Dominic van den Boogerd

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Wilhelm Sasnal.

De maatschappelijke betekenis van de schilderkunst mag dan minder dan marginaal zijn, haar intimiteit is ook wat waard. Het werk van de Poolse kunstenaar Wilhelm Sasnal (1972) laat zien hoe persoonlijk schilderkunst kan zijn. Op ogenschijnlijk flegmatieke wijze maakt de kunstenaar ons deelgenoot van zijn ervaringen en indrukken. Zijn familieleven komt aan bod in Masi (2006), een ode aan de buurtwinkel waar hij zijn vrouw voor het eerst ontmoette, en in Kacper (2009), een portret van zijn zoontje, overstraald door zonnig tegenlicht. Als hij op reis is geweest naar Japan, krijgt dat zijn weerslag in Kyoto I (2006), terwijl Tarnow (2003) ons een blik gunt op zijn geboortestad. Indrukwekkende beelden van het internet reïncarneren in schilderijen als Power Plant in Iran (2010) en Tsunami (2011). Kortom, Wilhelm Sasnal schildert de wereld waarvan hij deel uitmaakt, de dingen uit zijn directe omgeving die hem opvallen, ontroeren en frustreren. Hij doet dat met flair, integriteit en met een afgewogen terughoudendheid.

‘Directe omgeving’ moet hier ruim worden opgevat. Niet alleen familiefoto’s, reproducties van kunstwerken en beelden uit films en televisieprogramma’s liggen ten grondslag aan zijn schilderijen, ook put hij uit de oeverloze zee van het internet. Door de veelheid aan motieven en de verschillende manieren van schilderen die Sasnal soms hanteert, kan zijn jonge maar omvangrijke oeuvre enigszins chaotisch lijken. Achim Borchardt-Hume van de Whitechapel Art Gallery is er niettemin in geslaagd zo’n tachtig schilderijen uit de afgelopen elf jaren te presenteren als een opmerkelijk consistent geheel. Door de scherpe selectie en de uitdagende combinaties van schilderijen worden onderliggende relaties tussen de faits divers navoelbaar en krijgt de tentoonstelling de samenhang en de continuïteit van een dagboek.

Sasnals schilderijen zouden getypeerd kunnen worden als verkenningen in het niemandsland tussen schilderkunst, geschiedenis en het leven zelf. Binnen een dergelijke benadering kan elk onderwerp het schilderen waard zijn. Sommige motieven zijn echter te obsceen, te pijnlijk om in beeld te brengen. Een onderwerp als de Holocaust benadert Sasnal alleen indirect, via Claude Lanzmanns documentaire Shoah bijvoorbeeld (Shoah, 2003) of Art Spiegelmans Maus, een Amerikaans stripverhaal waarin Joden worden weergegeven als muizen, nazi’s als katten en Polen als varkens. In Maus 1-5 (2001) zijn de decors van de striptekeningen uitvergroot weergegeven; de protagonisten ontbreken, de spreekballons zijn weggelaten. De reductie van visuele informatie resulteert in een soort ‘ingedikte beelden’, schilderijen die de vertelling weglaten, maar op miraculeuze wijze de plot intact weten te houden.

Meer dan eens volstaat Sasnal met een minimum aan informatie. Of het nu gaat om een dopsleutel (Spanner, 2009) of een luchthaven (Chicago Airport, 2005), van het onderwerp resteert niet veel meer dan een summier logo. In de vier schilderijen naar nieuwsfoto’s van Enrique Metinides zijn de gruwelijke beelden van geëlektrocuteerde bouwvakkers en verhangen zelfmoordenaars gereduceerd tot raadselachtige hiërogliefen. Spektakel en sensatie zijn verdwenen. Wat resteert is doodse grauwheid, loodzware stilte.

Ondanks de verscheidenheid van het werk laat een Sasnal zich gemakkelijk herkennen. Zijn karige beelden zijn eerder grafisch dan schilderachtig, eerder tonaal dan coloristisch. Terugkerende kleuren zijn olijfgroen, grijs, hemelsblauw en een beige dat lijkt op café latte. Grote, egale vlakken worden afgewisseld met kribbig geschilderde details. Donkere, scherpe contouren en harde contrasten zetten de toon, al zijn er ook voorstellingen bij die baden in tegenlicht (Duel 4, 2002).

Het lijkt de kunstenaar gemakkelijk af te gaan, maar schijn bedriegt. De moeite die het kost een schilderij tot een goed einde te brengen, wordt belicht in Hardship 1-4 (2009). Tweemaal zien we een niet helemaal geslaagde poging van de schilder om zijn vrouw en zoontje af te beelden. De glimmende benen zijn ziekelijk groen; het beddenlaken is een rommeltje van korzelige korstjes wit. In twee flankerende doekjes zijn de hoofdkleuren beige en grijs tot monochroom gepromoveerd. Uit het obstinate geveeg mag duidelijk worden dat abstracte schilderkunst al niet veel makkelijker is. Schilderen is ploeteren. ‘Het linnen en de verf zijn mijn tegenstanders’, zegt Sasnal in een interview. ‘Zij staan niet aan mijn kant. Wij zijn in gevecht, en de sporen daarvan zie je in de schilderijen.’ Hoe mooi Sasnals schilderijen ook mogen zijn, vaak hebben ze iets lelijks, tegendraads en ongerijmds, iets wat ons dwingt opnieuw te kijken.

In Sasnals ‘peinture de la vie moderne’ is de geschiedenis nooit ver weg, niet alleen het persoonlijke verleden van de kunstenaar, maar ook de grote omwentelingen van het Rad der Historie. Keer op keer komen de oorlogsjaren in Polen aan bod, die getekend werden door fascistische bezetting en ondergronds verzet, maar ook door verregaande collaboratie en virulent antisemitisme. Het trauma van dit onverwerkte oorlogsverleden schemert door in Sasnals schilderijen, als een zeurende pijn die maar niet wil verdwijnen. Cseztochowa (2011), grof geschilderd in bruin, zwart en wit, toont de katholieke pelgrims die jaarlijks in groten getale de stad bezoeken om de Zwarte Madonna te aanbidden. Maar als we ons realiseren dat vrijwel de gehele joodse gemeenschap van Cseztochowa is gedeporteerd naar de vernietigingskampen (waaronder de familie van Art Spiegelman), oogt de donkere kerk al een stuk minder vroom. De pendant van dit werk, een schilderijtje dat vlakbij hangt, is al even ambigu. Het toont de paus, gezeten op zijn pontificale zetel en omringd door een immense duisternis, het hoofd begraven in zijn handen. Is hij in gebed verzonken? Of is hij de wanhoop nabij?

De controverse rond sommige van Sasnals onderwerpen is niet altijd direct aan de voorstellingen af te lezen, ze sluimert op de achtergrond. Het kwaad gaat schuil in de vermomming van het gewone, of achter een masker van verleidelijke schoonheid. De mooie jonge vrouw in Agathe Kanziga Habyarimana (2010) bijvoorbeeld is de weduwe van de president van Rwanda die in april 1994 om het leven kwam toen zijn vliegtuig werd neergehaald. Het was het startsein voor de Rwandese genocide, waarbij 800.000 slachtoffers vielen. Madame Agathe vluchtte naar Frankrijk, waar zij pas vorig jaar werd gearresteerd, verdacht van de aanslag op haar echtgenoot en het aanzetten tot volkerenmoord. Juist de perverse combinatie van verderf en schoonheid maakt het portret in roetzwart, grijs en vette, witte glimlichten, fascinerend.

 Het is een verdienste van de tentoonstelling dat de geselecteerde werken elkaar wederzijds versterken. Minder geslaagd is de opstelling van de vier monitoren op sokkels op de eerste verdieping, met films van Sasnal. Het geluid leidt af wanneer je de schilderijen wilt bekijken, en wie de video’s goed wil zien, moet bereid zijn langere tijd te staan.

Niettemin is het verademend een tentoonstelling te zien van actuele schilderkunst die niet behept is met strategieën en programma’s, die niet cynisch is of sentimenteel, en wars van goedkope glamour. Wilhelm Sasnal is een oprechte, authentieke stem in de Europese schilderkunst. In al hun schraalheid en terughoudendheid bieden zijn schilderijen een glimp van zowel een persoonlijk leven als van de grimmige essenties van onze cultuur die het verleden heeft overgeleverd. Soms kruisen beide geschiedenissen elkaar. Soms niet. Dat laatste is misschien nog wel het meest raadselachtige.

 

Wilhelm Sasnal tot 1 januari 2012 in de Whitechapel Art Gallery, 77-82 Whitechapel High Street, London E1 7QX (020/7522.7888; www.whitechapelgallery.org). De tentoonstelling is van 3 februari tot 13 maart 2012 te zien in het Haus der Kunst, München.