Hubert van den Berg

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Polen in Berlijn.

Met de talloze zwarte bladzijden die de Duits-Poolse geschiedenis kent, laten zich boekdelen vullen. Het ultieme dieptepunt in de Duits-Poolse relaties is ongetwijfeld de Tweede Wereldoorlog. De Duitse bezetting ging gepaard met deportaties, en genocide, met plunderingen en verwoestingen zonder weerga. Zo’n zes miljoen Polen kwamen om het leven – twintig procent van de bevolking. De helft daarvan waren joodse Polen. Van hen overleefde slechts één op de tien. Het land lag volledig in puin. Van de hoofdstad Warschau, die de Duitsers nog op de valreep van de kaart probeerden te vegen, was vrijwel niets over. De Potsdamse herverkaveling van Europa leverde na 1945 nog een grimmig naspel op. De Pools-Duitse grens schoof naar het westen op, tot aan de Oder en de Neisse. Daardoor volgde er nogmaals een gedwongen volksverhuizing, waarbij ditmaal een paar miljoen Duitsers moesten verhuizen. Deze operatie verdiende ook niet echt een schoonheidsprijs.

Het resultaat was dat in de volgende decennia de wederzijdse liefde bepaald niet overhield. Scherpslijpers aan beide oevers van de Oder en de Neisse maakten rancune tot programma, met de DDR als enigszins halfslachtige buffer op de rive gauche.

De nationalistische populist Jarosław Kaczyński speelde bij de laatste parlementsverkiezingen nog een anti-Duitse troef uit, waarbij hij suggereerde dat Merkel een verlengstuk van de Stasi zou zijn, met grootmachtfantasieën die zich als vanouds tegen Polen zouden richten. Met deze verdachtmaking oogstte hij misschien niet veel succes, maar anderzijds haalde Kaczyński altijd nog dertig procent van de stemmen. Duitsland en Duitsers maken bij menige Pool nog steeds weinig warme gevoelens los.

Omgekeerd is het niet anders. Zijn revanchisten als Erika Steinbach en haar Bund der Vertriebenen, die Oder en Neisse nog steeds niet als definitieve grens willen erkennen, enerzijds zeldzaam aan het worden, anderzijds zijn er nog genoeg Duitsers die Polen met een scheef oog aankijken en hen beschouwen als onbetrouwbare, luie lieden die het met bezitsverhoudingen niet zo nauw nemen. Het Nederlands kent de Poolse landdag, het Duits de polnische Wirtschaft.

Inmiddels zijn de verhoudingen tussen Polen en Duitsland desalniettemin grotendeels genormaliseerd. Veertig jaar na de knieval van Willy Brandt voor het ghettomonument in Warschau en twintig jaar na de Duitse erkenning van de Oder-Neissegrens als definitieve Poolse grens, wordt er aan de bruggen tussen Frankfurt (Oder) en Słubice minder gecontroleerd dan tussen Bad Bentheim en Hengelo.

Met de veranderde verhoudingen is ook een andere kijk ontstaan op de Duits-Poolse geschiedenis, waarbij het niet meer om het cultiveren van de oude vijandschap gaat, maar om de eeuwenlange historische verwevenheid van politieke en economische banden, om culturele uitwisseling en dynamiek in noordelijk en centraal Europa. Cultureel hebben Duitsland en Polen ontzettend veel gemeen, in die mate dat het soms moeilijk is om vast te stellen wat nu Duits en wat Pools is.

Een grote overzichtstentoonstelling in de Martin-Gropius-Bau in Berlijn biedt een uniek overzicht van een millenium Pools-Duitse betrekkingen op historisch en cultureel vlak. De tentoonstelling telt 22 zalen en ruim 800 stukken – schilderijen, tekeningen, sculpturen, historische relikwieën en documenten. In het Duits loopt ze onder de titel Tür an Tür – ’deur aan deur’ – in het Pools onder de titel Obok – ’hiernaast’. Die laatste titel past eigenlijk het best: De tentoonstelling gaat vooral over Duits-Poolse contacten op het grondgebied van het huidige Polen en is georganiseerd vanuit het Zamek Królewski, het Koninklijk Slot in Warschau.

De tentoonstelling begint in het jaar 1000, toen de Duitse keizer Otto III uit Rome naar Gniezno/Gnesen reisde, daar de lokale vorst, Bołeslaw de Dappere, tot eerste Poolse koning kroonde en Gniezno met instemming van de paus zetel van de eerste Slavische aartsbisschop werd. Bołeslaw en Otto deelden hun verering van de heilige Adalbert/Wojciech, die drie jaar eerder werd vermoord toen hij de (Slavische) Pruisen trachtte te kerstenen. Zoals dat in die tijd ging, werd meteen ook een huwelijk gearrangeerd tussen Bołeslaws zoon Mieszko en Otto’s nicht Richeza, als teken van de goede betrekkingen.

Het was daarna zeker niet permanent pais en vree. Wanneer de Duitse Orde wat al te opdringerig werd in haar poging om zich het Baltische gebied toe te eigenen, maakte een Pools-Litouwse strijdmacht in 1410, in een van de grootste veldslagen uit de middeleeuwen, bij Grunwald/Tannenberg korte metten met de Duitse ridders. Toch bleven er nauwe en vooral ook goede, vriendschappelijke banden. De Poolse koning Jan III Sobieski leidde een Pools-Duits-Oostenrijkse coalitie die in 1683 de Turken bij Wenen verjoeg.

Economisch zorgde de Hanze eeuwenlang voor een hechte band. Sinds de middeleeuwen was er ook een culturele verwevenheid. Vroege voorbeelden zijn Veit Stoß en Nicolaas Copernicus. Het hoofdwerk van de Neurenberger Stoß – een van de belangrijkste laatgotische beeldhouwers van Midden-Europa – ontstond in Krakau. De vraag of Copernicus, die in Toruń/Thorn opgroeide en in Frombork/Frauenburg werkte, eigenlijk Pool of Duitser was, valt moeilijk te beantwoorden.

Er zijn ook tal van recentere voorbeelden van deze nauwe culturele verbondenheid. Rond de vorige eeuwwisseling was de Duits publicerende Poolse schrijver Stanisław Przybyszewski een van de coryfeeën van de Berlijnse bohème. In de volgende decennia waren de Poolse en de Duitse avant-garde nauw met elkaar verbonden. Kurt Schwitters publiceerde in het Warschause constructivistische tijdschrift Blok; Duitse kunstenaars waren sterk vertegenwoordigd in de eerste grote avant-gardistische museumcollectie in Łódz; een sterke Poolse delegatie was in 1922 op het Düsseldorfse Internationale Congres van Progressieve Kunstenaars te vinden.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog mogen de zaken een tijd lang moeilijker hebben gelegen, inmiddels bloeide toch het Poolse galeriewezen in Berlijn, met de Club der polnischen Versager/ Klub Polskich Nieudaczników (de ’club van de Poolse mislukkelingen’) als een van de bekendste. Ook de duistere passages in de Duits-Poolse geschiedenis komen in de tentoonstelling aan bod. Er is een Duitse catalogus van geconfisqueerde kunstwerken te zien, en de Enigma-machine waarmee de Poolse wiskundigen Duitse geheime codes kraakten. De Tweede Wereldoorlog wordt echter niet zozeer met historische documenten gepresenteerd, dan wel als onderwerp van kunst. Er zijn de films van Andrzej Wajda, de tekeningen en schilderijen van Władysław Strzemyński (de cyclus Voor mijn joodse vrienden), het werk van Anselm Kiefer en Luc Tuymans (Gaskamer) en het Legoconcentratiekamp van Zbigniew Libera.

De slag bij Grunwald neemt in het moderne Duitse en Poolse nationalisme een centrale plaats in. Symbolisch brengt de tentoonstelling hem onder in het atrium van de Martin-Gropius-Bau, eveneens centraal dus. Toch zullen veel bezoekers dit onderdeel missen omdat de uitgezette route van de tentoonstelling in zalen rond het atrium loopt. Of dat een fout in de opbouw is? Deze tentoonstelling wil duidelijk van het denken in vijandbeelden af. Het is veelzeggend dat Erika Steinbach in de lijvige catalogus niet voorkomt en de regering van de gebroeders Kaczyński in de jaren 2005-2007 als korte stagnatie op weg naar een betere verstandhouding op bladzijde 713 zijdelings vermeld wordt.

Niettemin was er ook enige ophef. Eind oktober besliste de directie van de Martin-Gropius-Bau om de installatie Berek/Vangspel (2000) van de Poolse videokunstenaar Artur Żmijewski te verwijderen uit een zaal gewijd aan de Tweede Wereldoorlog. Het Centrum Judaicum bleek geklaagd te hebben over het schijnbaar antisemitische karakter van de videoinstallatie, waarin naakte mensen krijgertje spelen in een kelder en een voormalige gaskamer. Het werk maakt deel uit van de vaste opstelling van het belangrijkste museum voor contemporaine kunst in Warschau, de Zachęta Naradowa Galeria Sztuki. Totnogtoe had dat geen noemenswaardige protesten opgeleverd. Vooral in Polen zorgde deze censuuringreep voor de nodige irritatie. In Duitsland reageerde men wat gelatener.

De tentoonstelling vormt in Berlijn onderdeel van de Berliner Festspiele en vindt niet toevallig juist nu in de tweede helft van 2011 plaats. Polen is momenteel EU-voorzitter – voor de opening kwam de Poolse president Komorowski kort over. Ze is echter meer dan alleen een cultureel ornament bij dit voorzitterschap. Ze wil duidelijk een bijdrage leveren aan de verdere verbetering van de onderlinge verstandhouding. In het kader van de Festspiele gaat de tentoonstelling vergezeld van een groot aanbod aan culturele activiteiten – exposities van hedendaagse kunstenaars, filmvertoningen, theatervoorstellingen en concerten.

 

Tür an Tür. Polen – Deutschland. 1000 Jahre Kunst und Geschichte is tot 9 januari te zien in de Martin-Gropius-Bau, Niederkirchnerstraße 7 (hoek Stresemannstrasse 110), 10963 Berlijn (030/254 86-0; www.gropiusbau.de). Voor informatie over de begeleidende culturele activiteiten in het kader van Obok – Nebenan! Das polnische Kulturprogramm in Berlin: zie www.berlinerfestspiele.de/obok.