Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Manfred Pernice. Brei.

In april 2001 schreef The New York Times over het werk van Manfred Pernice: ‘One sorts through the possible meanings of this work like a detective sifting evidence.’ Dat blijkt in het S.M.A.K., waar de eerste solotentoonstelling van Pernice in België wordt gehouden, niet anders. Het onderzoek begint aan de linkerkant van de zaal op de eerste verdieping, die met een grote glaspartij op het Gentse Museumplein uitgeeft. De ingang van die zaal wordt al jaren half geblokkeerd door de grote betonnen sculptuur Ich-Du van Bernd Lohaus uit 1979. Nu blijkt dit werk gedeeltelijk ingepakt met gipsplaat. De naar de zaal gerichte zijde is nog deels zichtbaar achter een lattenrooster. Enkel het opschrift ‘DU’ is te lezen. Waarom? Is het werk in restauratie? Nergens wordt er toelichting gegeven – niet in de zaaltekst, niet door een bordje aan de muur, niet in het grondplannetje van de expositie. Navraag bij de suppoost leert dat de ‘omhulling’ van Ich-Du een ‘ingreep’ is die deel uitmaakt van Brei, de tentoonstelling van Pernice. Een vraag om toelichting wordt door de suppoost – begrijpelijkerwijze – op schouderophalen onthaald.

Het blijft niet bij dit eerste vormelijke raadsel. Al meteen blijkt dat de zaaltekst nagenoeg onbruikbaar is bij het zoeken naar betekenissen of intenties, niet in de laatste plaats omdat er nauwelijks een individueel werk bij naam wordt genoemd. In de plaats daarvan staan er algemene beweringen, die op heel wat kunst van toepassing zijn, zoals: ‘Want bovenal is Pernices werk een ontwerp voor voorstellingen van de dagelijkse realiteit’, of: ‘De kracht van zijn werk schuilt immers in de onvoltooide staat, het zichtbare maakproces en het veranderlijke karakter’, of: ‘Het is Pernice dus voornamelijk te doen om de act van het positioneren.’ De catalogus wordt pas gepubliceerd als de tentoonstelling alweer is afgelopen, en Pernice is blijkbaar niet bereid gevonden om toelichting te geven (of het S.M.A.K. heeft hem die kans niet gegeven). De bezoeker staat er alleen voor, oog in oog met dit werk, waarvan de weerbarstigheid intrigeert – maar helaas ook frustreert.

In het midden van de zaal bevindt zich een werk dat het S.M.A.K. in 1998 aankocht: D&A-Punkt. Met wat goede wil doet de cirkelvormige houten sculptuur aan een onafgewerkte televisiekast denken. Tegen de muur staan een bruine fauteuil en enkele stoelen die uit een wachtzaal van een station lijken te komen. In het rechtergedeelte van de zaal staat een eveneens cirkelvormig paviljoen, dat een uitvergroting lijkt te zijn van D&A-Punkt. Deze constructie heet Tutti, is onderverdeeld in vier sectoren en bevat in het midden een smalle draaitrap. Tegen de wanden van dit paviljoen is een minitentoonstelling opgezet, met anonieme voorbeelden van architectuur of vormgeving, die associatief met elkaar verbonden zijn. Zo groepeert Pernice onder de titel ‘Cubism of the Everyday’ suikerklontjes, kubusvormige kussens, puzzelstukjes uit Tetris, en informatie over een linoleumfabriek, terwijl in de hoek twee meeneemkoffies op een ronddraaiend platform staan – als een reeks schaalmodellen van Tutti zelf. Op een tafeltje liggen schimmig gekopieerde A4’s met handgeschreven toelichting, die opnieuw weinig duidelijkheid verschaft. Over de ‘afdeling’ ‘Cubism of the Everyday’ staat er: ‘Kircaldy museum and library sponsored by the number 1 local linoleum factory owner. Partly used for bomb production during WWII.’ Hoe – en of – dit met de eerder beschreven voorwerpen kan worden verbonden, is niet duidelijk. Het is mogelijk om via een draaitrap op het dak van Tutti te belanden – wat opnieuw verwachtingen creëert die worden teleurgesteld, want eenmaal boven is er niets te zien, buiten weer een paar onafgewerkte kubussen en een versleten omheining.

Wie enigszins vertrouwd is met het werk van Pernice, kan al deze ‘hints’ enigszins met elkaar verbinden. Zoals de ingreep op Ich-Du aangeeft, probeert Pernice het proces waarmee vorm betekenis verwerft tot stilstand te brengen of in elk geval te vertragen – want hoe zouden we bijvoorbeeld de sculptuur van Lohaus begrijpen als de achterkant (‘ICH’) onzichtbaar bleef? Hij doet dat evenzeer door alledaagse voorwerpen (zoals koffiebekertjes) met gecanoniseerde (kunst)werken te verbinden. Zo kunnen geëngageerde architectuurliefhebbers in de spiraaltrap van Tutti een verwijzing lezen naar het monument voor de Derde Internationale van Vladimir Tatlin uit 1917 – een eveneens omhoog cirkelende sculptuur met een informatiecentrum die, vol goede bedoelingen, wou bijdragen tot de emancipatie van het proletariaat. Vorm, zo lijkt Pernice te suggereren, heeft geen enkele ‘goede bedoeling’ meer – in de eerste plaats omdat de ooit zo veelbelovende potenties van moderne vormgeving en architectuur op weinig zijn uitgedraaid. Maar hoe moet een bezoeker dit begrijpen die, het noorden kwijt en staand op het dak van Tutti, nog nooit van Tatlin heeft gehoord, en zich ergert aan de nietszeggende frasen in de zaaltekst?

In de kamers links en rechts van de grote zaal zijn kleinere ensembles te zien, die soms beter en directer ‘werken’. déjàVu uit 2008 speelt in op de wonderlijke overeenkomst tussen voorwerpen en gebouwen, zoals een brug die op een verlichtingsarmatuur lijkt, of – opnieuw – op een televisiemeubel. Ook de Lampset 1-4 is een grappige reeks lichtarmaturen die uit alledaagse, kleurige voorwerpen zijn opgebouwd, en die IKEA-namen hebben: Bianca, Borneo, Billy en Bronzo. Door naast elke lampenkap een gat in de muur te maken (dat zicht naar buiten biedt en licht binnenlaat), lijkt Pernice te tonen wat ‘echt’ licht is. Hij lijkt te suggereren hoe absurd het algemeen aanvaarde design (van bijvoorbeeld IKEA) eigenlijk is, omdat het gebruikmaakt van een modernistische vormgeving waarvan de oorspronkelijke intenties volledig zijn verdwenen. Maar ook dit interpretatiekader wordt eigenlijk niet integraal aangereikt door de sculpturen zelf, hoe charmant en inventief ze ook mogen zijn.

Langs de ene kant kan het S.M.A.K. zeker verweten worden een sculpturaal, erudiet en toch eminent vormelijk oeuvre als dat van Pernice zo ‘onbeschermd’ te tonen. Het is, in de letterlijke betekenis van het woord, nauwelijks ‘gecureerd’. En langs de andere kant is het zeker zo dat de methode van Pernice elders al beter tot ontplooiing is gekomen, en dat het sculpturale – en zeker ook ideologische – detectiveverhaal dat hij vertelt, deze keer niet spannend genoeg is en zelfs vrijblijvend dreigt te worden.

 

Manfred Pernice. Brei, nog tot 15 februari 2012 in het S.M.A.K., Citadelpark, 9000 Gent (09/221.17.03; www.smak.be).