Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 154 november-december 2011

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Twombly and Poussin: Arcadian Painters.

Het werk van de Amerikaanse kunstenaar Cy Twombly (1928-2011) is niet makkelijk in woorden te vatten, terwijl het toch overloopt van expliciete referenties. Zijn schilderijen – meermaals met graffiti vergeleken – vormen de neerslag van een schijnbaar ongecontroleerde performance (zoals bij zijn abstract-expressionistische landgenoten), maar zitten tegelijkertijd vol met ideeën, citaten, allusies en intenties. Ze tonen een paradoxale combinatie van een bewuste omgang met betekenis en een bijna lichamelijk verlangen naar expressie. Het kon niet anders of iemand als Roland Barthes zou over dit werk schrijven, naast tientallen andere grote namen uit de kunstkritiek van de 20ste eeuw (vele van die teksten zijn verzameld in het indrukwekkende Writings on Cy Twombly uit 2003). In de Dulwich Picture Gallery in Londen liep afgelopen zomer een tentoonstelling waarbij het werk van Twombly naast dat van Nicolas Poussin (1594-1665) werd gezet. Het was, zo bleek – en zo blijkt uit de catalogus – een prachtig idee: het werk van Twombly wordt in een verhelderend licht geplaatst, maar tegelijkertijd gebeurt er veel meer.

Op de verwantschap tussen Poussin en Twombly is sporadisch al gewezen. Ze is meervoudig, maar hun band valt samen te vatten in één opvallend feit: Ze vestigden zich op dertigjarige leeftijd in Rome, en de klassieke traditie zou, samen met het mediterrane landschap, de horizon worden waartegen hun werk zich afspeelt. Bovendien ‘gebruikte’ Twombly meermaals het werk van Poussin om precies met die traditie in contact te komen. In de catalogus bij de Londense tentoonstelling wordt dit verhaal, dat met reuzenstappen door de geschiedenis van de westerse cultuur trekt, op drie manieren verteld.

Het eerste essay, Notes on Painting, is van de hand van curator Nicholas Cullinan. Op een anekdotische maar meeslepende manier wijst hij op de talloze overeenkomsten tussen beide oeuvres. Het is bijvoorbeeld aangrijpend om de foto te zien die Robert Rauschenberg in 1952 maakte van de 24-jarige Twombly. Hij staat bij het reusachtige beeld van de hand met opgerichte wijsvinger van keizer Constantijn, een van de archeologische artefacten in de tuin van het Palazzo dei Conservatori. Cullinan vergelijkt deze foto met een laatachtiende-eeuwse tekening van Henry Fuseli waarop dezelfde hand prijkt (The Artist in Despair before the Magnitude of Antique Fragments), maar legt ook de verwantschap bloot met de tekeningen die Poussin van de resten van de antieke wereld maakte.

Vaak worden twee schilderijen simpelweg naast elkaar gezet, zoals Blind Orion Searching for the Rising Sun van Poussin (1658) en Orion III van Twombly (1968). Orion is de figuur uit de klassieke mythologie die blind werd gemaakt door de vader van het meisje dat hij in een dronken bui had proberen te verkrachten. Een orakeluitspraak raadde hem aan om naar de oostelijke rand van de wereld te reizen, waar de stralen van de opkomende zon hem zijn zicht zouden teruggeven. Poussin beeldt Orion af als een hulpeloze reus, het hoofd bijna letterlijk in de wolken, die geholpen wordt door de kleine Cedalion, assistent van Hephaistos, die hem, staand op zijn schouders, naar het licht moet leiden. Het schilderij van Twombly toont, tegen een lichtgrijze achtergrond, uitdijende, golvende cirkels. Bovenaan heeft Twombly in zijn karakteristiek ongelijkmatige handschrift ‘ORION III’ geschreven. Poussin vertelt, toont, fabuleert en representeert op een theatrale en gedetailleerde manier de gebeurtenissen; Twombly – als was hij zelf ook verblind – geeft slechts indrukken, sensaties, vermoedens van wat Orion zelf zou ervaren kunnen hebben, en van wat er van zijn mythe overblijft als alle beeldende informatie is geschrapt.

Het tweede essay in het boek, Immortal – and Eternally Young van Katherina Schmidt, is te geconcentreerd om binnen deze context aangename lectuur te zijn. Schmidt ontrafelt alle verwijzingen naar de klassieke mythologie bij zowel Poussin als Twombly, wat vooral saaie exegese en meer dan 100 voetnoten oplevert. Dan is het laatste deel van de catalogus een veel betere manier om toegang te krijgen tot de band tussen Poussin en Twombly, en tot alles dat door die band als in een magnetisch veld wordt aangetrokken. Cullinan en Xavier F. Salomon presenteren hier samen de zes thema’s waarrond de tentoonstelling was opgebouwd: ‘Arcadia and the Pastoral’, ‘Anxiety and Theatricality’, ‘Venus and Eros’, ‘Apollo, Parnassus and Poetry’, ‘Pan and the Bacchanalia’ en ‘The Four Seasons’. Na een thematische introductie volgen korte, precieze beschrijvingen van de tentoongestelde werken. Bij het eerste thema, het arcadische en het pastorale, horen onder meer het bekende The Arcadian Shepherds van Poussin uit 1629. Een herder treft met even treurige als komische verbazing op een grafzerk de inscriptie ‘Et in Arcadia Ego’ aan. Arcadia van Twombly uit 1958 is een bleke, bijna marmeren achtergrond waarop talloze krabbels staan. Het is, schrijft Cullinan, ‘caught between rebus and ruin’, hoewel de grote letters van het woord ‘ARCADIA’ duidelijk opvallen. Aan die term ontlenen de tentoonstelling en deze catalogus ook hun titel. Daardoor ontstaat de suggestie dat het ‘arcadische’ de meest uitgesproken doorsnede vormt tussen het werk van Twombly en Poussin.

‘Et in Arcadia Ego’. Erwin Panofsky heeft in zijn klassieke essay Poussin and the Elegiac Tradition uit 1936 gewezen op de twee betekenissen van dit zinnetje: ‘Ik’ [Ego] kan naar ‘de Dood’ verwijzen, zodat er een soort memento mori ontstaat dat de mens eraan herinnert dat ook gelukkige mensen moeten sterven. Anderzijds kan het ook om een menselijke uitspraak gaan. De dode die de herders in het schilderij van Poussin aantreffen, spreekt jammerend tot de levenden: ‘Ook ik was ooit in Arcadië – hoe is het mogelijk dat ik nu dood ben, terwijl ik zo gelukkig ben geweest!’ In een bespreking van de tentoonstelling schreef T.J. Clark in de London Review of Books: ‘Death is everywhere at Dulwich’ – te meer omdat een week na de opening van de expositie Cy Twombly op 83-jarige leeftijd in Rome overleed.

Deze publicatie ademt nostalgie, verlies en historische sensatie, net als het oeuvre van Twombly. Daarbij wordt diens aanpak tegelijk door nuance, humor en lichtheid gekenmerkt. Dat staat in contrast met bijvoorbeeld het verwante werk van Anselm Kiefer, dat eveneens melancholisch naar een traditie verwijst (zij het een meer joodse en noordelijke traditie), maar vaak pathetisch wordt. Die val weet Twombly meestal te vermijden, omdat hij zijn werk, en de contemporaine schilderkunst, voortdurend relativeert. De vergelijking in dit boek legt inderdaad een arcadisch maar modern en elegisch levensgevoel bloot: hoe was het immers mogelijk om zo ongeremd, zo naïef, zo betekenisvol en ongegeneerd als Poussin te kunnen schilderen? Uiteindelijk is het dus de kunst die hier spreekt, en zegt: ‘Et in Arcadia Ego’.

 

• Nicholas Cullinan, Xavier Salomon & Katherina Schmidt, Cy Twombly and Nicholas Poussin: Arcadian Painters, verscheen in 2011 bij Paul Holberton Publishing, 89 Borough High Street, London SE1 1NL (0207/407.0809; www.paul-holberton.net). De gelijknamige tentoonstelling liep van 29 juni tot 25 september 2011 in de Dulwich Picture Gallery in Londen (www.dulwichpicturegallery.org.uk).