Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Snapshot. Schilders en fotografie, 1888-1915.

Wat voegen privé-‘kiekjes’ gemaakt door schilders toe aan het begrip van hun oeuvre? Mogelijkerwijs veel, zo blijkt in de tentoonstelling Snapshot in het Van Gogh Museum. De zes fin-de-siècleschilders Pierre Bonnard, Maurice Denis, Félix Vallotton, Edouard Vuillard, Henri Evenepoel en George Breitner, en de grafist Henri Rivière delen hun opmerkelijk vroege liefde voor de fotocamera. De firma Kodak bracht in 1888 de eerste ‘zak’- of handcamera’s op de markt, waarmee het mogelijk was opnamen te maken zonder statief, in een vijfentwintigste van een seconde. Het is bekend dat rond 1900 ongeveer twee- tot driehonderdduizend amateurs in Frankrijk een handcamera bezaten (ongeveer 1 procent van de bevolking), een object dat destijds niet goedkoop was. De schilders in de tentoonstelling behoren allen tot de categorie van de amateurfotografen. ‘Amateur’ heeft hier zowel de oorspronkelijke betekenis van liefhebber, als de sinds 1892 gangbare betekenis van ongeschoolde dilettant.

De foto’s zijn dan ook niet interessant als staaltjes van technisch kunnen – meestal zijn ze niet perfect. De schilders moesten enkel hun ogen gebruiken, ontwikkelen deden ze niet zelf. ‘You press the button, we do the rest’, was de slogan van de Kodak Eastman Company. De tentoonstelling legt juist de nadruk op dit oog van de schilder, en dus op de eventuele schilderkunstige kwaliteiten in de beelden. Naast de foto’s worden ook zestig schilderijen en lithografieën van de betreffende kunstenaars getoond. De bedoeling is dat de beschouwer indirecte verbanden tussen kunst en fotografie kan ontdekken. De foto’s zijn slechts zelden directe voorstudies. Meestal is er speels omgegaan met de camera, die werd gebruikt om nieuwe manieren van kijken uit te testen. Sommige foto’s zijn studies naar licht of motief, die indirect terugkomen in de schilderijen. Een direct verband is er bijvoorbeeld wel in het geval van de serie steendrukken die Henri Rivière maakte naar aanleiding van een spectaculaire fotosessie op de Eiffeltoren-in-aanbouw. De vergelijking tussen foto en prent maakt hier duidelijk hoe de lithografische compositie werd aangepast met het oog op een dramatischer en visueel pakkender effect.

De veelal piepkleine zwart-witfoto’s in de tentoonstelling waren bedoeld voor privégebruik, en zijn tijdens het leven van de kunstenaars nooit tentoongesteld. Pas sinds een jaar of tien is er interesse in de foto’s van de schilders van de Parijse laatnegentiende-eeuwse Nabi-groep: Bonnard, Denis, Vallotton en Vuillard. Het zijn vakantie- en familiefoto’s, die desalniettemin een bescheiden licht werpen op de artistieke praktijk van deze kunstenaars. De Nabis – Nabi is het hebreeuwse woord voor profeet – worden bij het postimpressionisme gerekend. Net als bij de impressionisten stond in hun schilderijen de zintuiglijke indruk centraal. Maar het ging niet langer om de puur retinale indruk van atmosferische of lichteffecten; voor de Nabis, in navolging van Gauguin, was elk vormelement beladen met een subjectieve inhoud. In de woorden van Maurice Denis werd het kunstwerk opgevat als ‘een transpositie, een karikatuur, een gepassioneerd equivalent van een ervaren sensatie’. In de schilderkunst van de Nabis, die een groep vormden tussen circa 1890 en 1900, draaide alles om beleving, om het gevoelsmatige effect. Ook verschoof de aandacht van het buitenleven, het plein-air van de impressionisten, naar de intimiteit van het interieur.

De zeer persoonlijke foto’s van de Nabi-schilders voegen wel degelijk iets toe aan de beschouwing van de ‘intimistische’ schilderijen in de tentoonstelling. Ten eerste delen de foto’s en de schilderijen dezelfde onderwerpen en modellen, afkomstig uit de dagelijkse leefwereld van de schilders. Ten tweede springt in de foto’s, net als in de schilderijen, de subjectieve beleving in het oog. De foto’s kunnen met recht ‘expressief’ worden genoemd. Het gevaar van zo’n intiem kijkje in de privéwereld van schilders wordt in de tentoonstelling niet geheel afgewend. De fotografische afbeeldingen van de in de schilderijen getransformeerde (of, met een Nabi-woord, ‘gedeformeerde’) modellen, nodigen uit tot een wel zeer biografische lezing van de werken in de tentoonstelling. Met uitzondering van Breitner en Rivière, gebruikten de schilders in de tentoonstelling de camera veelvuldig om hun geliefden vast te leggen. Maurice Denis blijkt een schilderij van zijn vrouw met baby te hebben gebaseerd op een foto die in extreme close-up werd genomen, en daardoor mysterieus vloeibaar en onscherp geworden is. De eerste kodakcamera’s konden geen scherpe beelden maken, en de wijde beeldhoek van de camera zorgde voor ruimtelijke vertekening. De Nabis speelden in hun schilderijen eveneens met onscherpte, met afsnijdingen en perspectivische overdrijvingen – al voor de introductie van de fotografie in hun werk. Die ‘deformatie’ van de werkelijkheid door het gebruik van ‘onnatuurlijke’ kleuren en vormen, moest leiden tot een grotere uitdrukkingskracht. Het is dus niet verwonderlijk dat deze schilders zich niet druk maakten om de ongewilde vertekeningen in de kodakfoto’s.

Bonnard fotografeerde zijn geliefde Marthe de Méligny, naakt in de natuur. Hij doet dat terughoudend. Pas in de transpositie naar teken- of schilderkunst wordt de liefdevolle blik van de schilder voelbaar. Evenepoel registreerde op een liefdevolle wijze het spel en de ziekte van zijn (buitenechtelijke) zoon, en de momenten die hij deelde met zijn geliefde. Opvallend is dat Evenepoel in zijn fotografie veel verder gaat dan in zijn conservatief-moderne schilderijen. Daarvan getuigen de ongewone uitsnijdingen en close-ups in de foto’s van het zieke kind. Heel wat minder liefdevol zijn de gefotografeerde naakten van Breitner, die Franse pornografische clichés uit de tijd imiteren. Breitner en Rivière delen met de Nabis niet zozeer de subjectieve, emotioneel beladen blik, maar hun interesse in het moderne stadsleven.

De tentoonstelling, die vergezeld gaat van een elegante en rijke catalogus, heeft een opvallende vormgeving. Op ingenieuze wijze zijn de foto’s in het midden van de zaal opgehangen in transparante installaties. Dat levert doorkijkjes op en vergelijkingsmogelijkheden met de schilderijen aan de wand. Het intieme karakter van de schilderijen en de foto’s wordt weerspiegeld in de toevoeging van halfopen ‘kamertjes’, verschillende achtergrondkleuren en zelfs behang. Iets minder geslaagd is het idee om de kleine schilderijen van Maurice Denis te bevestigen aan balkjes die schuin uit de muur steken. Niet enkel hangen ze te hoog, tevens belemmert het weerspiegelende zaallicht een goed zicht op het werk.

In elk geval is het een feest om de schilderijen van de Nabis te zien, en ook een fijn weerzien met de kimono’s van Breitner. De tentoonstelling brengt werken bijeen uit collecties in Amerika (een belangrijk werk van Vuillard uit het MoMA dat zelden op reis gaat) en uit de collectie van het Musée d’Orsay. Zelfs wie niet overtuigd is van het belang van de snapshots, mag deze tentoonstelling niet missen. Een nieuwe aankoop van het Van Gogh Museum, het schilderij De Bof van Vuillard uit 1892-1893, zal niet snel meer in zo’n context te zien zijn.

 

Snapshot. Schilders en fotografie, 1888-1915, tot 8 januari 2012 in het Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, 1071 CX Amsterdam (020/570.52.00; www.vangoghmuseum.nl).