Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 158 juli-augustus 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De Modernen. Kunst uit Nederland

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen wordt gerenoveerd. Het Rotterdamse bureau Claus en Kaan Architecten maakte een masterplan, en de werken gingen in het najaar van 2011 van start. Pas in 2017 wordt het KMSKA heropend. In afwachting worden in de Koningin Fabiolazaal, vlakbij de Meir, kleine tentoonstellingen georganiseerd, telkens rond een beperkte selectie moderne kunst uit de museumcollectie, in een tentoonstellingsarchitectuur van Office Kersten Geers David Van Severen. Vorig jaar ging deze tentoonstellingsreeks, getiteld De Modernen, van start met een aantal ‘topstukken uit het Koninklijk Museum’; nog tot half augustus loopt de tweede tentoonstelling met ‘kunst uit Nederland’.

Een dergelijke presentatie omzeilt een aantal klassieke problemen. Een bezoek aan een uitgebreide museumcollectie zoals die van het KMSKA komt immers altijd neer op een lange wandeling door ‘une maison d’incohérence’, zoals Paul Valéry het museum noemde in zijn tekst Le problème des musées. Hoeveel kunstwerken kan men op één dag bekijken of consumeren? Hoeveel kunstgeschiedenis kan je in één museumbezoek verdragen? Toch niet iedereen kan, zoals Reger in de roman Oude meesters van Thomas Bernhard, iedere dag op hetzelfde bankje gaan zitten om naar één en hetzelfde schilderij te kijken, daarbij alle andere kunst negerend?

De tijdelijke tentoonstellingen in de Fabiolazaal bestaan uit maximaal vijftig werken, die zijn onderverdeeld in een zevental soms nogal willekeurige, maar vaak ook heel effectieve categorieën. En eigenlijk is de curatoriële aanpak niet altijd zo belangrijk. Fundamenteler is hier de architectuur waarin de schilderijen worden getoond. De Fabiolazaal is een eerder onbepaalde, quasi balkvormige ruimte, voorafgegaan door een kleine inkomhal en een smalle lange gang die door een zuilenrij van de hoofdruimte is gescheiden. De ingreep van Office Kersten Geers David Van Severen op de bestaande toestand is even eenvoudig als schitterend. De tentoonstellingsarchitectuur van De Modernen is dan ook de beste reden voor een bezoek, omdat enerzijds het parcours er schijnbaar achteloos door bepaald wordt, maar omdat anderzijds de individuele kunstwerken, in groepjes van vijf of zes, al snel op de voorgrond treden.

Centraal in de Fabiolazaal staat één houten constructie, die meer dan de helft van de ruimte inneemt, en die bestaat uit vier evenwijdige beuken. Door deze vier kamers is een diagonale lijn met deuropeningen getrokken, waardoor een gang en een zichtas ontstaan. De scheidingswanden zijn, met uitzondering van de deurgaten, massief; de wanden evenwijdig aan de voorgevel van het gebouw (de basis en de achterzijde van het tentoonstellingsvolume) bestaan uit acht schuifpoorten, die de beuken kunnen afsluiten. Zo ontstaan er vier aparte, maar toch met elkaar verbonden tentoonstellingsruimtes. Zoals vaker in het werk van Office is echter de relatie tussen de directe omgeving en de eigenlijke architectuur van wezenlijk belang. Door de precieze plaatsing van dit volume in de Fabiolazaal ontstaan er immers restruimtes, net buiten het volume, die bijna als vanzelf een belangrijke functie krijgen. De gang achter de zuilenrij wordt meer nog dan voorheen een antichambre met lockers en een paar banken, van waaruit de tentoonstelling voortdurend (en vlakbij) zichtbaar is, dankzij de openstaande schuifpoorten. De drie andere zijden van de tentoonstellingsarchitectuur bakenen samen met de muren van de Fabiolazaal drie bijkomende, driehoekige tentoonstellingsruimtes af. De bestaande toestand wordt dus niet opgeslokt, onzichtbaar of aanvaardbaar gemaakt. Eerder geldt dat de voortdurende contrasten tussen de zaal en de nieuwe architectuur de condities scheppen voor een tentoonstellingsbezoek – en voor een esthetische ervaring.

De eerste tentoonstelling in de reeks, Topstukken uit het museum, was zoals de titel al laat vermoeden weinig ambitieus. Maar precies dat gebrek aan een theoretisch of kunsthistorisch kader, bracht een aantal werken op een directe manier bij elkaar. Eén thema was bijvoorbeeld ‘Vrouwen’: De Parijse Sfinx van Alfred Stevens uit 1867 werd gecombineerd met De twee lentes van Gustave Van De Woestyne uit 1910, maar ook met Vrouw in het zwart een krant lezend van Rik Wouters uit 1912. De lezende vrouw van Wouters lijkt elk moment intelligent en glimlachend op te kunnen kijken van haar lectuur, terwijl het schilderij zelf even licht en alledaags is als het moment dat het registreert; de strenge, statische vrouw bij Van De Woestyne wordt geflankeerd door een gesluierde vrouw in het zwart, die het werk een allegorische, onheilspellende zwaarte geeft; en de sfinx van Stevens, tot slot, combineert de voorgaande blikken: deze vrouw is misschien ook ongevaarlijk, maar ze is evenzeer ongenaakbaar, bijna als een kind.

Ook in de recente tentoonstelling Kunst uit Nederland worden geregeld stukken uit de collectie op een dergelijke elegante en onderhuids betekenisvolle manier bij elkaar gezet. Het enigszins donkere interieur van de tentoonstellingsruimte – de wanden zijn in een blauwig groen gebeitst – versterkt de intimiteit tussen de op een paar vierkante meter verzamelde schilderijen, terwijl de buitenwereld door de deuropeningen en de openstaande poorten toch binnen handbereik blijft. De concentratie en de aandacht voor de kunst wordt gegarandeerd, zonder dat ze monumentaal, monotoon of didactisch dreigt te worden. Kunst lijkt geen probleem meer – van incoherentie of overvloed is er geen sprake. Elk individueel schilderij biedt zich als vanzelfsprekend aan, daarbij slechts als door toeval bijgestaan door een paar gelijkgezinde werken.

Dat de tweede expositie, Kunst uit Nederland, toch minder geslaagd is, komt omdat tegelijk gepoogd wordt om binnen die bescheiden contexten verschillende thema’s aan te snijden. Aandacht besteden aan de Belgische conservator en kunstcriticus Henri Hymans (1836-1912), en aan de aquarellen en tekeningen (van de hand van bijvoorbeeld Willem Roelofs) die zijn weduwe aan het KMSKA schonk, is een goed idee – maar het blijft bij een idee, omdat er bijvoorbeeld nergens op het oeuvre van Hymans zelf wordt ingegaan, op zijn kritische voorkeuren of zijn drijfveren bij het verzamelen van kunst. Bovendien wordt de ontwikkeling van de Nederlandse moderne kunst al te zeer vereenvoudigd, door ze op een lijn te situeren die loopt van de realistische representatie van het typisch Nederlandse landschap, over een toenemende abstractie, naar het ‘metier en experiment na 1940’ – het thema van het laatste groepje werken, met onder meer Karel Appel en Co Westerik.

Als derde tentoonstelling in de reeks is voor september een expositie ‘rondom Permeke’ aangekondigd. Het is uitkijken naar het resultaat van een monografische aanpak in deze tijdelijke, even bescheiden als orginele pendant van het grote museum.

 

De modernen. Kunst uit Nederland, tot 26 augustus in de Koningin Fabiolazaal, Jezusstraat 28, 2000 Antwerpen (03/238.78.09; www.kmska.be).