Dries van de Velde

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

OMA/Progress.

Rem Koolhaas’ architectuurbureau, Office for Metropolitan Architecture, heeft een nieuwe overzichtstentoonstelling lopen in de Londense Barbican Art Gallery. Progress heet de tentoonstelling, maar voor iedereen die OMA’s werk een beetje kent, ooit een van zijn talloze boeken doorbladerde of de vorige overzichtstentoonstellingen in Rotterdam of Berlijn zag, betekent de huidige opstelling eerder een déjà-vu dan een stap vooruit.

Eens te meer geeft OMA een overzicht van zijn bezigheden door middel van een overweldigende verzameling van faxen, e-mails, maquettes, technische details op werkelijke grote, hightechbouwmaterialen, projecties, foto’s en zelfs een sporadisch plan. Net als de gebouwen die er getoond worden, is de tentoonstelling doordrongen van de ontwapenende brutaliteit die Koolhaas al drie decennia uitstraalt met zijn werk. Het begrip Progress lijkt daarom niet zozeer te verwijzen naar een architecturale of stilistische evolutie in OMA’s oeuvre, maar naar de processen van snelle maatschappelijke omwentelingen waarin Koolhaas zichzelf en zijn werk zo graag projecteert. Koolhaas zoekt in deze processen dezelfde vruchtbare aarde voor een sociale modernisatie en utopische architectuur die zijn mentale leermeesters als Le Corbusier en Niemeyer in hun eigen omgeving vonden.

In een land als Groot-Brittannië, waar utopisme en modernisme doorgaans met argwaan ontvangen worden en waar architecten zich vooral met commerciële opdrachten bezighouden, komt een tentoonstelling als Progress aan als een verfrissende schok. De Britse pers is uitermate lovend over de expositie en over de rol van Rotor, een los verband van kunstenaars en architecten uit Brussel dat door Koolhaas zowat vrije hand werd gegeven om het geheel op te zetten. Net zoals in vorige opdrachten is Rotor te werk gegaan met de instelling van een archeoloog die een historische site onderzoekt. Na het uitgebreide OMA-archief te hebben doorploegd, verzamelden de tentoonstellingsmakers een collectie beelden, maquettes en constructiematerialen die ze onder losse thema’s voorstellen aan de bezoeker. Voor wie de projecten niet kent, kan dit soms wat verwarrend lijken (verwijzingen naar OMA’s Chinese televisiegebouw zijn verspreid over verschillende thema’s), maar de korte begeleidende teksten die overal op de grond liggen houden het geheel toch erg overzichtelijk.

Rotors archeologische benadering leidt bij momenten wel tot een al te meegaande houding ten opzichte van hun onderwerp. Zoals eerder aangegeven is het algemene voorkomen van de tentoonstelling erg vergelijkbaar met eerdere OMA-tentoonstellingen en blijft de curator dicht bij de OMA-huisstijl. Bovendien heeft Rotor bij al dat gegraaf in de archieven een aantal prullaria opgeduikeld, die nu als een soort meesterwerk van een miskend genie worden opgevoerd. De tentoonstelling opent met twee kleine eivormige objecten, waarvan niet duidelijk is of het om afval uit een prullenmand gaat, dan wel om een werkelijke maquette. Een doorwinterde criticus als Koolhaas verdraagt wat meer tegenwind dan dit.

Wat de tentoonstelling vreemd genoeg grotendeels onbesproken laat, is de ambitie die uit haar titel spreekt: Progress. Al van bij het begin van zijn carrière heeft Koolhaas een obsessie voor instituten en maatschappijen in volle ontwikkeling en modernisering. Dit is voor een deel opportunistisch: Een nieuwe tijdgeest of machtsgroep vraagt vaak een nieuwe architectuur. Kijk maar naar het New York van de jaren 20, het naoorlogse Japan of China nu. Maar aan de andere kant past deze obsessie ook in Koolhaas’ verwoede pogingen om meer te willen zijn dan louter en alleen een architect. Geen enkele van de andere sterarchitecten in de wereld voelt zich zo geroepen om allerlei maatschappelijke evoluties te analyseren en te prediken als Koolhaas. Elke maatschappij die een periode van snelle ontwikkeling doormaakt, is bijgevolg een vruchtbare omgeving waarin Koolhaas als een koekoek zijn architecturaal en filosofisch ei kan leggen. Progress, met andere woorden, is de natuurlijke habitat die OMA telkens opnieuw ergens anders moet gaan zoeken. Het maakt het bureau tot een soort huurling-utopist, een geïnstitutionaliseerde versie van de late Corbusier die met een klein team medewerkers een nieuwe hoofdstad bouwde in Chandigarh, India.

Waar Progress een indrukwekkend overzicht biedt van wat OMA allemaal realiseerde in zijn rol als huurling-utopist, laat de tentoonstelling na om deze rol zelf onder de loep te nemen. Zo zit er een duidelijke evolutie in de omgevingen waar Koolhaas zijn progress gaat zoeken: van Delirious New York, over postindustrieel Europa, naar emerging markets en nu zelfs landelijke gebieden. Het discours dat Koolhaas rond deze uiteenlopende sociaal-economische contexten opbouwt, blijft echter verrassend gelijklopend. Ook OMA’s individuele gebouwen tonen een dubbelzinningheid die vragen oproept over de positie van het bureau: De architectuur is vaak een combinatie van generische interieurelementen, infrastructurele oplossingen en innovatieve bouwmaterialen, en schudt daardoor alle lokale referenties en tradities van zich af. Anderzijds is het discours rond bijvoorbeeld het Chinese CCTV gebouw doordrongen van verwijzingen naar de plaatselijke tijdgeest. Prangend is evenzeer de vraag waar Koolhaas nu precies heen wil met AMO, een zusterbedrijf van OMA dat ideaal geplaatst lijkt om dit soort Progress-situaties te analyseren en er een soort denktank of consultant voor te zijn. Het probleem is dat AMO bij momenten vervalt in een sloganesk onderzoek dat eerder wil overtuigen door pakkende grafieken en utopische beelden. Na meer dan tien jaar halen de analyses van AMO niet het niveau van andere denktanks of consultancybureaus.

Als het echt Koolhaas’ ambitie is om behalve architect ook een soort chroniqueur van modernisatieprocessen te zijn, kan hij er enkel mee gebaat zijn een tentoonstelling te maken die zijn iconoclastische visie hierrond fundamenteel onderzoekt. Progress maakt duidelijk hoe Koolhaas’ zelfaangemeten rol als huurling-utopist voorlopig nog verbleekt bij het fantastische iconoclasme van zijn gerealiseerde architectuur.

 

OMA / Progress, nog tot 19 februari 2012 in de Barbican Art Gallery, Barbican Centre, Silk Street, London EC2Y 8DS (020/7638.4141; www.barbican.org.uk).