Caroline Dumalin

DE WITTE RAAF

Editie 159 september-oktober 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Un-Scene II in WIELS

Onder de noemer Un-Scene organiseert WIELS om de drie jaar een overzichtstentoonstelling van jonge kunstenaars die in België gevestigd zijn. Niet zozeer hun nationaliteit, maar het gedeelde culturele en sociale milieu van waaruit zij werken vormt daarbij het uitgangspunt. Op die manier wil Un-Scene zichtbaar maken ‘wat het maken van kunst in België vandaag diepgaand bezielt en doorkruist’, aldus de catalogustekst van de huidige editie. Tegelijk ondergraaft de dubbelzinnige woordspeling in de titel, vertaalbaar als ‘on-gezien’ of als ‘niet-scene’, vanaf het begin het bestaan van een duidelijk aflijnbare scene in dit land. 

Voor de tweede editie van de triënnale selecteerden Elena Filipovic van WIELS en onafhankelijk curator Anne-Claire Schmitz slechts twaalf namen – een stuk minder dan bij de eerste editie, die een twintigtal kunstenaars samenbracht – aangevuld met bijdragen van Walter Swennen en Jacqueline Mesmaeker op uitnodiging van Olivier Foulon. Dat liet hen toe om meer werken te tonen per kunstenaar en de oeuvres op diverse wijzen en plekken met elkaar ‘te laten spreken’. Voorts legden ze een voorkeur aan de dag voor kunstenaars die er ook andere activiteiten op nahouden, zoals curator, schrijver, galeriehouder, uitgever of radiomaker. Olivier Foulon, Michael Van den Abeele en de Duitser Peter Wächtler zijn bijvoorbeeld alledrie lid van de werkgroep rond Établissement d'en face projects; Harold Ancart en de Noor Steinar Haga Kristensen zijn medeoprichters van een galerie; Sophie Nys stichtte samen met Richard Venlet het publicatieplatform Grotto; en Gerard Herman is de maker van een educatief radioprogramma over natuur en ornithologie, dat wekelijks wordt uitgezonden op Radio Centraal.

Onderlinge diversiteit kenmerkt de realiteit van de Belgische scene. De curators kozen dan ook voor een mise-en-scène die tegenspraak niet uit de weg ging. Dat vertaalde zich in groepsaccrochages waarbij werken van dezelfde kunstenaars in wisselende constellaties terugkeerden. De eerste ruimte op de tweede verdieping getuigde van een haast archaïsche voorkeur voor artisanale technieken en persoonlijke verbeelding. Tragikomische figuren die namen als Knucklehead Bucky en Cry Baby droegen, werden door Nel Aerts gekerfd in dikke houten, met acryl en spuitlak geverfde panelen. In de gestileerde symbolistische etsen van de Poolse Dorota Jurczak ontvouwde zich een sinistere sprookjeswereld, met elegante vogels die verwikkeld zijn in een strijd met bebaarde booswichten. De sculpturen in de ruimte – van Michaël Van den Abeele en Steinar Haga Kristensen – riepen vergane beschavingen op. In vergelijking met Van den Abeeles statige ‘aardewerk’ uit beton, leken de assemblages van Haga Kristensen, aangeduid als ‘heraldische monumenten’, eerder onvast en meer hybride van oorsprong. Die hybriditeit werd zinvoller als je wist dat het opschrift verwees naar Giorgio Agambens notie van ‘eender welke singulariteit’, waarmee de theoreticus een zijnsvorm benoemde die elke uiting van identiteit radicaal verwerpt. Sophie Nys’ werk leek zowat het buitenbeentje in de zaal. Twaalf ronde houten objecten, geschilderd in rode tinten, verwezen naar de twaalf rode borden die Pieter Bruegel in 1558 met voorstellingen van Nederlandstalige spreekwoorden beschilderde. Door de voorstellingen van Bruegel tot colour fields te reduceren, alludeert Nys op de ‘vertaalproblemen’ die gepaard gaan met culturele overlevering. In tweede instantie stonden de losjes gegroepeerde monochrome borden volgens de kunstenares symbool voor, jawel, België: kleinschalig en bestaand uit ongelijke delen, die niettemin toch samenhoren.

Vincent Meessen was een van de weinige kunstenaars wiens bijdrage een aparte ruimte toebedeeld kreeg: een zwarte doos herbergde de multimediale installatie Ritournelle, waarin Raymond Roussels protosurrealistische taalspelen gemixt en ‘gematcht’ werden met de hedendaagse Afrikaanse hiphopcultuur. Van Nel Aerts waren verderop ook super 8-films te zien, begeleid door de requisieten die in de films worden gebruikt. Aerts bedient zich van dit gedateerde medium vanwege het gradueel versnellende ritme waarmee de frames elkaar opvolgen, wat het slapstickeffect van haar zelfopgelegde, repetitieve acties versterkt. Op de tweede verdieping zette Gerard Herman het mechanisme van de loop op zijn beurt om naar een muurvullende opeenvolging van kolderieke gedichten en striptekeningen. Het werk van Aerts en Herman zou kunnen doen vermoeden dat een zekere hang naar geestigheid kenmerkend is voor de Antwerpse scene, maar die voorspelbare kaart werd door de curatoren niet getrokken.

Erg geslaagd was de ruimte op de derde verdieping, waar de onrustige en visionaire taferelen met haast mythologische uitstraling van Abel Auer, Dorota Jurczak en Steinar Haga Kristensen met elkaar gecombineerd werden. De drie ingeweken kunstenaars hanteren een schijnbaar folkloristische, contrastrijke stijl die zich niet zomaar laat herleiden tot een stroming, context of generatie.

Naast de overheersende traditionele media in deze tentoonstelling, waren enkele videowerken te zien, vaak met een psychologische ondertoon. In Eléonore Saintagnans Lacan la chénille werd de Franse psychoanalyticus opgevoerd als bazige rups die het wonderland van Disneys naïeve Alice verstoorde met uitspraken als ‘il n’y a que la foi!’. Blind geloof stond tevens centraal in Peter Wächtlers video-installatie Omen. Als afstandelijke observator schetste Wächtler een indringend portret van de menselijke honger naar mystieke waarheden en parallelle realiteiten.

Wat viel er niet te zien op Un-Scene II? Geen spoor van modieuze trends, gelukkig maar. Opvallend waren de afwezigheid van fotografie en van uitgesproken politieke stellingnamen. Wel formuleerde de tentoonstelling een scherpzinnige kijk op de grenzen van het kunstenaarschap, de ondoorgrondelijke wortels van een beeldtaal, en de duistere onderlaag van de verbeelding. Dat op twee na alle deelnemende kunstenaars in Brussel gevestigd zijn, suggereert dat de hoofdstad de beste context biedt om veelbelovende, integere en internationaal georiënteerde praktijken tot ontwikkeling te laten komen. Anderzijds is dit simpelweg het milieu dat de curatoren van dienst het beste kennen. Steunend op die vertrouwdheid hebben ze een selecte, maar niet evidente groep kunstenaars voor het voetlicht gebracht, waarvan ze de eigenheid op geen enkel moment uit het zicht verloren.

 

Un-Scene II liep van 22 juni tot 26 augustus in WIELS, Van Volxemlaan 354, 1190 Brussel (02/340.00.53; www.wiels.org).