Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 155 januari-februari 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

John Updike. Higher Gossip. Essays and Criticism.

Er mogen dan altijd schrijvers zijn die zich op de meest uiteenlopende domeinen begeven, in boeken lijken ze zich steeds vaker te moeten beperken tot één onderwerp. Ook essaybundels moeten als product een gezicht hebben, eenduidigheid voorwenden. Het zopas verschenen Higher Gossip van de Amerikaanse schrijver John Updike vormt een opmerkelijke uitzondering. Updike, overleden in 2009, verwierf vooral bekendheid met romans als Rabbit, Run en The Witches of Eastwick. Higher Gossip is een prachtig uitgegeven boek van vijfhonderd bladzijden. Het bevat uiteraard teksten over literatuur, onder meer over het werk van Nabokov, Vonnegut en Fitzgerald, terwijl ook de nawoorden zijn overgenomen uit de heruitgaves van eigen werk. Maar Updike schreef ook over tal van andere onderwerpen. Onder de titel The Game zijn vijf teksten verzameld over golf, de favoriete sport van de auteur, waarvan hij het weldoende effect omschrijft (‘dissipating fatigue as does the sun the mists of morning’). Daarnaast komen onder meer het lot van de open ruimte in het Amerikaanse landschap aan bod, onze fascinatie voor dinosaurussen, het leven van Albert Einstein, en het belang van humor.

Een derde van de teksten in Higher Gossip gaat over beeldende kunst. Het deel ‘Gallery Tours’ is opgedeeld in vijf hoofdstukken: ‘Old Masters’, ‘Romantics and Realists’, ‘Van Gogh and Seurat’, ‘Secessionists and Surrealists’ en ‘Photographers’. Hier wordt het boek op een bijzondere manier interessant: Kan een amateur als Updike diepgaand en geloofwaardig schrijven over kunst? Of komt hij niet verder dan vulgarisering omdat hij niet vertrouwd is met de moderne en gespecialiseerde kunsttheorie, en er niet in slaagt de problemen van de kunst te vatten, laat staan te beschrijven? Higher Gossip laat slechts gedeeltelijk toe die vraag te beantwoorden omdat de teksten van Updike over hedendaagse kunst niet zijn opgenomen. In de inleiding schrijft redacteur Christopher Carduff dat een aantal teksten, ‘crying out for full-color plates’, gereserveerd is voor ‘a future, glossier collection’.

De teksten in Higher Gossip suggereren dat Updikes interesse in kunst grotendeels oneigentijds is. Updike, die in Oxford in de jaren 50 kortstondig studeerde aan The Ruskin School of Drawing and Fine Art, geeft inderdaad blijk van een ouderwetse voorliefde voor ambachtelijk of stilistisch talent, en voor kunst die niet alleen maar is gebaseerd op abstracte concepten of kritische strategieën. In een tekst over Magritte schrijft hij: ‘Surrealism suffers the danger of any art of ideas: the delivery of the idea exhausts the content.’ Die ingesteldheid maakt hem op een conservatieve manier ongevoelig voor een groot deel van de naoorlogse kunstproductie. Langs de andere kant wordt hij precies daarom een atypische kunstcriticus, die enkele taboes van de kunstbeschouwing negeert.

Updike is als romancier geliefd omwille van zijn sprankelende stijl, die ook in de beste van zijn kunstkritieken aanwezig is; ‘Style as I understand it’, schrijft hij in dit boek, ‘is nothing less than a writer’s habits of mind – it is not a kind of paint applied afterward, but the very germ of the thing.’ In een recensie van een van zijn vorige essaybundels, Just Looking uit 1989, wees Arthur C. Danto er al op hoe Updike de ‘ekphrasis’, de beschrijving van kunstwerken, op een uitzonderlijke manier beoefent. Ook in Higher Gossip staan schijnbaar achteloos neergeschreven zinnen die wijzen op een bekwaamheid waar weinig professionele kunstcritici op kunnen bogen – niet enkel omdat ze een werk mooi of gedetailleerd beschrijven, maar ook omdat ze de ‘ekphrasis’ als middel tot duiding aanwenden.

Die methode is bijvoorbeeld terug te vinden in het essay over het werk van Egon Schiele, getiteld Can Genitals Be Beautiful?, waarin Updike het ‘probleem’ van de moderne seksualiteit, en van het kijken naar de naaktheid van anderen, beschrijft: ‘His female nudes are among the great drawings of the century, and even those with the vulval cleft foregrounded have the guileless animation that occurs when self-absorption lifts and observation begins.’ Updike kijkt, en hij registreert zo precies mogelijk wat de kunstenaar toont, en wat de kunst daarom in hem teweegbrengt. Kunst is in zijn ogen nog steeds bovenal mimesis, nabootsing en schepping van de werkelijkheid, een uitzonderlijk venster op de wereld. Hij onderschrijft naar eigen zeggen de definitie die Joseph Conrad aan de artistieke impuls gaf als ‘a single-minded attempt to render the highest kind of justice to the visible world’. Zijn essay over Chardin besluit hij als volgt: ‘The joke is on all those contemporary painters of pomp and sexual power who did not see that the highest subject of painting is the painting itself, and that the ordinary plain things and persons around us offer the painter not just as good an excuse as any, but the best excuse possible, since the everyday world is what is always there.’

Updike was als romancier een aanhanger van een laatmodernistisch realisme. Dat esthetisch programma verlangt hij ook van de kunst die hij bekijkt, en het komt eveneens tot uiting in de constructie van zijn kritieken. De criticus wordt een ik-verteller die gedetailleerd verslag uitbrengt van een museumbezoek, en er niet voor terugschikt om dingen te vermelden die op het eerste zicht onbelangrijk lijken. ‘Too many people jealously clustered and jostled within inches of hallowed works that demanded close scrutiny’, schrijft hij in 1995 over een Vermeerexpositie. Soms laat hij zelfs andere bezoekers aan het woord: ‘a few feet away, a woman said in my hearing, of the two-half blue drawings, ‘I love those’ ’ – om vervolgens te besluiten: ‘Never underestimate van Gogh’s posthumous appeal for the art public.’ Een dergelijke reportagetechniek kan banaal overkomen, ware het niet dat zijn teksten er een aantrekkelijk werkelijkheidseffect door krijgen. Bovendien laadt Updike zijn registraties altijd op met interpretaties. Kritiek mag inderdaad ‘geroddel’ zijn – het is roddel van een hogere soort: erudiet, geëngageerd, en even goed geschreven als beargumenteerd.

In Higher Gossip is eveneens een tekst opgenomen die Updike uitsprak toen hij in 1984 de National Book Critics Circle Award in Criticism kreeg – getiteld: ‘In defense of the amateur reader’. Updike beschrijft hoe de meeste critici ofwel uitermate professioneel te werk gaan (‘as employees of the educational industry’), ofwel reclame maken door een cultuurproduct te ‘coveren’ (‘as arms of the publishing industry’). ‘One’s elusive fear, amid so much industry’, waarschuwt hij, ‘is that an aura of duty will oust all joy from the situation.’ Als er iets is dat Higher Gossip te bieden heeft, is het precies dat: plezier – van een schrijver die over alles kan schrijven, en voor een lezer die over alles mag lezen.

 

John Updike. Higher Gossip. Essays and Criticism verscheen in 2011 bij Alfred A. Knopf, New York (www.randomhouse.com).