Sven Vitse

DE WITTE RAAF

Editie 155 januari-februari 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ihab Hassan

In historische benaderingen van de term postmodernisme is doorgaans een plaatsje gereserveerd voor The Dismemberment of Orpheus. Toward a Postmodern Literature. De Amerikaans-Egyptische literatuurwetenschapper Ihab Hassan verrichtte pionierswerk door al in 1971 de contouren van een postmoderne literatuur te schetsen. Wie enkel de inhoudsopgave bekijkt, zou zich erover kunnen verbazen een boek over postmodernisme in de hand te hebben. Die inhoudsopgave kondigt immers hoofdstukken aan over De Sade, Hemingway, Kafka, het surrealisme en het existentialisme. Enkel Beckett, het onderwerp van het laatste hoofdstuk, lijkt in het postmoderne plaatje te passen, ook al signaleert deze naam voor mij veeleer het vertrekpunt dan het eindpunt van een geschiedenis van het postmodernisme.
In 1971 waren veel romans die we nu als postmodern beschouwen nog niet gepubliceerd. De toonaangevende studies van literatuurwetenschappers als Linda Hutcheon, Hans Bertens en Theo D’Haen verschenen pas vanaf de jaren 80. Dit gegeven maakt een terugblik op Hassans vroege studie des te interessanter. Welke betekenis heeft het boek veertig jaar na publicatie nog? Wat had Hassan in 1971 al over het postmodernisme te melden? De inleiding van het boek mag door zijn lyrische vaagheid en gezwollen stijl gedateerd aandoen, de afzonderlijke hoofdstukken laten zich stuk voor stuk lezen als inzichtelijke inleidingen tot het werk van de betrokken auteurs of stromingen. Zo heb ik het boek anno 2012 dan ook vooral gelezen.
De titel van Hassans studie wijst op een crisis, ‘a radical crisis of art, language, and culture’. Het is van deze crisis, deze geschiedenis van vervreemding, dat Hassan enkele momentopnamen wil laten zien. Het uiteenrijten van Orpheus is dan ook ‘a continuous process’ dat zich evengoed aan het werk van Franz Kafka als aan dat van Alain Robbe-Grillet laat aflezen. Orpheus staat symbool voor de harmonie tussen de taal en het leven, de cultuur en de wereld, maar de geschiedenis van de moderniteit toont de gestage, onophoudelijke verscheuring van deze mythologische zanger. Het hoofd blijft zingen, maar zijn gezang neigt steeds meer naar stilte.
Stilte is het centrale concept waaraan Hassan zijn voorgeschiedenis van het postmodernisme ophangt: ‘silence is my metaphor of a language that expresses, with harsh and subtle cadences, the stress in art, culture and consciousness’. De stilte is het resultaat van verregaande vervreemding: van de westerse ratio, van de burgermaatschappij, zelfs van de natuur en van het eigen lichaam. Zij uit zich in negativo: in antiliteratuur, in een antitaal die de onmogelijkheid van de uitdrukking en de leegte van de taal omspeelt. Op deze ervaring van verstomming reageert de een met een visionaire droom waarin mens en maatschappij, lichaam en geest verenigd zijn, de ander met een onttakeling van de taal tot de grenzen van de stilte. ‘The language of the former, merging with the chaotic flux of reality, aspires to All; the language of the second […] aspires to Nothing.’ Deze geschiedenis van vervreemding en verstilling mondt uit in de postmoderne literatuur, waarin woorden nog slechts hun onmacht uitdrukken en de vorm zichzelf opheft.
De hedendaagse lezer kan zich afvragen of deze ervaring van verstomming, belichaamd in het werk van Samuel Beckett, niet veeleer met een laatmodernistische poëtica correspondeert dan met een postmoderne. Eigen aan het postmodernisme, aldus de recentere commentaren, is precies dat het laatmoderne autisme getransformeerd wordt in een polyfoon intertekstueel spel, tegelijk ironisch en doortrokken van melancholie. De crisis van de taal leidt niet langer tot verstilling, maar bloeit open tot een woekering van stemmen en stijlen. Dergelijke bedenkingen suggereren dat The Dismemberment of Orpheus zelf een historisch document in de geschiedenis van het postmodernisme is geworden, maar zij doen weinig af aan de waarde van Hassans fraaie beschouwingen over het moderne proza.
In het eerste ‘Interlude’, ‘From Pataphysics to Surrealism’, loodst Hassan de lezer met verbluffende souplesse door enkele decennia Europese (en vooral Parijse) avant-garde. Alfred Jarry verwoordt zijn vervreemding van de burgermaatschappij in een antitaal, ‘constantly searching for its lowest common denominator in slang, obscenities, oaths, expletives and clichés’. Die antitaal culmineert in de dadaïstische klankgedichten, die Hugo Ball hanteert als zuivering van de vervuilde burgertaal, ‘a means of escaping the ordinary corruptions of language’. Het surrealisme, echter, streeft niet naar afbraak, maar naar een verruimde taal, een verruimd bewustzijn dat de kloof tussen mens en wereld overspant. Ook in dat streven huist de stilte, want de gezochte, steeds wijkende vorm (‘vanishing form’) laat zich door woorden slechts corrumperen.
Na een hoofdstuk over Ernest Hemingway belandt Hassan bij Franz Kafka, die hij ronduit ‘the key figure in our search for a postmodern literature’ noemt. Wie op zoek is naar gedetailleerde tekstanalyse kan beter een ander boek in huis halen: Hassans stijl is essayistisch, bespiegelend in de breedte veeleer dan de diepte, lyrisch en zelfs apodictisch. Typerend is de volgende passage: ‘In the end, Kafka’s art delimits the country of hope by exhausting the terrain of despair. Committed to self-destruction, he declares his faith in the Indestructible.’ Maar de rode draad in het betoog is helder: Kafka’s proza is een haast religieuze poging om in woorden het onuitspreekbare te omcirkelen. Daartoe construeert hij haarscherpe configuraties van onbepaaldheid en ambiguïteit – zoals in de roman Het slot – en bijt hij zich vast in de paradox en de onuitlegbare parabel.
Over een van deze parabels merkt Hassan op: ‘This is a parable not of division or confusion but of incommunicability.’ Kafka’s stilte mag dan mijlenver verwijderd zijn van het lawaai van dada, het vervreemde bewustzijn hebben ze gemeen. Kafka’s verhalen en romans geven vorm aan het zoekende bewustzijn, dat halt houdt voor een ondoordringbare realiteit. Typerend voor Hassan is de nadruk op het mystieke, op het verlangen naar leegte: misschien is ‘the true quest’ bij Kafka wel ‘a quest for questlessness’.
Terug naar Parijs. Hassan zal tot het einde van zijn studie het Franse grondgebied niet meer verlaten. Het korte uitstapje naar de contemporaine Amerikaanse literatuur in de epiloog heeft een bedroevend schets- en plichtmatig karakter. The Dismemberment of Orpheus is dan ook vooral een studie van Franse literatuur (inclusief Beckett). Hassan komt in zijn tweede ‘Interlude’, ‘From Existentialism to Aliterature’, al heel wat dichter in de buurt van wat men doorgaans onder postmoderne literatuur verstaat, en dan met name in zijn beschouwing over de Franse nouveau roman (hier als ‘Aliterature’ aangeduid). Het existentiële proza past vooral in Hassans betoog door de weigering van Sartre om zich door de ervaring van vervreemding de mond te laten snoeren. Hij zoekt een constructieve tussenweg tussen ‘the inherent duplicity of words and the muteness of life’.
De nouveau roman, en het proza van Alain Robbe-Grillet in het bijzonder, is interessanter in het licht van de discussie over het postmodernisme. Hoewel volgens de Franse literatuurgeschiedenis de nouveau roman tot de (modernistische) avant-garde behoort, hebben vooral Angelsaksische literatuurwetenschappers er postmoderne trekken of in elk geval een overgang van modernisme naar postmodernisme in herkend. Brian McHale, bijvoorbeeld, zag in het vroege proza van Robbe-Grillet (uit de jaren 50) nog vooral modernistische twijfel over kennis en representatie van de werkelijkheid, terwijl die twijfel in het latere werk (uit de jaren 60) veeleer het bestaan van de werkelijkheid zelf betrof. Deze filosofische discussies klinken vandaag de dag behoorlijk esoterisch; bovendien hebben ze tot hardnekkige clichés over het postmodernisme geleid. Het aardige is nu dat het poststructuralistische jargon in de analyse van Hassan een verfrissend marginale rol speelt.
Hassan typeert de nouveau roman als een nieuwe fase in de confrontatie van een steeds zelfreflexiever wordend bewustzijn met een steeds meer terugwijkende realiteit. De ‘aliteratuur’ beweegt zich in de dunne marge tussen ongrijpbare data en de fictionele gedaante die ze onvermijdelijk in het bewustzijn aannemen. Net als het proza van Kafka leest Hassan de romans van Robbe-Grillet als een haast meditatieve oefening voor het bewustzijn: de lezer oefent zich in het afscheid van de conventionele vorm, in het afscheid van sluitende betekenisgeving. ‘Everything in the novel resists, as long as the reader can endure, conventional meaning.’ Erg postmodern klinkt deze problematiek voor hedendaagse lezers wellicht niet: het postmodernisme accepteert de fictionalisering als uitgangspunt, niet voor een zoektocht naar de nulgraad van het schrijven, maar voor een intens metafictionele vermenigvuldiging van verhalen.
Het eindpunt en ook wel het hoogtepunt van Hassans verhaal is Beckett: ‘a supreme example of the postmodern artist, turning the malice of language against itself’. In dit hoofdstuk komt Hassan pas echt in zijn ritme, want toegepast op Beckett valt zijn wollige, naar taalmystiek neigende discours helemaal in zijn plooi. ‘The fictions of Samuel Beckett are products of the solitary game that the human voice plays by itself. […] his words seek to meet their death in silence at some point projected outside the word.’ De confrontatie met de moderne wereld slaat de mens met verstomming en de taal brengt geen zingeving. De mens kan nog slechts spreken en vertellen tegen beter weten in, volgens het mantra van The Unnamable: ‘you must go on, I can’t go on, I’ll go on’. Zoals de titel van Becketts geniale eenakter Endgame aangeeft, bevindt de beckettiaanse mens zich in een eindsituatie: ‘Yes, there it is, it’s time it ended and yet I hesitate […] to end.’
Ik ben geneigd om in Beckett daarom het eindpunt van de modernistische vervreemding en taalscepsis te zien. Het postmodernisme – volgens mijn woordenboek – begint wanneer het subject zich deze vervreemding en twijfel als positieve drijfveer en mogelijkheidsvoorwaarde heeft eigen gemaakt. Voor de postmodernist was er nooit iets anders dan een met verhalen gevulde leegte, en maakt net die leegte elke constructie mogelijk, vrij van de noodzaak en de drang – zij het niet altijd van het verlangen – haar te overstijgen, hetzij in heilige stilte, hetzij in hels lawaai. En misschien schuilt precies daarin de historische vergissing van het postmodernisme. Heeft de postmoderne cultuur niet te vlot de crisis van de moderniteit – exemplarisch verwoord door de kritiek van Lyotard op de moderne metaverhalen – als uitgangspunt voor een lichtvoetig en ironisch spel aangenomen? Heeft zij daardoor niet te makkelijk de crisis als inherent en onoverkomelijk onderdeel van elk systeem geaccepteerd? Die vergissing valt dan alvast Ihab Hassan niet aan te rekenen.