Bart Verschaffel

DE WITTE RAAF

Editie 159 september-oktober 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Na de zondvloed. De ‘Wondelgemse Meersen’ van Stephanie Kiwitt

De voorbije jaren liep aan het KASK het project ‘De fotograaf in de stad’. Het project sloot aan op het onderzoek en de tentoonstelling over Edmond Sacré van het Gentse stadsmuseum, en fungeerde meteen ook als repliek daarop. Sacré was als huisfotograaf van de toenmalige commissie voor monumentenzorg getuige van de transformatie en musealisering van het Gentse stadscentrum rond 1900, en hij is de auteur van enkele van de meest beeldbepalende zichten van Gent, zoals dat van ‘de drie torens’.

Hoe kan een stad vandaag betekenis krijgen of vasthouden, of een ‘identiteit’ verwerven? Onzekerheid, de angst om ‘gelijk’ te zijn en in die ‘gelijkheid’ te verdwijnen, bevangt niet enkel individuen en groepen, maar ook naties en steden. De steden zoeken een ‘gezicht’ en een ‘identiteit’, plaatsen en manieren om helemaal ‘zichzelf’ te zijn, net op het moment dat ze meer en meer op elkaar gaan lijken, en oplossen in een veralgemeende verstedelijking. Tegelijk wordt deze homogenisering in de poststructuralistische intellectuele en artistieke cultuur als een conditie beschouwd, en welhaast geheroïseerd. Het nomadische subject en de mens zonder eigenschappen worden gewaardeerd, en het denken over de stad zoekt de ‘niet-plaats’ op: de generische ruimte, de banale, verwisselbare, anonieme plek…

Hoe kijkt een fotograaf vandaag naar Gent? Een der geselecteerde kunstenaars voor het KASK-project was de Duitse fotografe Stephanie Kiwitt (°1972). Bij de eindpresentatie verscheen haar kunstenaarspublicatie over ‘De Wondelgemse Meersen’, een honderd hectaren groot en onbestemd gebied in de bovenrand van Gent. Het is een bijzonder en intrigerend beeldverhaal.

De publicatie heeft een colofon die het project situeert, maar bevat geen inleiding of commentaar. De omslag is identiek aan het grootste deel van de inhoud: drie rijen van drie foto’s per pagina, staand, zonder titel, maar wel voorzien van het identificatienummer dat de camera automatisch toekent, en een leesorde aangeeft: van boven naar beneden en van links naar rechts. Naar het einde toe wordt deze bladschikking even onderbroken door tien fullpagefoto’s. De reeks begint op de voorpagina met ‘MG 0049.CR2’ en eindigt op de achterkant met ‘MG 9700.CR2. Uit de nummering blijkt onmiddellijk dat het om een selectie gaat uit duizenden beelden. De bladschikking, die herinnert aan een blad contactafdrukken, oogt zakelijk en documentair.

Het beeld dat Kiwitt voorstelt is paradoxaal: ze documenteert met reeksen close-ups zeer uitgebreid en gedetailleerd wat er in de Wondelgemse Meersen te zien is, maar het eindresultaat van al die visuele informatie is niet het treffend portret van een specifieke plek, maar een treffende typering van een soort gebied. Dat komt doordat de essentiële elementen ontbreken die een gebied of ruimte omvormen tot een landschap, tot een geheel van met elkaar verbonden plaatsen. Om op een traditionele, archaïsche manier ruimte op te laden met betekenis en ‘plekken’ te maken, zijn er immers maar twee middelen: de grens en het centrum. Grenzen maken onderscheid, creëren tegenstellingen, waardoor het besef ontstaat dat er een ‘hier’ en een ‘daar’ is. Een centrum is opgehoopte betekenis, die uitstraling heeft of een aantrekkingskracht. Op deze wijze wordt een ruimte gehiërarchiseerd en is oriëntatie mogelijk. Een ruimte die gedifferentieerd en gehiërarchiseerd is, gestructureerd en georganiseerd, bestaat uit ‘plekken’, en daar kan men ‘weten waar men is’.

In de Wondelgemse Meersen (zoals te zien in het boek van Kiwitt) ontbreekt deze structurering. Het boek van Kiwitt toont een gebied met buitengrenzen – nu en dan botst de camera immers op een afrastering, op een omheining. Maar aan de kant waar de camera ronddwaalt, in de Meersen, zijn alle plekken gelijk. Er is geen punt waar men zich op kan richten. Men weet niet waar men is. Enkel eindeloos ronddwalen in hetzelfde is mogelijk. Zeker, de ‘grond’ die de close-ups laten zien is niet gelijk, want er zijn reeksen met modder, met struikgewas, met verbrande aarde, met gras, met kapotte koterijen, met sluikstort. Maar deze verschillen doen er nauwelijks toe omdat de ‘vorm’ overal dezelfde is.

Wat steeds allereerst naar voor komt is de afwezigheid van ordening en structuur. Elke foto (alle foto’s in het boek, en de 9700 foto’s waaruit de selectie gemaakt is) zegt: niets hier is gemaakt, niets is beslist. En zelfs: niets hier is gegroeid. Want in groei, in de natuur, werkt een dynamiek die vormen en organismen voortbrengt, gehelen die op zichzelf bestaan en zich enigszins afzonderen. In deze beeldreeksen is er echter geen element dat domineert. Dikwijls ligt een voorwerp wel letterlijk in het midden van het beeld. Maar het ligt er verloren, het straalt niet uit, het heeft niets te maken met wat ernaast ligt, het organiseert de ruimte niet, en het geeft zelfs nauwelijks een aanduiding van schaal. De ene uitzondering hierop is een dubbele pagina met foto’s van de Meersen in de sneeuw: het sneeuwtapijt bedekt de verwarring, en isoleert wat boven het wit uitsteekt, en zo ontstaat er – even – een landschap. Even lijkt het alsof al wat daar verloren ligt, toch samenkomt in iets wat op een ‘wereld’ lijkt.

De wijze waarop de Meersen hier verschijnen is vanzelfsprekend het effect van de manier waarop Kiwitt fotografeert en de beelden presenteert: in reeksen, als een herhaling, insisterend. Frontale, bijziende beelden. Er is weinig afstand in de voorgrond of helemaal geen voorgrond, er is weinig of geen doorkijk of verte, nauwelijks hemel, zeer zelden een tweede plan. Het beeld lijkt willekeurig gekadreerd, met de suggestie dat ‘dit alles’ eindeloos doorloopt. Bij het boek is één poster los toegevoegd, die kan dienen als handleiding en leeswijzer: te midden van de ‘informele’ rommel te zien op alle andere foto’s ligt een stuk landkaart. Een landkaart is iets wat de wereld schematiseert, wat toelaat te weten waar je bent en waar je heen kan. Men kan de Wondelgemse Meersen echter wel fotograferen, maar niet schematiseren. Hiervan valt, net zo min als van de zee, een ‘kaart’ te maken. De landkaart herinnert hier te midden van het vuil en de modder wel aan ‘leesbaarheid’, maar is zelf onbruikbaar en verloren.

Men zou verwachten dat deze afwezigheid van structuur en van samenhang verschijnt als ‘chaos’, of – met meer hedendaagse frases – dat de verdamping van de identiteit hier een ‘leegte’ of een afwezigheid oproept, of zelfs een apeiron die nog onder de ‘plaatsloosheid’ schuilt. Maar dat is, opmerkelijk, net niet het geval. Deze lange reeks van in elkaar schuivende, overlappende, verschuivende beelden zakt niet weg in een homogene, neutrale afwezigheid van betekenis, maar vertelt een welbepaald mythisch verhaal. Kiwitts boek over de Wondelgemse Meersen schetst een scherp, waarheidsgetrouw portret van de Wereld na de zondvloed. Het tweede begin. Niet het paradijs na de schepping, maar het moment waarop het grote water opnieuw gezakt is en al het wrakkige, dat op de bodem ligt, terug bloot komt. De Wondelgemse Meersen in Kiwitts boek zijn geen ‘natuur’, geen cultuur aangevreten door de tijd, geen marge of non-place, geen ruïne en geen vuilnisbelt. Het is de wereld na de catastrofe, na een grote gebeurtenis die alles door elkaar heeft gegooid en de wereld heeft uitgewist, waarbij de ‘natuur’ en de ‘cultuur’ gelijkelijk verwoest zijn. Er blijven dingen over, maar de plaatsen zelf zijn verdwenen. De beelden van Kiwitt zijn niet te onderscheiden van de foto’s na de tsunami.

De reeds genoemde fullpagefoto’s onderscheiden zich doordat de camera, steeds naar de grond gericht, op iets botst. De tien beelden leggen ontmoetingen vast. Het gaat telkens om het ‘portret’ van een afgebroken of afgezaagde boom die, frontaal en ongeveer manshoog, uit dit wrakkig gebied oprijst. Deze foto’s tonen de oergeste van het bouwen: verticaliteit, het rechtop zetten van een steen, een menhir, een zuil. Te midden van de woestenij – te midden van het boek dus – heeft de chaos toch niet het laatste woord, maar kondigt zij (opnieuw) de architectuur aan. Waarmee Kiwitt zonder woorden haar punt maakt en toont hoe klein de betekenissen zijn en hoe ‘onduidelijk’ de wereld is, maar tegelijk toont dat, wanneer men dat wil, er steeds opnieuw een Groot Verhaal voor het beeld schuift.

 

Wondelgemse Meersen van Stephanie Kiwitt verscheen in 2012 bij Kodoji Press, Winfried Heininger, PO BOX, 5401 BADEN (CH) (056.221.61.61; www.kodoji.ch). ISBN 9783037470442.