Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 155 januari-februari 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Martin Douven – Leopoldsburg – Jef Geys.

Onverstoorbaar gaat Jef Geys door met zijn werk, steeds op zoek naar eigen thema’s, problemen en gevoeligheden, uitgedrukt in altijd wisselende verzamelingen van beelden, teksten en objecten. In het M HKA stelde hij voor de duur van één tentoonstelling een vergeten figuur centraal, die een belangrijke rol heeft gespeeld in zijn ontwikkeling als kunstenaar. Het gaat om Martin Douven (1898-1973), een autodidactisch schilder, net als Geys afkomstig uit Leopoldsburg. Douven begon in 1928 met de verkoop van eigen schilderijtjes. Zijn artistieke praktijk nam al snel industriële proporties aan. Hij leerde zijn zonen om aan de lopende band schilderijen te maken, die over de hele wereld werden verkocht. In 1965 haalde de fabriek de Daily Mail, in een artikel met als kop Production-Line Paintings: Astonishing factory where Woolworths buy their original ‘oils’. Een foto toont zes schilders vlak naast elkaar aan het werk. (Geys heeft het artikel op de cover geplaatst van de recente editie van zijn Kempens Informatieblad die als catalogus dienstdoet.) Een Amerikaanse journalist noemde Douven de ‘Henry Ford van het olieverfschilderij’. Jef Geys was een klasgenoot van een van de zonen van Douven, en kwam geregeld in de fabriek.

Deze biografische (en autobiografische) informatie werkte als de ontsteking van de tentoonstelling, die zich uitbundig over de gehele gelijkvloerse verdieping van het MuHKA verspreidde. Alles wat volgde stond in het teken van het levenswerk van Martin Douven – in zekere zin de meest succesvolle Belgische schilder aller tijden. Tegelijkertijd bleef ook de kunstenaar Jef Geys altijd aanwezig – hij was tenslotte de auteur van deze tentoonstelling. Maar wat betekent het om kunst te maken zoals Geys dat doet, en zoals Douven dat deed? Waarom hangt (of hing) er een ‘Douven’ in duizenden huiskamers, maar niet in onze nationale musea, en waarom mag Geys het M HKA vullen en ons land vertegenwoordigen op biënnales, terwijl hij eigenlijk een klein publiek heeft?

Die belangrijke vragen weerklonken op vele manieren. Ze werden opgewekt door de tientallen werken, oud en nieuw, die Geys tentoonstelde. Verbanden en associaties werden opgeroepen, tegenstellingen werden in de verf gezet en gelijkenissen gesuggereerd. In de (misschien enigszins te) uitgestrekte tentoonstelling viel niet van elk object of schilderij de aanwezigheid te verklaren. Nu en dan heerste onduidelijkheid. In het midden van de grote zaal helemaal rechts in het M HKA stond bijvoorbeeld een groepje houten meubels – een aanwezigheid die ook na lezing van het Kempens Informatieblad mysterieus bleef. Ook de afwezigheid van naambordjes (enkel het bruiklenerschap werd vermeld) maakte de zaak er niet makkelijker op, temeer omdat er ook werken van andere kunstenaars dan Geys en Douven aanwezig waren. En toch droeg ook dat uiteindelijk bij tot de kracht van de tentoonstelling, die het diepgaande en onoplosbare probleem van de hedendaagse kunst bij momenten op een hartverscheurende manier ervaarbaar maakte: Door wie, en vooral voor wie wordt kunst gemaakt?

De expositie begon met een schaalmodel van de fabriek van Douven, gebouwd door een van zijn kleinzonen – ook dit was ooit een tempel van de kunst. In een uithoek van de tentoonstellingsruimte hing Geys een maquette van het M HKA op, die duidelijk als werkmodel voor deze expositie dienst had gedaan. Tegenover de maquette van ‘art factory Douven’ hing Zwart schilderij met zwaantjes aan de muur, een werk uit 1959, een originele Douven die Geys toen al had overschilderd, in een poging na te gaan wat een beeld precies aantrekkelijk maakt, en waar het letterlijke en figuurlijke zwaartepunt ligt van een schilderij.

Even verderop was een schitterende uitstalkast aan de wand bevestigd, tot de rand gevuld met het materiaal van een schilder: kleurige tubes, ongerepte flacons, vooralsnog zuivere borstels, paletten, papier, kleurpotloden, waskrijt, canvas en white spirit. Hier klopte het hart van de tentoonstelling. Deze ouderwetse grondstof – van het artistieke werk, van de esthetische ervaring – is waar het in de kunst op een symbolische manier om draait. Dit zijn de basiselementen van de kunst die ons allemaal, in een ideale wereld, met elkaar zou moeten verbinden. Maar opnieuw: Hoe? Langs welke instituten, door wiens toezegging of afkeuring, ten koste van welke prijs? Gaat het om mechanismen die we kunnen controleren, of zijn het abstracte bewegingen van een angstaanjagende machine die door niemand nog bestuurd wordt? In de rotonde van het M HKA had Geys een productie-eenheid van een fabriek voor lijsten en kaders geplaatst. Hoewel deze machine stil lag, hoorden we onophoudelijk de zaagbladen snerpend door het hout snijden. Elders werd via een collage het verband gelegd tussen de werkzaamheden in het atelier van Rubens, en de fabricage van auto’s in een BMW-fabriek.

In een andere, kleine zaal introduceerde Geys nog een individu: Willy Van Loock, die al in 1971 in het Kempens Informatieblad stond. Van Loock is als enige ingekleurd op een zwart-witfoto van een twintigal mensen, vermoedelijk uit de jaren 70, staand op het voetpad voor een volks café. Hier ‘sprak’ Geys een zeldzame keer, door middel van een geschreven toelichting: ‘Willy Van Loock en ik werken al 40 jaar samen. Willy is een briljante kunstenaar en mens. Een paar jaar geleden werd hij ziek. Zijn reeks werken over het ontstaan en de ontwikkeling van de Cosmos spreken me sterk aan. Nu moet Willy dagelijks geholpen worden.’ Geys richtte zich vervolgens tot CD&V-voorzitter Wouter Beke (‘ook van Leopoldsburg’) met de vraag om zijn vriend een ‘steuntje te geven’ zodat hij snel wordt opgenomen in het verzorgingstehuis. Naast de oproep en het groepsportret was een schamel handvol schetsen van Van Loock opgehangen. Ze gingen nagenoeg verloren tussen de ontelbare schilderijen van Douven en de werken van Geys, en de contemplatie ervan werd bovendien overstemd door de opname van een interview met Douven dat op de nationale televisie werd uitgezonden, en dat vlakbij op een scherm werd gereproduceerd. Als de (kunst)wereld een onbarmhartig systeem is, als Geys de door de kritiek gecelebreerde kunstenaar is, als Douven de kitschschilder is met een ontzettend groot publiek – is Van Loock dan niet het deerniswekkende slachtoffer van dit raderwerk?

Die bestaanscondities – van de kunstenaar, maar ook van om het even wie – werden op de beste plekken van deze tentoonstelling op een indringende manier zichtbaar gemaakt. Geys blijft kunst maken, tegen beter weten in, ondanks de kunst en ondanks de kunstwereld. Ook in deze tentoonstelling bleef hij er, met de hulp van onder meer Martin Douven en Willy Van Loock, koppig op wijzen dat de verdeling van arbeid, goederen, macht, kennis en kunst nooit rechtvaardig genoeg kan zijn.

 

Martin Douven – Leopoldsburg – Jef Geys vond plaats van 9 september tot 31 december 2011 in het M HKA, Leuvenstraat 32, 2000 Antwerpen (03/260.99.99; www.muhka.be).