Dominiek Hoens

DE WITTE RAAF

Editie 159 september-oktober 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gijs van Oenen. Nu even niet! Over de interpassieve samenleving

De emancipatie van de hedendaagse westerse mens lijkt na minstens twee eeuwen voltooid: politieke besluitvorming verloopt volgens de regels van de parlementaire democratie, in diverse domeinen is er mogelijkheid tot participatie en overleg, en de eigen mening wordt meestal hoog gewaardeerd of minstens gerespecteerd, niet in de eerste plaats om wat die mening inhoudt maar omdat ze eigen is, op een persoonlijke manier werd verworven, en dus niet van buitenaf opgelegd. Die emancipatie, evenwel, blijkt niet alleen als een lust maar evenzeer als een last te worden ervaren. Wie geëmancipeerd verantwoordelijkheid neemt en dus mee de regels, wetten, normen en idealen bepaalt waarnaar gehandeld moet worden, kan zich ook moeilijk van dit normatieve kader distantiëren. De norm die we (mee) bepalen is meteen onze eigen norm en dus geen vreemd gegeven waardoor we ons als sociaal en moreel subject niet aangesproken hoeven te voelen. Integendeel, het wordt als hypocriet en dus laakbaar beschouwd om de eigen normen niet na te leven, te doen alsof ze er niet zijn, of te suggereren dat ze vooral voor anderen gelden. Nochtans lijkt grens- en normoverschrijdend gedrag opgang te maken en wordt het alvast als een van de problemen van deze tijd aangemerkt: vanuit verschillende hoeken is er een toenemende bezorgdheid om losgeslagen jongeren, een maatschappij op drift, verharde omgangsvormen, rücksichtslose zelfverrijking enzovoort. Daaraan wordt vaak een vervagend normbesef verbonden, al dan niet met verwijzing naar afwezige ouders, falende politiek, of een toegenomen individualisering.

Het interessante aan Gijs van Oenens boek ligt in het toevoegen van een sterk, enigszins contra-intuïtief idee aan deze diagnose. Volgens de auteur neemt het normbesef niet af, maar wel onze bereidheid om volgens die normen te leven, net omdat het zelfgekozen normen zijn. In de mate dat normen sinds de jaren 60 interactief tot stand komen – en dus niet louter passief als een noodzaak worden ervaren – voelen die normen anders aan. Ze zijn niet alleen een objectieve last, maar zijn ook lastig geworden omdat ze ons als een subjectieve schaduw overal volgen. Die nadrukkelijke aanwezigheid van normen maakt dat Van Oenen van metaalmoeheid kan gewagen: net zoals metaal onder voortdurende en wisselende belasting scheurtjes gaat vertonen, wordt ons normbesef, door de interactieve en dus persoonlijke grondslag ervan, ontregeld en minder alert. Kortom, net omdat we normen zelf zijn gaan kiezen, raken we er ook sneller door vermoeid, met een schijnbaar verlies aan normbesef tot gevolg. Omdat het onze normen zijn, hebben we geen excuus om ons niet aan normen te houden, maar net daarom neigen we ertoe normen sneller te overtreden. Alsof we onszelf af en toe toestaan blind en doof voor normen te zijn, want wie ze soeverein installeert kan er even soeverein genoeg van hebben en zichzelf de wens toestaan met rust gelaten te worden. ‘Nu even niet!’, zoals de veelzeggende titel van het boek luidt.

In het eerste hoofdstuk wordt de ‘interactieve metaalmoeheid’ afgebakend ten aanzien van het door Slavoj Žižek en Robert Pfaller gepopulariseerde begrip ‘interpassiviteit’. Zoals Van Oenen opmerkt is dit begrip verre van eenduidig en misschien net daarom op verschillende manieren inzetbaar binnen verschillende domeinen van de kunst- en cultuurfilosofie. De auteur weerhoudt de idee van het uitbesteden van verantwoordelijkheid, van interpretatieve arbeid, van genieten, van geloven, of van de mogelijkheid tot participatie, op die momenten dat het individu dit zelf zou moeten of kunnen doen, maar voegt eraan toe dat interpassiviteit een recent gegeven is, dat niet begrepen kan worden zonder een toegenomen interactiviteit. Hier lijkt zich een sociologische wetmatigheid af te tekenen: als interactiviteit en dus de ruimte voor inspraak en zelfbeschikking groeit, dan zal ook (de wens tot) interpassiviteit toenemen. Dit sterkt Van Oenen in de overtuiging dat interpassiviteit een heel recent en dus historisch aanwijsbaar gegeven is, waar Žižek, Pfaller en co dit minder of niet in rekening brengen. Vanuit hun lacaniaanse achtergrond menen ze dat de menselijke subjectiviteit door en door interpassief is: de symbolische orde die de omgang tussen mensen onderling en hun producten regelt, wordt door niemand echt geloofd, maar tegelijk wordt dit geloof wel aan de anderen toegeschreven. Daardoor behoudt het individu een afstand ten aanzien van datgene wat hem als sociaal wezen nochtans bepaalt, en wordt het naïeve geloof in, bij wijze van voorbeeld, het communisme aan anderen uitbesteed. Op die manier kan het individu zichzelf heimelijk als toch iets verstandiger en meer authentiek dan de anderen beschouwen. Dit is evenwel een misverstand, want net dit uitbesteden van het affirmatief omarmen van een bepaalde symbolische orde houdt deze in stand en garandeert haar werkzaamheid.

Van Oenen lijkt voor deze analyse van een gegeneraliseerde pathologie terug te deinzen, om de evidente reden dat dit niet meteen duidelijk maakt hoe men dan wél op onverdeelde wijze autonoom en geëmancipeerd kan zijn. Dat is een probleem waarmee elke lacaniaanse cultuurkritiek worstelt, maar de argumenten waarmee Van Oenen het psychoanalytische perspectief bekritiseert maken ook duidelijk hoe sterk hij ervan uitgaat dat we met zijn allen geëmancipeerde, zelfbeschikkende individuen zijn, die van de weeromstuit interactieve metaalmoeheid vertonen. Dit blijkt ook uit zijn afwijzing van de aandacht vanuit lacaniaanse hoek voor het kapitalisme om de hedendaagse vormen van subjectivering te kunnen situeren: het is hem om de Verlichting als emancipatoir project te doen, dat zijns inziens net in de voltooiing ervan ons met het probleem van de interpassiviteit als een onvoorzien neveneffect opzadelt. Toch had de focus op het kapitalisme en de haar begeleidende neoliberale ideologie tot een andere probleemstelling kunnen leiden. Vanuit die optiek is het hedendaagse individu helemaal geen vrij, voor zichzelf normen uitschrijvend, interactief subject, maar, eenvoudig gesteld, het afvalproduct van een systeem dat zich in het beste geval de illusie van autonomie kan veroorloven. De recente interpassiviteit is in dat opzicht niet zozeer het effect van een verhoogde interactieve zelfbepaling, maar de even vertwijfelde als logische reactie op een ideologie die uitlegt dat het kapitalisme niemand iets verschuldigd is en dat een mensenleven maar gerechtvaardigd kan zijn in de mate dat het wordt weggecijferd in functie van een economische noodzakelijkheid.

 

• Gijs van Oenen, Nu even niet! Over de interpassieve samenleving, verscheen in 2011 bij Van Gennep, Nieuwezijds Voorburgwal 330, 1012 RW Amsterdam (020/624.70.33; www.vangennep-boeken.nl).