Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Judith Joy Ross.

Het hedendaagse fotoportret kenmerkt zich vandaag vooral door het gewiekst ondergraven van wat ooit tot de kerntaken ervan leek te behoren, met name het oproepen van een vorm van individualiteit. Steevast zien we nog louter blinde muren van vlees en bot verschijnen waarachter we enkel een grote leegte kunnen vermoeden. Toch zijn er hier en daar recalcitrante fotografen werkzaam die weigeren mee te geven in deze ontwaarding van het menselijk gelaat. Het intrigerende fotowerk van de Amerikaanse fotografe Judith Joy Ross (°1946) is daar een overtuigend voorbeeld van. De SK Stiftung Kultur wijdt nu voor het eerst een overzichtstentoonstelling aan haar indrukwekkende oeuvre.

De eerste portretten van Judith Joy Ross dateren van 1982 (voordien beoefende ze vooral landschapsfotografie). Ze tonen kinderen en jonge adolescenten in het Eurana Park, Virginia, een stadspark dat de fotografe in haar jeugd zelf frequenteerde. Ze maakte de opnames één jaar na het overlijden van haar vader met wie ze een innige band had. De keuze om op dat moment, op die plaats, portretten te gaan maken, laat zich ook lezen als een poging om de geborgenheid die ze in de relatie met haar vader ervoer terug te vinden: in de zoekende, tastende, maar tegelijkertijd ook fiere en zelfbewuste lichamen van de hier verzamelde jeugd ziet zij dezelfde dromen, angsten, verlangens opduiken die zij als kind reeds had. Via het portret – en dan vooral door de intense dialoog die het veronderstelt tussen maker en onderwerp – hoopt de fotografe het gebroken contact met de wereld te herstellen.

Met deze eerste reeks ligt meteen ook haar werkmethode vast: de opname wordt gemaakt met een grote, logge camera die het gebruik van een statief noodzakelijk maakt. Het opstellen van de camera, het klaarmaken van het negatief, het afstellen van het toestel, vragen heel wat tijd, aandacht en voorbereiding. Dat berooft de opname van een zekere spontaneïteit, maar toch is er nergens enige verkramping te bespeuren. Het model neemt weliswaar een pose aan, maar alles blijft luchtig en (vaak aandoenlijk) eerlijk. Niemand verkruimelt hier onder de genadeloze blik van de camera, niemand verbergt zijn kwetsbaarheid achter een gezochte houding. De geportretteerde behoudt zijn waardigheid, zijn sterkte, zijn onafhankelijkheid. De fotografe gebruikt de camera niet als een voyeuristisch instrument om de geportretteerde allerhande ongewilde confidenties te ontlokken. Haar portretten zijn altijd lovend, nooit bestraffend of ontluisterend.

De verkregen negatieven print de fotografe vervolgens uit in open lucht, op zogeheten ‘printing out paper’. Deze werkwijze geeft de prints hun specifieke, warme, bruine of grijsachtige tint en leidt daarenboven ook tot een relatief klein formaat. Het gebruik van een vergroter is hierbij immers uitgesloten. Daarom hebben de beelden ongeveer hetzelfde formaat als het grootbeeldnegatief – toch nog altijd 20 bij 25 cm. Terwijl het kleine formaat de toeschouwer tot heel dicht bij het beeld lokt (en hem dus heel dicht bij het model brengt), ontzegt de verkleuring hem alsnog een al te gemakkelijke toegang. De nostalgisch aandoende tint verplaatst de geportretteerde in een andere tijd en ruimte, zichtbaar aanwezig en tegelijkertijd onbereikbaar elders. Hoe dicht we het model ook benaderen, nooit raken we aan zijn intimiteit: de soevereine kern waaruit het afgebeelde leven bestaat blijft voor onze nieuwsgierige blik ontoegankelijk. De nabijheid mondt niet uit in vertrouwelijkheid.

Omdat de uiteindelijke prints contactafdrukken zijn en er dus geen informatie verloren gaat in de omzetting van negatief naar positief, geven de beelden ook uitzonderlijk veel te zien. Deze visuele overdaad scherpt de blik, vertraagt hem ook. De kijker schuifelt langzaam langs de rij beelden aan de muur, hij kijkt ze één voor één aan. De toeschouwer besteedt niet minder tijd en aandacht aan het beeld, dan de fotografe erin investeerde tijdens het maakproces. Door stil te blijven staan bij elk afzonderlijk beeld wordt het (althans voor even) uit de reeks gelicht. Net zoals het individu zich losweekt van de achtergrond, zo behoudt elke foto zijn autonomie, weigert hij op te lossen in het geheel (in de neutraliserende opsomming van een typologie). Uiteindelijk gaat het Judith Joy Ross telkens om het individu, niet om de groep waartoe deze of gene behoort.

Ze maakt haar portretten bij voorkeur op openbare plaatsen – parken, scholen, de straat, supermarkten, in de nabijheid van monumenten, kerken… Deze keuze om het individu op ‘neutraal terrein’ te ontmoeten, zorgt ervoor dat de geportretteerde zich niet behaaglijk kan terugtrekken in zijn private (en dus veilige, want beheersbare) ruimte. Het gefotografeerde lichaam wordt aldus gedwongen een sociale gestalte aan te nemen. En precies dat sociale lichaam gebruikt Ross om ruimere maatschappelijke (en ethische) kwesties aan te kaarten. Niet door een prekerige toon aan te slaan, maar door de onverstoorbare zekerheid te tonen waarmee het individuele lichaam zich daar in de ruimte van het beeld manifesteert, brengt de fotografe haar politiek engagement tot uitdrukking. Veelzeggend in dit verband is haar imposante drieluik gewijd aan oorlog – enkele jaren geleden gepubliceerd onder de titel Living with War en toen ook geëxposeerd in Berlijn. De eerste reeks uit dat drieluik toont familieleden van Vietnamveteranen voor het Vietnam Memorial in Washington (de serie dateert van 1983, één jaar na de inhuldiging van het oorlogsmonument). De tweede reeks portretteert reservisten die spoedig naar de eerste Golfoorlog zouden vertrekken en de derde serie ten slotte stelt scherp op betogers tegen de tweede Golfoorlog.

In deze laatste reeks brengt ze nooit de manifestatie als dusdanig in beeld; ze haalt de manifestanten als individu voor haar camera. Door de betoger uit de massa te halen maakt Ross het voor hem onmogelijk zich te verschuilen achter de macht van het getal: hier spreekt men in eigen naam, hier wordt iedereen voor zijn eigen verantwoordelijkheid geplaatst. Enkel met de koppige aanwezigheid van zijn lichaam kan de betoger dit verantwoordelijkheidsgevoel tot uitdrukking brengen; slechts zelden laat de fotografe een bord met een specifieke politieke eis zien. Niet de overtuigingskracht van het politieke argument telt hier, wel de pure onverzettelijkheid van het lichaam dat daar, op de openbare weg, en gevat in de isolerende kooi van het fotografische kader, zijn halsstarrige protest etaleert. Elke reeks laat datzelfde beeld verschijnen, altijd weer dat standvastige lichaam dat op een ontroerende, sensuele en toch stellige manier ‘ik’ zegt.

 

Judith Joy Ross. Photographien seit 1982 tot 5 februari 2012 in de SK Stiftung Kultur, Im Mediapark 7, 50670 Köln (0221/888 95 0; www.sk-kultur.de).