Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 158 juli-augustus 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

‘Voor mij zal TRACK geslaagd zijn als het finaal een denkspoor achterlaat over de hedendaagse stedelijke realiteit.’ (Philippe Van Cauteren)

1.

Het S.M.A.K. pakt uit met een stadstentoonstelling, gecureerd door Philippe Van Cauteren, artistiek directeur van het S.M.A.K., en Mirjam Varadinis, als curator verbonden aan het Kunsthaus Zürich. Onder de titel TRACK. A Contemporary City Conversation worden 45 kunstwerken van 41 kunstenaars gepresenteerd – een zevental performances inbegrepen – die verspreid zijn over de hele stad.

In het museum kan je een ticket (10 euro), een plannetje en de bezoekersgids (7 euro) aanschaffen. Drie werken van deze stadstentoonstelling worden overigens in het S.M.A.K. getoond. In de inkomhal heeft Tobias Putrih een ‘meeting point’ ingericht, met meubilair opgebouwd uit modules die gebaseerd zijn op meubelontwerpen van Henry Van de Velde, gemaakt voor de boekentoren van de Gentse Universiteit. Book Tower Studio (2012) is een werk dat gaat over de omgang met de modernistische erfenis. Elders in het museum wordt de video Naar Gent Gaan (2012) van Lonnie van Brummelen & Siebren de Haan geprojecteerd. Op een boot spelen enkele vissers, bijgestaan door amateuracteurs, een toneelstukje over de teloorgang van de visserij op het eiland Urk. In dit werk vormen de nefaste effecten van de mondiale (met name Europese) handelspolitiek op lokale economieën (en in het bijzonder het visserijwezen) het centrale thema. Tot slot wordt op het gelijkvloers van het museum een video-installatie van de Venezolaanse kunstenaar Javier Téllez getoond. Twee naast elkaar geprojecteerde videobeelden geven telkens een sculptuur te zien die door de camera in een trage, spiraalsgewijze beweging wordt afgetast: links een bronzen Prometheus van de nazibeeldhouwer Arno Breker, in 1937 tentoongesteld op de Große Deutsche Kunstausstellung in München, rechts het houten sculptuurtje Zwitter van Karl Genzel, dat in hetzelfde jaar en dezelfde stad in de tentoonstelling Entartete Kunst was te zien. De trage spiraalbeweging van de camera nodigt ons uit om de sculpturen van kop tot teen te bekijken, met elkaar te vergelijken en daarbij over de constructie van ideologische opposities zoals ‘volksgezond/ontaard’ na te denken. Drie werken over totaal uiteenlopende thema’s en toch maken ze deel uit van één en dezelfde stadstentoonstelling. Meer zelfs, ze horen in één welbepaalde ‘cluster’ van deze tentoonstelling thuis. TRACK is namelijk opgedeeld in zes thematische groepen, die overeenstemmen met bepaalde buurten in de stad en die telkens aan een of meerdere thema’s zijn opgehangen. De werken in het museum horen bij de cluster ‘Citadel’, die zich uitstrekt van het station Gent Sint-Pieters tot het Citadelpark (waar zich ook het S.M.A.K. bevindt) en waarin de thema’s mobiliteit, reizen en toerisme aan bod worden gebracht. Wat hebben deze werken echter met ‘mobiliteit, reizen en toerisme’ te maken? Het is een compleet raadsel.

Hebben de andere clusters in TRACK eenzelfde loze invulling gekregen? De cluster ‘Blandijn’ in de universitaire wijk handelt over kennis, taal en archieven. Hier kunnen verschillende werken op de voorgestelde thema’s worden betrokken. Zo toont John Bock in het voormalige Technicum van de universiteit een installatie die je als een groteske parodie op onze kennisdrift kan interpreteren. De ‘bibliotheek’ die Massimo Bartolini in de wijngaard achter de Sint-Pietersabdij installeerde, heeft om evidente redenen te maken met ‘kennis’ en ‘taal’. De cluster ‘Blandijn’ omvat evenwel ook werken over totaal andere thema’s: de reusachtige ‘ballonsculptuur’ van Ahmet Öğüt aan de Waalse Krook gaat over het socialistische verleden van Gent; de performance van Pawel Althamer (gepland op het Sint-Pietersplein op 8 september) belooft via een herinterpretatie van het Lam Gods, en met de medewerking van honderd figuranten, hedendaagse maatschappelijke verhoudingen aan de orde te stellen. In de cluster (en migrantenwijk) ‘Macharius’ kan onder meer het werk van Mircea Cantor (een Roemeens artisanaal huisje dat op een grasperk aan de Sint-Baafsabdij is beland) makkelijk op het clusterthema ‘migratie’ worden betrokken. Het merendeel van de werken in deze buurt handelt echter over andere onderwerpen, zoals de teloorgang van modernistische utopieën en het onvermogen van een postmodernistisch alternatief (een projectie van films van Cyprien Gaillard op de Belgacomtoren), een soort studie van de economische verhoudingen en de verschuivingen in waardesystemen aan de hand van de duivensport (een project van Pilvi Takala rond verloren gevlogen ‘prijsduiven’) en de relatie tussen publieke en private ruimte (Bart Lodewijks’ tekeningen op de gevels van huizen aan de Zonder Naamstraat – afhankelijk van de reacties van de bewoner(s), kunnen ze aan de binnenkant van de huizen worden voortgezet). De cluster ‘Centrum’ (thema: handel) omvat onder meer een sociaal-artistiek project (een video-installatie van Emilio López-Menchero), een installatie van Mekhitar Garabedian over de relaties en de breuken tussen heden en verleden, en een performance die over sociale interactiepatronen en samenwerkingsmechanismen handelt (Adelita Husni-Bey). Tot slot zijn er twee clusters in het noorden van de stad: ‘Tolhuis’, een wijk met veel migranten én ziekenhuizen (thema’s: leven, dood, gezondheid, vergrijzing) en ‘Tondelier’, een wijk die veel weg heeft van een bouwwerf (thema: een stadsdeel in verandering). De thema’s van deze clusters zijn erg breed en vaag, en ook dan is hier nauwelijks een werk te bespeuren dat erop betrokken kan worden. TRACK stelt dus allerlei stadsbetrokken of meer algemene thema’s voorop, maar op het terrein blijkt dat ze nauwelijks of niet ter harte worden genomen. Waarom zijn die thematische clusters dan bedacht? Het lijkt er sterk op dat ze een inhoudelijke inzet moeten suggereren die in werkelijkheid volledig ontbreekt – want waarover zou een tentoonstelling gaan die uit zo’n diverse verzameling werken bestaat?

 

2.

Misschien moeten we eerst een meer algemene vraag stellen: waarom een stadstentoonstelling organiseren? Er zijn zeker kunstwerken die om inhoudelijke of strikt materiële redenen enkel kunnen functioneren in de stad of de openbare ruimte. Het gaat dan om projecten die zich letterlijk op of in de stad (de gebouwen, de openbare ruimte) vasthechten of die – hetzij als materiële ingreep, hetzij als performatieve interventie – met de materiële en publieke condities van de stad of de openbare ruimte aan de slag gaan. Een stadstentoonstelling biedt een context om dergelijke projecten te realiseren.

Gelukkig omvat TRACK kunstwerken die op een specifieke manier relaties aangaan met de plek, en bovendien kwalitatief hoogstaand zijn. De Japanner Tadashi Kawamata heeft bijvoorbeeld aan de rand van de zwaaikom bij het treinstation Gent Dampoort een favela gebouwd, met allerlei restanten (houtafval, triplexplaten, golfplaten) die hij aantrof in de buurt. Het is een mooie installatie die zich op een voorbeeldige manier in de omgeving nestelt en ermee tot één beeld versmelt. Een totaal ander voorbeeld van een concrete, site specific ingreep is de bijdrage van het Deense collectief Superflex. Zij installeerden in een Turks restaurant een kopie van de toiletten van het Justus Lipsiusgebouw te Brussel, waar de Raad van de Europese Unie haar bijeenkomsten houdt. Het is een werk dat inspeelt op de moeizame onderhandelingen over het Turkse lidmaatschap van de EU. Het thema is in politiek opzicht relevant en de keuze om het in een Turks restaurant in Gent aan te kaarten is de juiste: de aanwezigheid van een omvangrijke Turkse gemeenschap in deze stad, op een halfuurtje rijden van het EU-hoofdkantoor, maakt het opgeroepen politieke spanningsveld tastbaar. Het werk is letterlijk en figuurlijk onlosmakelijk met de omgeving verbonden. Michaël Borremans stelt in een 19de-eeuws herenhuis in het centrum van de stad voor het eerst sculpturen tentoon – een heuse primeur in het oeuvre van de kunstenaar. Twee reusachtige bustes (de ene lijkt mannelijk, de andere vrouwelijk) liggen opgebaard in een enorme vitrinekast. De bustes gaan terug op schaalmodellen die ter gelegenheid van deze tentoonstelling op een schaal van 2,5:1 werden uitvergroot. De tijdloze allure van de sculpturen – het is alsof we een grafkamer binnenstappen – wordt onderstreept door het bouwvallige, maar stijlvolle burgerlijke interieur en door de spiegel die tussen de vensters hangt, en die de enscenering verdubbelt en daardoor versterkt. Anderzijds resoneert de ruïneuze toestand van het pand met het verstrijken van de tijd, dat Borremans oproept door het laagje stof dat hij op de bustes liet dwarrelen, net voor ze onder de stolp belandden. Tot slot krijgen de sporen van alledaagse activiteiten die evengoed in en rond deze kamer plaatsvinden – de stucbezetting is van de wanden geschraapt, men bereidt dus allicht een renovatie voor – een echo in de alledaagse objecten (werkhandschoenen, een aansteker, een stok) die Borremans met een schijnbare nonchalance mee onder de vitrinestolp deponeerde. Op drie niveaus – het aura van tijdloosheid, opgeroepen door de ‘pseudo-archeologische’ enscenering; de evocatie van de peilloze diepte van de tijd door het stof; én de alledaagsheid van het leven dat op en rond deze plek desondanks voortgaat – brengt Borremans de sculpturen en de omgeving met elkaar in gesprek. Hoewel dit werk ook in een museum kan worden getoond, en Borremans’ oeuvre in principe niet om een stadstentoonstelling vraagt, heeft de kunstenaar hier een geschikte ruimte gevonden en weet hij de kwaliteiten van de plek in een briljante scenografie te betrekken.

De werken van Kawamata, Superflex en Borremans vormen evenveel bewijzen dat een stadstentoonstelling ongekende mogelijkheden biedt, maar er zijn ook talloze gevaren verbonden aan deze formule. Een eerste probleem is dat museale werken op andere locaties gepresenteerd worden zonder dat er van een zinvolle relatie sprake is. Zo is het imposante Sichtbare Welt van het Zwitserse duo Fischli & Weiss – een 28 meter lange dia-installatie van drieduizend beelden op vijftien lichttafels – in de Sint-Pietersabdij te zien. Sichtbare Welt gaat over de alomtegenwoordigheid van de toeristische blik en is dus een uitstekend werk om over de problemen van stadstentoonstellingen na te denken: in deze exposities wordt de kunst immers in een scenario geduwd dat de kolonisering van de stad door het toerisme bevordert. Dat is alvast een eerste reden om dit werk niet hier, maar als inleidende denkstof in het museum te presenteren. Een tweede reden is uiteraard dat Sichtbare Welt een onversneden museumstuk is dat geen ‘alternatieve’ locatie nodig heeft. Het kan gewoon in elk fatsoenlijk museumgebouw worden gepresenteerd. Maar misschien wringt hier het schoentje? Het S.M.A.K. beschikt immers niet over zo’n gebouw.

Een ander knelpunt is dat het in situkarakter van kunst in een stadstentoonstelling als eis wordt opgelegd. Alle deelnemers worden vriendelijk verzocht om een plekje in de stad te zoeken, of hun werk daar nu om vraagt of niet. De bezoeker moet dan vaak nodeloos een heel eind lopen naar een ‘speciale’ locatie. Die plek zorgt ten hoogste voor wat sfeer en bevat voorts hooguit een anekdotische link met het betreffende kunstwerk, zonder dat dit de presentatie ten goede komt of het werk verrijkt. In een vervallen achthoekige ruimte van de voormalige stadsbibliotheek aan de Ottogracht presenteert Emilio López-Menchero de videodiptiek Moscou-Bernadette, die kadert in een sociaal-artistiek project in twee Gentse buurten: op het ene videoscherm zingt een bewoner een lied, terwijl een andere bewoner op het andere scherm op zijn of haar beurt wacht. López-Menchero toont zijn werk niet in de wijken Moscou en Bernadette – dat zou ook geen meerwaarde hebben opgeleverd: het zou hooguit de funeste ideologie achter deze video met een klef Man-bijt-Hond-gehalte hebben onderstreept. Maar waarom moeten we de stad in om dit werk te bekijken? Heeft de ruimte in de voormalige stadsbibliotheek meer dan vals patina te bieden?

Men zou dit probleem kunnen counteren door enkel kunstenaars met een strikt plekgebonden praktijk uit te nodigen. Maar ook die aanpak is niet zonder gevaren. Een tentoonstelling met enkel in situkunst dreigt immers in een bloedeloze inventaris van ‘site-specifieke strategieën’ te verzanden. Zo’n expo is niets meer dan een zoveelste landingsplaats voor een reeds geruime tijd rondtrekkende karavaan van kunstenaars, die allerlei locatie-, parcours- en stadstentoonstellingen afdweilen om met – paradoxaal genoeg – dezelfde toolkit zogenaamd ‘specifieke’ en ‘op de plek toegesneden’ werken te realiseren. TRACK bevat verschillende kunstwerken die tot deze categorie behoren. Een voorbeeld van een kunstenaar met een vast ‘plekgebonden nummertje’ is Lara Almarcegui. Sinds jaar en dag berekent zij de hoeveelheid van de materialen die voor een bepaald gebouw werd gebruikt, en laat zij het equivalent als een amorfe massa naast dat gebouw dumpen. In Gent toont ze thans een 700m3 grote berg bouwpuin naast (en gebaseerd op) een gebouw dat ooit de Dienst Feestelijkheden van de stad Gent huisvestte. Tien jaar geleden deed ze al iets gelijkaardigs in Lost Past te Ieper.

In stadstentoonstellingen zijn meestal ook kunstenaars van de partij die met – vaak eveneens in hoge mate gestandaardiseerde – maatschappijbetrokken, politieke of ‘geëngageerde’ statements in de openbare, stedelijke ruimte interveniëren. Een voorbeeld van zo’n interventie is de bijdrage van Christoph Büchel. Hij installeerde aan het Zuid een kantoor voor zwartwerk, bestemd voor werkzoekenden zonder verblijfsvergunning, en ontwierp een fictieve affiche van het Vlaams Belang die hij liet aanplakken in de stad. Het Mexicaanse collectief Tercerunquinto liet een aantal mensen met een ‘onduidelijk statuut’ (illegalen, asielzoekers…) passages uit de Belgische grondwet overschrijven – het originele boek ligt in het stadhuis, een aantal kopieën zijn verspreid over de openbare bibliotheken van de stad. Deze werken omvatten een poepsimpele politieke boodschap en kunnen moeiteloos in elke (westerse) stad worden ‘ingeplugd’ waar voldoende illegalen en/of zwartwerkers circuleren. Christina Hemauer & Roman Keller brengen een performance die de macht van de olie-industrie op de korrel neemt: ze laten een brede waaier van Gentse koren op wisselende plekken in de stad de hymne The Postpetrolistic Internationale vertolken, en tonen hiervan een video in het Poortgebouw aan de Voorhoutkaai. Ook deze performance kan én wordt overal ter wereld uitgevoerd. Tot slot bevat TRACK ook een werk dat plekgebonden lijkt, tot je begrijpt waar het over gaat. Teresa Margolles heeft op de gasmetersite een betonnen picknickbank geplaatst. Een tekst die in de tafel is gegraveerd, leert dat het beton werd vermengd met water, dat gebruikt is om het bloed van slachtoffers van het Mexicaanse drugsgeweld van de straten te wissen. Wat komt dit werk op de gasmetersite in Gent doen? Welk doelpubliek wil Margolles hier aanspreken?

TRACK bevat een brede waaier van simplistische politieke interventies en kunstwerken die nauwelijks verankerd zijn in de plek waar ze zijn opgesteld. Voortdurend heb je de indruk dat kunstenaars voor de zoveelste keer ‘hun ding’ komen doen. De kunstenaars lijken uit een catalogus van kunstprofessionals afkomstig die dit soort werk overal ter wereld op bestelling komen uitvoeren. Het is evident dat een stadstentoonstelling die als reservoir voor dergelijke kunst dienstdoet geen enkele reden van bestaan heeft.

 

3.

Het wellicht grootste gevaar dat verbonden is aan de formule van de stadstentoonstelling is dat zij de musealisering van de stad bevestigt of zelfs versterkt. En uiteraard bestaat ook het hieraan verwante risico van de instrumentalisering van de kunst door het toerisme, de evenementenindustrie en de citymarketing. Kunstwerken worden in stadstentoonstellingen maar al te vaak ingezet als glijmiddel om de stad op alle mogelijke manieren te verkopen. Vaak worden de kunstenaars zelfs in functie van dergelijke agenda’s geselecteerd.

Ook TRACK tapt uit dit vaatje. Zo heeft de Japanse kunstenaar Tazu Rous rond de uurwerktoren van het Sint-Pietersstation een hotelkamer gebouwd. Bij het binnenkomen word je met de neus op de klok gedrukt – een deel van dit monument dat je normaal maar vanop tientallen meters afstand te zien krijgt. De kanteling van verte in nabijheid en van publiek in privaat is zeker spectaculair, net als het uitzicht op de stad, maar daarmee is ook alles gezegd: Rous’ werk is een attractie, die vooral bezoekers moet lokken en daartoe alvast zelf ook een hype creëert – de kamer kon immers voor 105 euro per nacht geboekt worden (en was in no time volgeboekt) en het hotel beschikt ook over een site (www.hotel-gent.net). Het absolute dieptepunt van TRACK is evenwel Ahmet Öğüts ‘ballonsculptuur’, geïnspireerd op het bekende schilderij Le Château des Pyrénées van René Magritte, dat een kasteel bovenop een rots voorstelt die zelf in het luchtledige hangt boven de zee. Öğüt verving het kasteel door een replica van het voormalige socialistische bastion Vooruit – het socialisme is een luchtspiegeling geworden, wil hij zeggen – en liet de ballon op het terrein van de Waalse Krook in de lucht. Öğüts bijdrage hoort eigenlijk in een pretpark thuis, maar uitgerekend zijn werk wordt als blikvanger ingezet die bezoekers met of zonder kinderen naar TRACK moet lokken. Het prijkt op de tentoonstellingsfolder en sierde ook de cover van de extra bijlage die de krant De Standaard naar aanleiding van de tentoonstelling uitbracht.

Naast hun hoog animatiegehalte hebben de werken van Rous en Öğüt ook gemeen dat ze elk een Gents monument in de kijker zetten. Het is niet de enige keer in TRACK dat je op monumenten en belangwekkende plekken wordt geattendeerd. Wie tijdens de tocht een beroep doet op de bezoekersgids wordt voortdurend getrakteerd op allerhande weetjes over de plek, de monumenten in de buurt, de plannen die het Gentse stadsbestuur ermee heeft, en – last but not least – het rijke winkel- en horeca-aanbod van de stad. De winkels, cafés en eetgelegenheden worden daarbij steevast door – vaak bekende – Gentenaars aangeprezen. Op de pagina’s met toelichting bij het werk van Christina Hemauer & Roman Keller krijgen we bijvoorbeeld naast een woordje uitleg over het nabijgelegen historische Van Eyckzwembad maar liefst vier restauranttips – bij monde van Michaël Borremans, Jan Roegiers (Vlaams parlementslid), An Pierlé (zangeres en kersvers Gents ‘stadscomponist’) en Aïcha Snoussi (erfgoedbewaakster S.M.A.K.). An Pierlé wil ons graag het volgende toevertrouwen: ‘KOMKOMMERTIJD heeft een heerlijk veganistisch all-you-can-eat buffet (warm en koud, soep en dessert) met swingmuziek op de achtergrond.’ Plots begrijpen we waarom de video van Hemauer & Keller niet in het museum, maar in de doorgang van het Poortgebouw aan de Voorhoutkaai (en dus in de buitenlucht) wordt gepresenteerd: zo kan immers het toeristische en uitzonderlijk rijke horeca-aanbod in deze buurt voor het voetlicht worden gebracht! De bezoekersgids verklaart meteen ook waarom het wel degelijk van belang is dat de bezoeker de hele stad afdweilt op zoek naar kunstwerken. Enkel op die manier kan tezelfdertijd een zo groot mogelijk aanbod – de zogenaamd niet-toeristische rand inbegrepen – op een grondige en systematische wijze toegelicht en aangeprezen worden.

Hoe onsamenhangend en inhoudsloos TRACK in artistiek opzicht ook is, op het vlak van stadspromotie ligt aan dit evenement een uiterst dwingende en coherente agenda ten grondslag. De doeltreffende mix van kunst en citymarketing die TRACK serveert is eenvoudigweg niet voor verbetering vatbaar. De conclusie is dat TRACK in de allerergste zin van het woord de ultieme stadstentoonstelling moet worden genoemd.

 

TRACK. A Contemporary City Conversation loopt tot 16 september. Info: 09/210.10.10 (Gentinfo) en www.track.be.