Faby Bierhoff

DE WITTE RAAF

Editie 158 juli-augustus 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Anna Oppermann in Galerie Barbara Thumm, Berlijn

Het oeuvre van de Duitse kunstenares Anna Oppermann (1940-1993) kende sinds haar vroege overlijden slechts een geringe weerklank in de kunstwereld. Zelfs in de jaren 70, toen Oppermann als Einzelgänger tussen verschillende stromingen schipperde, kreeg ze weinig aandacht. Haar acribisch samengestelde ‘ensembles’, waarin ze reflecteerde op problemen uit haar leven en haar kunstenaarsbestaan, of op complexe vraagstukken zoals de connectie tussen religie en seksualiteit, werden na haar dood een hele tijd niet meer tentoongesteld. De installaties, die de kunsthistoricus Günter Metken treffend Nachdenklandschaften noemde, verdwenen voor meer dan een decennium in vuilniszakken. Alsof haar vooruitstrevende oeuvre beter kon gedijen in een artistiek klimaat waarin drukke, ruimtevullende beeld- en tekstinstallaties als die van Thomas Hirschhorn, Jonathan Meese en John Bock furore maken, lijkt er de afgelopen vijf jaar sprake van een herwaardering. Dit jaar wordt Oppermann zelfs vertegenwoordigd op de Biennale in São Paolo.

De werken van Anna Oppermann bestaan uit losse tekeningen, schetsen, collages, geknutselde sculptuurtjes, foto's (dikwijls van andere ensembles), gevonden objecten, krantenknipsels en notities. De curator Ute Vorkoeper stelt het losse materiaal in de geest van Oppermann opnieuw tot ensembles samen. De installaties kennen een centrale, altaarachtige opbouw van waaruit de afzonderlijke papieren in alle richtingen woekeren; via de wanden naar het plafond, de hoek om, op de grond, slechts onderbroken door hun werktitels die op de vloer zijn geschreven. Deze caleidoscopische uitwaaiering van papier werd lange tijd afgedaan als de verwarde voortbrengsels van een psychoanalytisch bewogen kunstenares, maar er gaat wel degelijk een methode achter schuil. Volgens Oppermann vormde ieder ensemble de uiteindelijke presentatie van vele inspanningen om een stuk realiteit te erkennen en beoordelen, maar ook om een probleem in zijn greep te kunnen krijgen. Het vastleggen van de complexiteit die in onze waarneming ligt besloten, weerspiegelt zich als een veelzijdig proces van verzamelen, vergelijken, beoordelen en afstoten: ‘Ich wollte mich nicht entscheiden, was im Hinblick auf die Aussage wichtiger oder als besser gelungen zu bezeichnen sei: das reale Objekt, die Skizze, die gedankliche Auseinandersetzung oder das fertig gestellte Bild. Jedes Teil hatte etwas, was dem anderen Teil fehlte.’ Het werk leent zich op deze wijze als ‘Angebot zur Kommunikation’. Behalve de inspiratie die de kunstenares uit de geschriften van Sigmund Freud haalde, nam ze tevens het gedachtegoed van onder meer Theodor W. Adorno, Umberto Eco en Peter Sloterdijk in haar werk op.

In de Berlijnse Galerie Barbara Thumm, die Oppermanns werk sinds het voorjaar van 2010 vertegenwoordigt, werden onlangs twee postuum ontdekte ensembles opnieuw gereconstrueerd. Tijdens een studieverblijf in Parijs begin jaren 80 las de kunstenares het toen pas verschenen boek Theorie der Gefühle van de Hongaarse filosoof Agnes Heller, waarin de binaire oppositie van denken en voelen weerlegd werd. In de lijn van Hellers filosofie, waarin denken een vanzelfsprekend onderdeel van de gevoelswereld is, maakte de kunstenares een bescheiden visueel gedachtespel rondom dit boek, dat nu in een hoek van de galerie wordt gepresenteerd.

Het andere werk draait om de ruim driehonderd fotografische zelfportretten die tussen 1965-1975 ontstonden en als opsporingsfoto's aan de wand zijn vastgepind. In dit intieme experiment verandert Oppermann haar gedaante telkens subtiel: opgedirkt, starend in de leegte… Enkele foto’s zijn met een pen aangevuld of met een schaar van uitsnedes voorzien. Zonder affectie voor een eventuele toeschouwer is haar soms fragiele, dan weer uitdagende of mijmerende verschijning vastgelegd. Deze zelfpresentaties gaan in een enkel geval gepaard met de veelzeggende tekst selbstbewusst wirken of laten op de achtergrond andere aan de muur bevestigde zelfportretten zien. Vandaag de dag lijkt onze waarneming door de hoeveelheid exhibitionistische portretten die regelmatig via sociale media op ons afkomen, immuun voor zulke markante gezichtsuitdrukkingen. Toch fascineren de geënsceneerde portretten, omdat ze los lijken te staan van een bepaalde ruimte en tijd, en het gebruikelijke perspectief veranderen, waardoor ze niet meer aan het verwachtingspatroon van de toeschouwer voldoen.

Binnen de zeventig ensembles die Oppermann naliet zijn de geëxposeerde werken wellicht atypisch, daar ze slechts van één onderwerp uitgaan en taal een duidelijk ondergeschikte rol speelt. Desalniettemin kan dit laagdrempeliger werk een uitnodiging zijn om complexere werken te bekijken en het beginpunt vormen om de hedendaagse relevantie ervan na te gaan.

Gelijktijdig biedt de galerie ook ruimte voor het werk van de 'herontdekte' conceptuele Peruaanse kunstenares Teresa Burga (1935), die in dezelfde tijdspanne actief was en van wie het werk net zo onderzoekend van aard is. Uit het geëxposeerde werk Autorettrato, Estructure, Informe (1972), dat de meetbaarheid van het menselijk lichaam vertolkt, blijkt dat Burga een vergelijkbaar analytisch werkproces doormaakte. De parallellen en raakpunten tussen twee verschillende zoektochten naar subjectiviteit, representatie en constructie van identiteit, maken deze dubbeltentoonstelling extra bijzonder.

 

• Anna Oppermann & Teresa Burga, nog tot 4 augustus in Galerie Barbara Thumm, Markgrafenstraße 68, 10969 Berlin (030/30 283 903 47; www.bthumm.de).