Hubert van den Berg

DE WITTE RAAF

Editie 158 juli-augustus 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

100 jaar Der Sturm, Wuppertal

Honderd jaar geleden opende in Berlijn de galerie Der Sturm haar deuren. Dit jubileum werd herdacht met een grote tentoonstelling in het Von der Heydt-Museum in Wuppertal. Der Sturm. Zentrum der Avantgarde toonde zo’n 200 werken van 80 kunstenaars uit 14 landen, waaronder veel klassiekers van de Europese moderne kunst: Archipenko, Campendonk, Chagall, Delaunay-Terk, Kandinsky, Klee, Kokoschka, Marc, Moholy-Nagy, Münter en Schwitters… Ook was er werk van voorlopers als Munch en Rousseau te zien, van avant-gardistische achterhoede en regelrechte epigonen: ’Sturm-kunstenaars’ die in Der Sturm prominent figureerden, maar voor de rest amper bekendheid verwierven, zoals Jacoba van Heemskerck, Lothar Schreyer en William Wauer.

De tentoonstelling pretendeerde een historisch overzicht te bieden van Der Sturm in de zestien jaar van haar bestaan, maar was daarnaast vooral ook een monument voor Herwarth Walden, de oprichter en hoofdredacteur van het tijdschrift Der Sturm (1910-1932) en eigenaar van de gelijknamige galerie (1912-1928).

Op een twintigtal panelen werd de geschiedenis van Der Sturm uit de doeken gedaan. Terwijl de panelen een chronologisch overzicht suggereerden, waren de werken eerder naar kleur, formaat en soort gegroepeerd, ongeacht hun historische plaats. Het leverde een curieuze chaos op. Zo werden in de zalen gewijd aan de begintijd van Der Sturm voor de Eerste Wereldoorlog, schilderijen uit de jaren 20 getoond, en besloot de tentoonstelling met twee doeken van de Duits-Poolse schilder Stanisław Kubicki uit 1918, die moesten aantonen dat de galerie zich eind jaren 20 op Oost-Europese kunst toelegde. Nochtans was de in Berlijn (en korte tijd ook in Poznań) woonachtige Kubicki niet bepaald een Oost-Europeaan en exposeerde hij in 1920 voor de eerste en laatste keer in Der Sturm.

Dat Herwarth Walden in Wuppertal een heiligenstatus heeft, werd benadrukt door een heroïsch gestileerde zwarte buste van de hand van William Wauer. Reeds van ver, aan het eind van een reeks zalen en tegen de wit verlichte achtergrond van een romaanse boognis, straalde de buste ons toe. Merkwaardig genoeg stond ze opgesteld in een zaaltje gewijd aan vrouwelijke kunstenaars. Een tijdgenoot, de Hongaarse journalist Emil Szittya, omschreef Walden ooit als ’de man die vrouwen verzamelde’. De curatoren echter wilden met de vrouwenafdeling veeleer het bewijs leveren van Waldens steun aan deze kunstenaressen. Overtuigend was deze presentatie evenwel niet. Het was beter geweest wanneer zij niet alleen in twee aparte zaaltjes te zien waren geweest, maar ook tussen de mannelijke kunstenaars die nu de twintig overige zalen vulden. In de opstelling in Wuppertal werd de geschiedenis van Der Sturm door mannen geschreven en beperkte het vrouwenaandeel zich tot een hoekje apart.

Bij de tentoonstelling verscheen een zeer omvangrijke en al even ambitieuze catalogus. De twee delen omvatten samen duizend bladzijden. Het ene is gewijd aan de tentoonstelling, het andere maakt een laatste stand van zaken op omtrent de geschiedschrijving rond Der Sturm. Er doen zich echter talrijke hiaten voor. Net als in de tentoonstelling blijven de intensieve relaties met de kunstwereld in Scandinavië en Nederland onbesproken. Werk van Munch is in de eerste plaats opgenomen omdat het zich nu eenmaal in de collectie van het museum bevindt. Jacoba van Heemskerck wordt opgevoerd als een miskende vrouwelijke kunstenaar die enkel door Walden begrepen werd. Wat onvermeld blijft, is dat zij die erkenning vooral vond tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen ze als stand-in fungeerde voor de vele Russen, Fransen en Italianen die even niet beschikbaar waren. Ook wordt met geen woord gerept over de rol die ze speelde als Nederlands contactpersoon en informante van Walden, toen die tijdens de Grote Oorlog als agent voor diverse Duitse inlichtingendiensten werkte. Andere Nederlandse kunstenaars ontbreken zowel op de tentoonstelling als in de catalogus: van de vroege Piet Mondriaan tot Piet Zwart in de laatste jaren van Der Sturm.

De curator, Antje Birthälmer, beweert zowel in de tentoonstelling als in de catalogus dat de Belgische avant-garde een ’zwaartepunt’ vormde in de Sturm-galerie in de tweede helft van de jaren 20. In de tentoonstelling wordt dat geïllustreerd met werken van Marthe Donas in de vrouwenafdeling en twee doeken van respectievelijk Pierre-Louis Flouquet en Victor Servranckx bij de uitgang. In de catalogus werd dit Belgische naspel uit de jaren 20 echter vreemd genoeg ondergebracht in het gedeelte over de Grote Oorlog. Als agent van diverse Duitse inlichtingendiensten verzamelde Walden weliswaar ook informatie over Belgische vluchtelingen in Nederland (waarbij Van Heemskerck hand- en spandiensten verleende), maar van bezet België hield hij zich verre. Ná de oorlog zijn er inderdaad verschillende Vlaamse en Waalse kunstenaars bij Der Sturm te vinden, maar het valt te betwijfelen of hier van een zwaartepunt kan worden gesproken. Wel raakte Walden in de jaren 20 binnen Duitse avant-gardekringen steeds meer geïsoleerd. Lege plekken vulde hij met kunstenaars van elders, die graag in de vermaarde galerie exposeerden. Deze kunstenaars kwamen echter niet alleen uit Oost-Europa en België, maar letterlijk uit alle windrichtingen – Centraal-Europa (van Polen tot Bulgarije), Scandinavië, Frankrijk, Italië en de Lage Landen.

Birthälmers curieuze stelling wordt in de catalogus onderbouwd met een opmerkelijke bijdrage over de Belgische avant-garde door de Brusselse kunsthandelaar Roberto Polo, die Flouquet en Servranckx en een aantal werken van Donas uitleende. Polo stelt onder meer dat de Belgische avant-garde na de Tweede Wereldoorlog door een heksenjacht werd getroffen, die vergelijkbaar zou zijn met de nazicampagne tegen de Entartete Kunst. Dit zou al in de jaren 20 (!) voor Belgische avant-gardekunstenaars een reden zijn geweest om een constructivistisch-abstracte beeldtaal voor een surrealistische beeldtaal in te ruilen. Van een surreële vooruitziendheid gesproken! Het is een raadsel hoe Polo tot deze fantasierijke beweringen komt. In zijn notenapparaat ontbreken in ieder geval de twintig jaar oude catalogus Avantgarde in België 1917-1929 van Frederik Leen en Anne Adriaens-Pannier, en An Paenhuysens recente boek De nieuwe wereld. De wonderjaren van de Belgische avant-garde (1918-1939). Overigens is de bibliografie in de catalogus verre van compleet en enorm chaotisch. Een deel van de publicaties is op de voornaam van de auteur gerangschikt. De catalogus bevat evenmin een register. Door de talloze slordigheden, onvolkomenheden en buitennissige beweringen is het boek als wetenschappelijk naslagwerk zo goed als waardeloos.

 

Der Sturm. Zentrum der Avantgarde liep tot 10 juni in het Von der Heydt-Museum, Turmhof 8, 42103 Wuppertal (0202/563.6231; www.von-der-heydt-museum.de). Bij de tentoonstelling verscheen een tweedelige catalogus (deel 1, red. Antje Birthälmer & Gerhard Finckh; deel 2 (opstellen), red. Andrea von Hülsen-Esch & Gerhard Finckh).