: Waarom?

L.S.: In de eerste plaats omwille van onze dochter. We wilden dat ze in België school liep. Ik ben aan de Vrije Universiteit Brussel aan de slag gegaan.

K.B./D.P.: Hoe ben je daar precies terechtgekomen?

L.S.: Ik gaf al computertaalkunde aan de VUB toen ik nog in Amerika verbleef. Op een gegeven moment kwam er een plaats voor een hoogleraar in de computerwetenschappen vrij. Ik heb me kandidaat gesteld, met succes.

 

Back in Belgium

K.B./D.P.: Hoe was het om naar België terug te keren?

L.S.: Tamelijk hallucinant. Wat een contrast met Cambridge! Op alle terreinen van de wetenschap, niet alleen in de computerwetenschappen, maar bijvoorbeeld ook in de biologie en in de fysica werden er de bakens verzet. In Brussel daarentegen duurde het een half jaar vooraleer ik de beschikking kreeg over een lokaal. Toen ik mijn oversten erop wees dat het de bedoeling was om een computerlaboratorium op te starten, kreeg ik het voorstel om in het rekencentrum te gaan werken. Een rekencentrum! Dat was totaal niet meer aangepast aan de nieuwste technologie van dat moment. Dat was iets van de jaren 70.

K.B./D.P.: Men wilde jou dus wel een post als computerwetenschapper aanbieden…

L.S.: …maar men dacht dat ik genoeg had aan een bureau. Je moet weten dat de computerwetenschappen aan de VUB onder het departement wiskunde ressorteerden. Mijn collega’s wiskundigen hadden geen idee van wat het runnen van een laboratorium inhield. Zij benaderden informatica op een totaal andere manier dan ik, die mijn opleiding in de Verenigde Staten had genoten. Er is namelijk een groot verschil tussen de Europese en de Amerikaanse computerwetenschappen.

K.B./D.P.: Kan je dat toelichten?

L.S.: In Europa is de informatica geworteld in de wiskunde. Ze is erg theoretisch gericht. Sommige Europese informatici – het voorbeeld bij uitstek is de Nederlander Edsger Wybe Dijkstra (1930-2002) – vonden dat je aan computerwetenschappen kon doen zonder een computer te gebruiken. Ze maakten er zelfs een erezaak van! Dijkstra vond dat je niet het recht had om te programmeren als je geen doctoraat in de wiskunde had, en eiste dat je de wiskundige correctheid van je programma kon bewijzen. Die mentaliteit verschilde enorm van de praktijk die ik in het MIT had leren kennen. Daar werd juist een pragmatische aanpak gehuldigd. De computer werd er zo toegankelijk mogelijk gemaakt. Je werkte met trial and error… Het maken van fouten was toegelaten; een fout werd immers beschouwd als een kans om bij te leren. Ik kon aan de VUB totaal niet opschieten met de wiskundigen van mijn departement. Mede daardoor ben ik de middelen om het laboratorium te financieren elders moeten gaan zoeken.

K.B./D.P.: Waar heb je geld gevonden?

L.S.: Bij de Europese commissie, die geld vrijmaakte voor wetenschappelijke projecten. Ook onze tijdelijke projecten werden met Europese middelen bekostigd. Na een tijdje konden we ook af en toe een beroep doen op het FWO (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek) en het IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie). Zo’n financiering heeft natuurlijk nadelen. Doordat je volledig drijft op tijdelijke projecten kan je geen langetermijnwerking opbouwen. Ik was voortdurend bezig met het schrijven van proposals. Er kroop enorm veel energie in de bureaucratische rompslomp en in allerlei manoeuvres – energie die in feite naar het wetenschappelijk onderzoek had moeten gaan.

K.B./D.P.: Hoelang heb je aan de VUB gewerkt?

L.S.: Ik ben nog steeds aan de VUB verbonden, maar sinds 1996 ben ik slechts deeltijds tewerkgesteld. In datzelfde jaar ben ik namelijk directeur geworden van het Sony Computer Science Laboratory in Parijs.

K.B./D.P.: Ondanks de door jou geschetste moeilijkheden lijkt het AI-lab van de VUB een stevige reputatie te hebben opgebouwd…

L.S.: We hebben inderdaad op heel wat terreinen baanbrekend werk verricht: inzake kennis- en expertsystemen, op het terrein van de robotica… Daarnaast heb ik van bij de aanvang ook kunstenaars in het AI-lab laten werken. Ik heb ook een computermuziekfestival georganiseerd. Ik wilde namelijk de draad met de kunst terug oppikken.

K.B./D.P.: Welke kunstenaars hebben zoal in het AI-lab gewerkt?

L.S.: Onder andere Anne-Mie Van Kerckhoven. Anne-Mie had overigens al in 1977 een animatiefilm gemaakt over de ideeën in mijn proefschrift. Ze heeft zich in het AI-lab toegelegd op het maken van tekeningen met behulp van de computer.

 

IJsbreker

K.B./D.P.: Weet je nog wie jou voor IJsbreker heeft gecontacteerd?

L.S.: Ik vermoed Jef Cornelis zelf? Ik kan het niet met zekerheid zeggen.

K.B./D.P.: In IJsbreker ben jij samen met de Nederlandse componist Dick Raaijmakers te gast in de videoroom te Brussel. Op de twee buitenlocaties bevinden zich Peter Beyls in het gezelschap van de ‘computermusicus’ Rudi Blondia (in Beyls’ woning te Gent) en de Nederlandse kunstenaar Peter Struycken (te midden van diens retrospectieve in het Groninger Museum). Raaijmakers had een stevige reputatie opgebouwd met experimenten in de computermuziek.

L.S.: Voor de uitzending kende ik hem evenwel niet. Ik was wel vertrouwd met de componisten en musici die werkten in het IPEM (Institute for Psychoacoustics and Electronic Music) te Gent, zoals Karel Goeyvaerts, of zoals Joris De Laet, die daarnaast een studio voor experimentele en elektronische muziek uitbaatte. Ik stond al sinds de jaren 70 met hen in contact. In die tijd was ik immers zelf met elekronische muziek bezig.

K.B./D.P.: Ook jouw gewezen promotor Hugo Brandt Corstius was gevraagd om aan de uitzending deel te nemen.

L.S.: Is dat zo? Dat wist ik niet.

K.B./D.P.: Opvallend is dat alleen de beeldende kunst en de muziek aan bod komen in de uitzending. Op een document dat zich in het archief van Pol Hoste bevindt, komt weliswaar de naam van Gerrit Krol voor, die zich onder meer bezighield met computergegenereerde poëzie, maar voor zover bekend werden geen pogingen ondernomen om een schrijver voor het programma te engageren.

L.S.: Gerrit Krol kende ik eveneens al geruime tijd. Tijdens mijn studententijd aan de UIA hebben Marc Verreckt en ik hem uitgenodigd om een lezing te komen geven, tot grote ontstentenis van Paul De Wispelaere, die Nederlandse literatuur doceerde. Wij – dat wil zeggen: Marc Verreckt en ik – wilden meer directe interactie met auteurs en besloten het heft in eigen handen te nemen.

K.B./D.P.: Krol had toen net APPI uitgebracht, een essay over poëzie die met de computer wordt gemaakt.

L.S.: Dat was evenwel niet de reden om hem uit te nodigen. Ik was nog niet met computers bezig. Het was overigens vooral Marc Verreckt die in experimentele literatuur geïnteresseerd was.

K.B./D.P.: Ben jij geconsulteerd over mogelijke deelnemers aan de IJsbreker-aflevering over computerkunst?

L.S.: Nee.

K.B./D.P.: Stel dat men jou om suggesties had gevraagd… welke mensen zou je hebben voorgesteld? Wie vond jij toen interessant op het terrein van de computerkunst?

L.S.: Een van de mensen die ik kende was Harold Cohen, die met een robot tekeningen maakte op de vloer en onder meer aan Documenta 6 (1977) had deelgenomen. Ik heb hem uitgenodigd voor een van de conferenties die ik met het AI-lab van de VUB georganiseerd heb. Niet dat ik zo wild was van zijn tekeningen… Over het algemeen sta ik trouwens nogal kritisch tegenover de resultaten van de zogenaamde computerkunst.

K.B./D.P.: Ook in IJsbreker stel jij je terughoudend op. Je stelt bijvoorbeeld kritische vragen met betrekking tot de plaats van het esthetische oordeel en de verantwoordelijkheid van de kunstenaar – is het de machine of de kunstenaar die beslist, en hoeveel laat je aan de machine over?

L.S.: Klopt. Wat mij vandaag enorm stoort, is de idee die bij veel ‘computerkunstenaars’ leeft dat de computer kunst kan maken. Ik geloof niet dat dat mogelijk is. Ik betwijfel sterk of het ooit mogelijk zal zijn.

K.B./D.P.: Wat je nu aansnijdt, lijkt zowat het spiegelargument van wat je in IJsbreker aanvoerde. In het geval van Struycken stelde je namelijk de noodzaak om met de computer te werken in vraag. Nadat Struycken uitlegde dat hij altijd vooraf wist wat hij wou, vroeg jij: ‘Je zou het dus evengoed met de hand kunnen schilderen en met de hand berekenen als het niet lang zou duren?’ Nu stoor jij je aan kunstenaars die denken dat de computer kunst kan maken.

L.S.: Ja, en wat me daarbij het meest stoort, is dat zij niet op de hoogte zijn van de kunstactualiteit en geen affiniteit hebben met kunst. Ik heb de laatste jaren in het lab van Sony verschillende onderzoekers over de vloer gehad die kunst wilden maken met de computer. Een van hen ontwikkelde een programma om tekeningen te maken. Over hedendaagse kunst wist hij evenwel niets. Bovendien wilde hij alles tonen wat de computer produceerde. Hij weigerde om keuzes te maken. Hij was daar allicht ook niet toe in staat, omdat het hem aan de nodige artistieke sensibiliteit ontbrak. Een andere onderzoeker beweerde dat hij een stuk ‘zoals Mozart’ had gecomponeerd. Hij had daartoe honderden stukken van de Oostenrijkse componist in een computer gestoken en met behulp van een programma de regelmatigheden geanalyseerd. Vervolgens kwam hij door het synthetiseren van die regelmatigheiden tot muziek die ‘als Mozart’ klonk – tenminste voor diegene die niet de sensibiliteit heeft om het unieke karakter van Mozarts muziek te onderscheiden. Het is niet moeilijk om zoiets te doen. Je kan een computer zonder enig probleem beelden laten genereren die pakweg op de schilderijen van Mondriaan lijken. Moeilijk is dat niet, alleen is het naast de kwestie. Mondriaans werk is immers ontstaan vanuit een geduldig zoeken naar het juiste evenwicht, en het steunt op een uitgewerkte filosofie. De mensen die dergelijke computersimulaties maken, hebben daar doorgaans geen flauw benul van. Ze missen de elementaire gevoeligheid om kunst te ervaren en te maken.

K.B./D.P.: Er is evenwel een belangrijk verschil tussen de ‘computerkunstenaars’ die in IJsbreker optraden en de mensen waarmee jij vandaag te maken hebt: in het eerste geval ging het om kunstenaars die een nieuw medium verkenden, in het laatste geval gaat het om wetenschappers die plots kunst willen maken. Dat doet de vraag rijzen waarom wetenschappers per se kunstenaar willen worden.

L.S.: Daar heb ik op zich geen problemen mee. Ik begrijp dat wetenschappers hun discipline te eng vinden en ruimere horizonten willen opzoeken. Ik vind wel dat ze zich beter geen kunstenaar noemen. Als ze toch willen kunstenaar zijn, dan eis ik dat ze hun artistieke praktijk even ernstig nemen als hun wetenschappelijk werk. Daar wringt het schoentje.

K.B./D.P.: De verklaring voor het fenomeen zou er precies in kunnen liggen dat het wetenschappelijke bedrijf te eng is… en zodoende verlangens worden gewekt naar een andere plek, de kunst.

L.S.: Denken jullie dat er zoveel wetenschappers zijn die vandaag kunst willen beoefenen?

K.B./D.P.: Het lijkt in elk geval een trend. Denk aan de vele manifestaties rond kunst en wetenschap de laatste jaren… Het loopt behoorlijk de spuigaten uit.

L.S.: Ik word zelf regelmatig op dat soort events uitgenodigd en wat ik te zien krijg, overtuigt me allerminst. De reden daarvoor sluit aan bij wat ik zonet aanhaalde: de techniciteit neemt de bovenhand op het artistieke. Het probleem is dat de computers van vandaag zoveel kunnen. Je kan er beelden mee maken waarvan je achterover valt… maar daarmee heb je natuurlijk nog geen interessante kunst.

K.B./D.P.: Het merkwaardige is dat jij computerkunstenaars in je lab hebt laten werken of hebt uitgenodigd, en zelfs een computermuziekfestival hebt georganiseerd… terwijl geen enkele kunstenaar jou kennelijk heeft overtuigd dat computer en kunst met elkaar te verzoenen zijn.

L.S.: Toch wel. Ik vind dat het wel kan zolang je de computer als een instrument gebruikt, zoals Anne-Mie Van Kerckhoven doet. In dat geval functioneert de computer als de pen en het papier van het digitale tijdperk.

K.B./D.P.: Aan het einde van IJsbreker maak je een verrassende en weinig gehoorde opmerking. Je zegt er: ‘Ik zou er nog aan willen toevoegen dat in wetenschappelijk onderzoek die esthetische criteria evengoed een belangrijke rol spelen.’

L.S.: Daar ben ik nog steeds van overtuigd. Ik vind dat de resultaten van wetenschappelijk werk een esthetische kwaliteit kunnen hebben. Programmeertalen bezitten vaak een bepaalde stijl. Een goed programma heeft een zekere schoonheid. Er zijn ook onderzoekers die prachtig werk maken – zonder dat ze pretenderen kunstenaar te zijn.

K.B./D.P.: Wanneer heb je dat inzicht voor het eerst gehad?

L.S.: Dat is proefondervindelijk gegroeid. Door langdurig aan dingen te werken, merk je dat ze beter en… ja, mooier worden. Ik zie het ook in werk van anderen. Of neem een wiskundige vergelijking. Bij wiskundige vergelijkingen duurt het soms decennia vooraleer ze hun definitieve vorm hebben gevonden – zelfs de letterkeuze komt pas na een lange tijd vast te liggen.

K.B./D.P.: Is het een kwestie van ‘less is more’? Is dat wat jou aantrekt?

L.S.: Nee, het gaat om de coherentie, om het evenwicht. Vergelijk het met muzikanten die samenspelen. Ook zij hebben soms de ervaring dat plots alles in de juiste plooi valt. Van een mooie vergelijking of een coherent programma kan een grote kracht uitgaan. Voor mij is dat een ontegensprekelijk bewijs dat esthetische criteria een cruciale rol spelen in de kwaliteit van wetenschappelijk werk. Jammer genoeg zijn er weinig mensen in mijn vak die een dergelijke vorm van schoonheid weten te appreciëren.

 

Transcriptie & redactie: Dirk Pültau

Met dank aan argos voor het beeldmateriaal.