Sandra Kisters

DE WITTE RAAF

Editie 155 januari-februari 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

My Faraway One. Selected Letters of Georgia O’Keeffe and Alfred Stieglitz.

Dit vuistdikke boek telt 832 pagina’s en toch is het pas het eerste deel van de verzamelde correspondentie van een van de beroemdste Amerikaanse kunstenaarsechtparen: zij een modernistisch schilder, hij een vooraanstaand fotograaf en voorvechter van de moderne kunst. Toen ze elkaar leerden kennen stonden ze beiden op een keerpunt in hun leven. O’Keeffe was een onbekende tekendocente uit het Midwesten van Amerika die dankzij Stieglitz’ inspanningen een bestaan als autonoom kunstenaar zou kunnen opbouwen, terwijl Stieglitz op het hoogtepunt van zijn roem stond, maar kort na hun kennismaking zijn geruchtmakende Galerie 291 moest sluiten vanwege de economische malaise als gevolg van WO I.

In de archieven van de Beinecke Rare Book and Manuscript Library van Yale University in New Haven bevinden zich zo’n 25.000 pagina’s brieven die de twee naar elkaar schreven van 1915 tot 1946, het jaar van Stieglitz’ dood. Ter vergelijking, de correspondentie van Vincent van Gogh bevat circa 4.000 pagina’s. Sarah Greenough, fotografieconservator van de National Gallery of Art in Washington, is een specialiste op het gebied van Stieglitz’ werk. O’Keeffe en Stieglitz schreven elkaar dagelijks, en Stieglitz had daarbij de gewoonte om één of twee dagen aan een brief te werken, waardoor ze tot 40 pagina’s lang zijn. Het was O’Keeffe zelf die haar in 1981 vroeg om een uitgave te maken van de verzamelde correspondentie. Ze gaf haar weinig instructies mee, behalve ‘to make it beautiful, and to make it honest’. Greenough werkte meer dan 30 jaar aan dit eerste deel, dat de periode 1915-1933 omvat, en slechts een tiende bevat van de totale correspondentie. Gezien de enorme omvang van het materiaal is het streven naar een volledige uitgave onwenselijk. De brieven zijn overigens integraal te raadplegen op de website van de Beinecke bibliotheek.

In dit eerste deel heeft Greenough zich beperkt tot die brieven die volgens haar de evolutie van hun relatie en opvattingen over kunst tonen, inzicht geven in relaties met invloedrijke figuren en belangrijke vriendschappen, of die een beeld geven van de impact van de sociale, culturele en historische omstandigheden op hun levens. Het boek is opgedeeld in drie periodes: 1915-1918 (vanaf de eerste brief tot het begin van hun relatie), 1919-1928 (waarin ze na Stieglitz’ scheiding van zijn eerste vrouw huwen en een leven opbouwen in New York, maar ook moeite krijgen met elkaars tegengestelde karakters), en 1929-1933 (waarin O’Keeffe New Mexico ontdekt en Stieglitz een affaire begint met Dorothy Norman). Het tweede deel van de correspondentie, dat de periode 1934-1946 zal beslaan, zal volgens Greenough tonen hoe hun relatie ondanks alles standhield.

O’Keeffe en Stieglitz verschilden ruim 24 jaar. Na Stieglitz’ dood regelde O’Keeffe zijn nalatenschap en vertrok daarna voorgoed naar New Mexico, waar ze in 1986 op 98-jarige leeftijd overleed. Stieglitz had er regelmatig bij O’Keeffe op aangedrongen om brieven te publiceren in tentoonstellingscatalogi. Door zijn dood raakte ze doordrongen van het belang van het bewaren van hun beider correspondentie, incluis de correspondentie met kunstenaars, critici en conservatoren. In de loop der jaren vroeg ze diverse mensen, onder wie kunstcritica Barbara Rose, om een selectie te maken van haar correspondentie met Stieglitz voor publicatie. In 1978 liet ze een editie lezen aan een vriend, maar die vond het resultaat te uitgebreid voor de gemiddelde lezer en te weinig onderbouwd voor een specialist. Ondanks Greenoughs enorme inspanningen is dezelfde kritiek nog steeds van toepassing op dit boek. Zo is het erg jammer dat er zo weinig illustraties zijn opgenomen. Beiden refereren regelmatig aan werken van zichzelf en andere kunstenaars, maar Greenough beperkt zich in die gevallen tot een verwijzing naar catalogi die de lezer er dan maar naast moet hebben liggen.

Na haar dood doneerde O’Keeffe haar brieven aan de Beinecke bibliotheek, met een restrictie van 20 jaar op inzage van de brieven tussen haar en Stieglitz, alsmede die tussen Stieglitz en Dorothy Norman. Wie die brieven leest, begrijpt waarom: ze zijn intens persoonlijk en geven vooral een beeld van de ontwikkeling van hun relatie en huwelijk. Het is ontroerend om te zien hoe hun liefde ontluikt, maar ook pijnlijk om te lezen over Stieglitz’ angst om haar kwijt te raken. En dan zijn er nog de brieven waarin Stieglitz naar Fluffy verwijst, O’Keeffes geslachtsdeel, of het over seks heeft, zodat de lezer doordrongen raakt van het sterk erotische karakter van hun relatie in de beginjaren.

De brieven geven relatief weinig nieuwe inzichten in hun professionele relatie, de invloed van Stieglitz op de beeldvorming van O’Keeffe als woman artist die schept vanuit haar seksualiteit en O’Keeffes mening daarover. Anderzijds is het wel boeiend om te lezen hoe O’Keeffe langzaam verandert van een keurige en formele jongedame, die in de eerste brief anno 1915 vraagt om een abonnement op Camera Work, tot een heel zelfstandige en zelfbewuste vrouw die ervoor kiest om afstand te nemen van haar man teneinde zichzelf te beschermen. Er is veel geschreven over de legendarische ontdekking van O’Keeffe door Stieglitz in 1916 en het is fascinerend om te lezen hoe belangrijk de mening van Stieglitz voor O’Keeffe was. In januari 1916 schrijft ze hem om te vragen wat hij nu eigenlijk van de houtskooltekeningen vond die haar vriendin Anita Politzer aan hem had laten zien, waarbij Stieglitz zou hebben uitgeroepen: ‘Finally a woman on paper!’ Stieglitz antwoordt op 20 januari: ‘What am I to say? It is impossible for me to put into words what I saw and felt in your drawings.’

In de beginjaren van hun relatie begint Stieglitz met het maken van foto’s van O’Keeffe terwijl ze poseert voor haar werk. Jammer genoeg zijn er in de brieven heel weinig verwijzingen naar O’Keeffes reacties op de foto’s, en op de interpretatie ervan door critici nadat Stieglitz ze in 1921 op een tentoonstelling toont. Over de eerste 4 foto’s schrijft ze hem wel op 16 juni 1917: ‘The box came – yesterday – and I love myself […] I believe my hands better than my face – though both seem different every time I look at them […] It makes me laugh that I like myself so much – like myself as you make me.’ Stieglitz fotografeert haar uiteindelijk meer dan 330 keer. In juni 1918 schrijft hij een brief die direct in verband gebracht wordt met de foto’s: ‘I see half-open lips – […] I see eyes hardly open – eyelashes dark - & brows made to stroke – I see the strong forehead […] I see arms and hands stretched out into the skies – seeking to hold – all of love – passionately – wildly […] I see breasts – too – awaiting – a throat too - & neck –.’ Als lezer voel je je hier een voyeur, zeker als uit de volgende brieven blijkt dat hij bepaalde foto’s maakte direct na haar ontmaagding.

Hoewel de brieven weinig informatie verschaffen over de receptie van O’Keeffes werk, geven ze wel inzicht in het leven dat het echtpaar leidde, tonen ze het belang aan van de stad New York en de galerie voor Stieglitz, en van de natuur als vitale inspiratiebron voor O’Keeffe. De verschillen in hun karakters blijken erg groot. De hypochondrische Stieglitz wil nooit mee op reis, houdt vast aan zijn routines en heeft behoefte aan een vrouw die hem adoreert en verzorgt. En dan verschijnt Norman ten tonele. Hoewel ze getrouwd is, wordt ze Stieglitz’ nieuwe geliefde én financiële partner in zijn galerie An American Place. O’Keeffe vlucht en ontdekt New Mexico. Op 2 mei 1929 schrijft ze: ‘This really isn’t anything you ever saw – no one who tells about it gives any idea of it.’ En op 29 mei 1929: ‘I feel full to bursting for work – and I feel it is to be good – at any rate I enjoy it.’ Stieglitz echter, is ongerust en wil haar niet verliezen, ook al is hij evenmin van plan de relatie met Norman te verbreken. Op 6 juli schrijft hij een zeer emotionele brief waarin hij ook reflecteert op zijn invloed op haar beeldvorming: ‘[…] I had complained about you in minor ways. But my God – I was canonyzing you day & night – for thirteen years – as no woman living or in the past was ever canonized. […] Without you I am nothing. Without me you go right ahead – will be Georgia O’Keeffe. The fact is you really do not need me anymore.’ Niet lang daarna krijgt O’Keeffe een zenuwinzinking, vanwege een mislukte opdracht, maar vooral vanwege de affaire. Ze doet er twee jaar over om er weer bovenop te komen, en op dat moment – eind december 1933 – eindigt deel 1 van de correspondentie.

 

• Sarah Greenough (red.), My Faraway One. Selected Letters of Georgia O’Keeffe and Alfred Stieglitz: Volume One, 1915-1933, in samenwerking met de Beinecke Rare Book and Manuscript Library, verschenen in 2011 bij Yale University Press, New Haven & London. Adres: 47 Bedford Square, London WC1B 3DP (020/7079.4900; http://yalepress.yale.edu). ISBN 9780300166309.