Sajda Van der Leeuw

DE WITTE RAAF

Editie 157 mei-juni 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Steve McQueens Blues before Sunrise in het Vondelpark te Amsterdam

‘I have the blues before sunrise / Tears standing in my eyes. I have the blues before sunrise / Tears standing in my eyes.’ De rauwe stem van Scrapper Blackwall, begeleid door een oude gitaar, weerklinkt in mijn hoofd terwijl ik door een blauw verlicht Vondelpark loop. Het ritme van zijn woorden lijkt te versmelten met de kadans van mijn stappen en de regendruppels die om me heen op de grond uiteenspatten. De regenplassen weerspiegelen het mysterieuze, blauwe licht dat door de straatlantaarns wordt verspreid: in lange, smalle banen doorbreken de lichtbundels het schemerdonker. Het ijle geluid van enkele vogels lijkt van een andere wereld te komen, net als de rode en gele lichtjes die sporadisch mijn weg kruisen – een onderdeel van de fietsen die schijnbaar onbemand door het donker zweven. Al deze lichten en geluiden lijken samen een nachtelijke, muzikale improvisatie te vormen: een nocturne die het park bezielt. Het is alsof ik me in het binnenste van een organisme bevind, waarvan het kloppende hart de baslijn vormt van een lyrische hymne aan de nacht.

Blues before Sunrise was een lichtinstallatie van de Britse kunstenaar en filmmaker Steve McQueen (1969), die in maart in het Vondelpark was te zien. Voor het felle witte licht, dat normaal door meer dan 275 lantaarns in het Vondelpark verspreid wordt, stelde McQueen een donkerblauw schijnsel in de plaats – net voldoende om het park minimaal te verlichten. Het park – gedurende de dag een functionele ruimte waar mensen zich kunnen ontspannen – werd op die wijze tijdens de nacht getransformeerd in een bijna disfunctionele, stedelijke lacune. De normale functie ervan werd tijdelijk opgeschort om plaats te maken voor een beleving die verder ging dan het doelmatige en het dagelijkse oversteeg. ‘It was about the nighttime, the nocturnal aspect of the park. In the daytime people live […] but in the night it has a different sort of situation’, zegt McQueen. ‘It’s another way of looking at it. It’s a double take at the environment with which people are in all sorts familiar with.’

Inderdaad leek het park gedurende de nacht te zijn getransformeerd in een fictionele wereld – een toneel (mogelijk van een oude film noir) waar het nachtelijke leven van Amsterdam zich als op een filmset afspeelde. Eenieder die het park betrad voelde zich tot stilte gemaand. In andere opzichten was er van een aanpassing echter geen sprake: zoals altijd bleef het park, ook met zijn nieuwe voorkomen, de snelste weg tussen West en Oud-Zuid, en voor velen de favoriete route naar huis aan het einde van een lange werkdag. Aldus zorgde Steve McQueen met zijn ingreep voor een vreemde ambivalentie. Aan de ene kant werd het functionele aspect van het park deels opgeheven door het gedempte licht (dat velen overigens deed denken aan de blauwe lampen die soms worden opgehangen ter preventie van drugsgebruik). Aan de andere kant leek de functionaliteit ervan juist benadrukt, doordat men zich bewust werd van het park op zich. Blues before Sunrise maakte op die wijze de strijdigheid tussen deze twee sferen zichtbaar: de ‘disfunctionele’ kunst en de functionele openbare ruimte werden in een specifieke spanning tot elkaar gezet, waarbij onduidelijk bleef of beide elkaar versterkten dan wel onverzoenbaar tegenover elkaar bleven staan. Eenzelfde thema lag overigens ook ten grondslag aan McQueens werk Giardini (‘de enige tuin op de gehele wereld waarin politiek en kunst samenkomen’), dat hij in 2009 op de Biënnale van Venetië presenteerde.

Helaas besloot de gemeente Amsterdam om de spanningsvolle ambivalentie van Blues before Sunrise enkele dagen voor het geplande einde (19 maart i.p.v. 25 maart jongstleden) op te heffen: na een ongelukje tussen een paar fietsers werd de installatie plots te gevaarlijk bevonden en gezien als een bedreiging voor de veiligheid van de bezoekers van het park. In een tijd waarin het beroemde gezegde van Lenin hoogtij viert – ‘vertrouwen is goed, controle beter’ – moest het mysterieuze blauwe licht van Blues before Sunrise al snel weer plaatsmaken voor het heldere licht van de alles controlerende rede. Het maakte eens te meer duidelijk dat kunst en publieke ruimte nog altijd op gespannen voet met elkaar staan.

De angst voor de poëtische ambivalentie van Blues before Sunrise kan wellicht als een logische consequentie worden gezien van datgene wat Steve McQueen als de ziel van het kunstwerk beschouwt: ‘It’s about the everyday. It is about the extraordinary within the ordinary.’ Angst is het logische gevolg van de samentrekking van het vreemde en het vertrouwde – het ‘unheimliche’ is al vaak het onderwerp van de kunst geweest. Gedurende Blues before Sunrise is dit vreemde-vertrouwde – een van oorsprong romantische gedachte (denk aan de beroemde uitspraak van Novalis) – echter letterlijk in een ander licht komen te staan. Want hoewel Blues before Sunrise wel degelijk als een hymne aan de nacht kan worden gezien, is het zeker geen romantische. McQueens hymne wordt immers gezongen door een rauwe stem – een stem die niets van doen heeft met een (snel weer vergeten) ‘happy ending’. We kunnen het dan ook alleen maar eens zijn met McQueen wanneer hij zegt: ‘The soul of this piece comes from the Blues. It haunts like no other music can.’ Nu het Vondelpark weer elke avond wordt verlicht door een fantasieloos, wit licht, lijkt dit meer waar dan ooit: de herinnering aan Blues before Sunrise zal velen nog lang blijven achtervolgen op hun dagelijkse route door het hun nu weer (te?) vertrouwde park.