Caroline Dumalin

DE WITTE RAAF

Editie 157 mei-juni 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Michel Auder in Etablissement d’en face projects

Het Brusselse collectief Etablissement d’en face blikt terug op de veertigjarige carrière van Michel Auder. Deze Franse videokunstenaar verwierf een cultstatus door de rauwe documentatie van zijn veelbewogen privé- en sociaal leven in downtown New York vanaf de late jaren 60. Aanvankelijk was hij in het politiek geladen Parijs actief als modefotograaf en filmmaker bij de Zanzibar-groep en onderging hij de invloed van de Nouvelle Vage-cineasten. Door een onbezonnen huwelijk met Factory-girl Viva Superstar kwam hij terecht in de directe invloedssfeer van Andy Warhol. Zijn kennismaking met Warhols non-narratieve, doelbewust vervelende films en de Sony Portapak, de eerste makkelijk draagbare videocamera die op de markt verkrijgbaar was, betekende het begin van een bijna compulsieve drang om de wereld zoals hij die beleefde in al zijn onmiddellijkheid te registreren. In Etablissement komen deze vroegere en langere producties vooral in het avondprogramma aan bod (elke woensdag- en donderdagavond), al kunnen bezoekers overdag ook gebruikmaken van een video-on-demand-optie. Getoond worden onder meer Keeping Busy (1969, 67’), Cleopatra (1970, 154’) en Chelsea Girls With Andy Warhol (1971-1976, 88’), waarin Viva telkens als leading lady figureert, maar ook portretten van Cindy Sherman (mevrouw Auder in de jaren 80 en 90, die er verbazend genoeg een hekel aan had om zelf gefilmd te worden), seksgoeroe en performancekunstenares Annie Sprinkle en schilderes en hartsvriendin Alice Neel. Waar Warhol zoveel mogelijk de esthetiek van de machine adopteerde, onderscheidt Auder zich in zijn vroege werk door zijn emotionele betrokkenheid. Hij leunt daarin eerder aan bij de autobiografisch-poëtische video’s van Jonas Mekas, die overigens een vurige verdediger was van Auders werk. Auder ziet zijn onderwerpen graag en tracht ze op de huid te zitten, weliswaar steeds met een camera ertussen.

In de tentoonstelling in Etablissement wordt vooral het latere, relatief onbekende werk belicht. Een bijzondere ontdekking zijn de twee langere, onconventionele reisverslagen uit de jaren 90 die worden getoond in de kelder. In Voyage to the Center of the Phone Lines (1993, 55’) heeft Auder zich teruggetrokken in een strandhuis, alleen (op ontwenningskuur, zo luidt het publieke geheim), met niets anders te filmen dan zijn uitzicht op zee. Gedurende een uur kabbelen de golven, waaien de bomen en gaat de zon onverstoorbaar onder op een ‘soundtrack’ van heimelijk afgetapte, vertrouwelijke telefoongesprekken; van zeemzoeterige onderonsjes tussen moeder en kind tot gênante break-up calls en ideologisch geladen discussies. Minder ontroerend, maar visueel des te indringender is zijn Roman Variations (1991, 50’), waarin de Eeuwige Stad gelezen wordt zowel via haar vermaarde ruïnes als aan de hand van de triviale bezigheden van haar nietsvermoedende bewoners, die Auder gadeslaat vanuit zijn hotelkamer. Daarnaast richt hij zijn flagrant erotiserende blik afwisselend op de genitaliën van mythologische standbeelden in de stad en de naaktmodellen op televisie, en confronteert hij expliciete voorstellingen van geweld in barokke schilderijen met bloederige nieuwsbeelden van lokale schietpartijen.

In de eigenlijke tentoonstellingsruimte op het gelijkvloers is een selectie te zien van Auders kortere video’s, vooral van de laatste twee decennia. De ruimte is daartoe omgebouwd tot een comfortabel cinemazaaltje, inclusief tapijt; zo wordt gemikt op een kijkervaring die de intimiteit en het voyeurisme van Auders videowerk benadert. Dat de recensent neigde in te dommelen tijdens het bekijken van de tentoonstelling was voor een keer geen kwalijk neveneffect. Het recente Narcolepsy (2010, 22’) richt zich precies op het opwekken van een dergelijke roes. Het terugkerende openingsbeeld van een rechtop zittende, duttende vrouw vermengt zich met close-ups en omgevingsgeluiden van schilderachtige berglandschappen, knetterende haardvlammen, roodgelakte teennagels, zwemmende torso’s, lopende kranen, witte konijnen en de wolf die hen vangt. Oorspronkelijk bedoeld als een installatie met vijf monitoren, volgen de verschillende delen elkaar nu op in één visuele sequentie. Net als de slapende vrouw wordt het publiek uitgenodigd om een passief standpunt in te nemen en zich te laten meevoeren door de sfeervolle en sensuele beelden die Auder uit de losse pols schoot met een simpele digitale camera, onderwaterapparatuur en gsm. Hoe uiteenlopend hun oorspronkelijke context ook moge zijn, telkens laat Auder het ene vluchtige beeld doorschemeren achter het andere. Samengenomen suggereren ze een stream of unconsciousness die alle contrasten wegvaagt: de wildheid van de natuur zit evengoed in ons hoofd; ook in onze dromen is zelden een verhaallijn aanwezig, de associaties monteren we zelf achteraf.

Voor de found footage-fragmenten die vooral de bouwstenen van zijn latere videomontages vormen, putte Auder veelvuldig uit zijn eigen omvangrijke archief. Daaruit is bijvoorbeeld een kleinood als Talking Head (1981, uitgebracht in 2009, 3’) te zien, een kort filmfragment in zwart-wit dat Auder recent opviste, maar verder gelukkig ongemoeid liet. Een jong meisje (vermoedelijk zijn dochter) praat volledig in zichzelf gekeerd over een iets dat niets was, dat maar niet terugkwam en door iedereen gemist werd. Dat ding was een persoon, meer komen we niet te weten. Zonder onderbreking vervolgt ze haar monotone en melancholieke verhaal, onbekommerd door plot, einde, of moraal.

Enigszins uit de toon vallen de fotowerken en de objecten die in de vitrineruimte aan de straatkant staan opgesteld. Het eerste wat we aantreffen is een enigmatische compositie van gipsen handen vastgebonden met koorden boven een gouden fles en een watermeloen. Het werk blijkt in strikte zin niet van de hand van Auder te zijn, maar van het Noorse kunstenaarscollectief D.O.R. (Deadly Orgone Radiation). Het trio, bestaande uit Sverre Gullesen, Steinar Haga Kristensen en Kristian Ø. Dahl, vestigde zich in 2011 in Brussel en opende er de Gallery D.O.R. Ter gelegenheid van de inaugurale tentoonstelling vroegen de Noren aan Auder om hen instructies te geven voor de uitvoering van een kunstwerk. Het resultaat omvatte naast de sculptuur ook drie stills uit Auders vroege video’s – waaronder een expliciete slaapkamerscène met Viva – die werden ingekaderd, scheef gehangen en ongeregeld beschreven met onder meer de slagzin ‘Situation as Object’. Hoewel deze werken handig de link leggen met de gelijklopende tentoonstelling die Auder cureerde in Gallery D.O.R., vormen ze wel een erg misleidende introductie. Niet in het minst omdat Auder zichzelf altijd als een Einzelgänger heeft beschouwd: ‘Niemand heeft me ooit gevraagd om werk te maken. 99% ervan komt voort uit obsessie.’

• Michel Auder, tot 26 mei in Etablissement d’en face projects, Antoine Dansaertstraat 161, 1000 Brussel (02/219.44.51; www.etablissementdenfaceprojects.org).

Halo Africa (curator Michel Auder), met werk van Sam Anderson, 
Gunhild Dahlberg, 
Michael Stickrod 
en Rona Yeffman/Tanja Schlander, tot 27 mei in Gallery D.O.R., Merodestraat 11, 1160 Brussel (www.d-o-r.org).