Bart Verschaffel

DE WITTE RAAF

Editie 159 september-oktober 2012

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Hernemingen Jan Fabre in Wenen

Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was (1982) en De macht der theaterlijke dwaasheden (1984), de theaterstukken waarmee Jan Fabre begin jaren 80 zijn internationale reputatie als kunstenaar gevestigd heeft, zijn bekend en zelfs berucht, en ondertussen bijna legendarisch. Enkel vijftigplussers hebben ze gezien. Het grootste deel van de actieve theatermakers en van het geïnteresseerde theaterpubliek heeft de voorstellingen niet meegemaakt. Het kon er zich tot voor kort enkel een idee van vormen op basis van de gepubliceerde teksten en van de dvd’s met de bijna geïmproviseerde opnamen van de opvoeringen.

Dat Fabre de stukken herneemt is een verrassing. Een dergelijke beslissing brengt een zeker risico met zich mee, en gaat daarom ook gepaard met een zekere inzet. De hernemingen zijn deze zomer in première gegaan tijdens het ImPulsTanz-festival in Wenen, te beginnen met De macht… in het Burgtheater, een van de grootste bastions van de Europese toneeltraditie. (De eerste première van het stuk vond overigens plaats in het Teatro La Fenice in Venetië tijdens de kunstbiënnale van 1984.)

De demarche van de jonge Fabre, die vanaf het eind van de jaren 70 ook actief was als performancekunstenaar, bestond erin om het ‘theater’ op te laden met het bijzondere ‘werkelijkheidsgehalte’ eigen aan de performance en de happening. In zijn vroege voorstellingen zijn inderdaad vele basiselementen terug te vinden die Susan Sontag (in Happenings: an art of radical juxtaposition, 1962) aan deze vorm van ‘painter’s theater’ toeschrijft: de verbrokkeling van taal en dialoog, het gebruik van acteurs als ‘material objects’, het repetitief uitrekken van ‘simple acts’ en een ‘image of action characterized by ceremoniousness and ineffectuality’, het betrekken van het publiek door het uit te dagen enzovoort.

Fabre bracht zijn voorstellingen echter niet in een alternatieve kunstruimte, een galerie of experimentele theaterlocatie, en hij volgde bewust niet de quasi verplichte ‘elimination of the stage’, maar zocht net de confrontatie met het theaterpubliek en koos om te werken binnen de setting van de klassieke salle à l’italienne. De basisvoorwaarde waarop de theatersituatie berust is immers dat er op een welomschreven plaats en binnen een welbepaalde tijd iets te zien is wat niet ‘echt’ gebeurt. Acteurs voeren een ‘spel’ op voor een publiek dat betrokken wordt – de in-lusio deelt – en dat de acteurs voor de krachttoer achteraf met applaus bedankt. Wat Fabres postdramatische theater van de performance en happening onderscheidt, is niet zozeer een specifieke esthetiek, maar het werkelijkheidskarakter. Immers, de performancekunstenaar ‘speelt’ niet, maar ‘verricht’ iets – en kan zijn/haar performance dan ook niet opnieuw opvoeren. Geheel anders dan wat gefantaseerd of verteld wordt, of op toneel gespeeld wordt, schrijft de performance of happening zich als unieke handeling in de historische tijd in, met de ambitie als referentie of mijlpaal te dienen. ‘In 1974 heeft een man gedurende 3 dagen 8 uur met een wilde coyote in een kamer doorgebracht’: voilà, voor altijd.

Fabre speelt, op meerdere niveaus, deze ‘realiteit’ die door het theatercontract wordt buitengesloten uit tegen de ‘constructie’ van de toneelmatige opvoering. De clash tussen beide wordt expliciet gethematiseerd, en is in De macht… zelfs het centrale thema. In beide voorstellingen trekt Fabre deze feitelijkheid van de performance mee in de theatervoorstelling via de lichamelijkheid van de spelers én van het publiek. Cruciaal daarbij is het laten terugkeren van de reële tijd in de fictieve tijd van de voorstelling. De stukken duren respectievelijk bijna 8 en 5 uur. Dat maakt dat de acteurs niet zomaar kunnen ‘spelen’, maar een welhaast sportieve prestatie moeten leveren. Onvermijdelijk worden reële moeite en vermoeidheid – en niet een theatrale, veredelde vermoeidheid – op het toneel geëxposeerd. De duur maakt ook dat het publiek, dat na een tijd dorst krijgt en te lang zonder onderbreking in zijn stoel zit, onmogelijk geconcentreerd kan blijven, en dus nooit helemaal kan ‘opgaan’ in wat het ziet.

In Het is theater… zet Fabre 8 uur – een werkdag lang – het ‘dagelijkse leven’ op scène. Op een eenvoudig, klassiek podium verrichten acht acteurs twintig scènes lang basishandelingen. Roken, rondtollen, zich wassen, aan- en uitkleden, springen, trappelen, likken, hummen, lachen, gorgelen. En ze herhalen de banale uitspraken en woorden die de dagelijkse handelingen begeleiden. Het echte leven bestaat uit die eindeloze herhaling van hetzelfde, maar dit repetitief karakter verbergt zich in de variaties en gedachteloosheid. Door met acht ‘acteurs’, in uniform, deze gebaren te isoleren, gesynchroniseerd en ritmisch te herhalen, en ook nog eens opnames van geënsceneerde prototypes ervan met 8mm-projectors op de lichamen van de spelers te projecteren, wordt het loze karakter ervan pijnlijk expliciet. De voorstelling insisteert door de uitermate gerekte scènes en – geheel anders dan de messy esthetiek van de happeningtraditie – door een strenge, nietszeggende vormelijkheid, die eerder nog ontleend is aan de dans en het circus dan aan het theater.

De macht der theaterlijke dwaasheden is een complexere en meer ambitieuze voorstelling, tegelijkertijd het complement van en een repliek op Het is theater…. In De macht… thematiseert Fabre het geheel onverwachte succes van Het is theater… als evidentie van de essentiële ‘dwaasheid’ van het theater, en hij maakt van dat succes de ‘sleutel’ tot de intrige van zijn nieuwe voorstelling. De macht… bestaat uit 16 taferelen waarin telkens een ‘motief’ of een verhaalkern gelinkt wordt aan een muziek- en/of tekstfragment uit de theatergeschiedenis en aan een klassiek schilderij. Deze voorstelling deconstrueert niet de dagelijksheid, maar de basismythes van het theater en de kunst: de Liefde (met Hoofdletter) en de Kunst (het kunstenaarschap, het succes…). Twee gekende sprookjes leveren de kernbeelden van de taferelen: De Nieuwe Kleren van de keizer – de Kunst die naakt is zonder dat iemand het opmerkt – en De Prinses die de kikker tot Prins kust – de Kunst die van een gewone jongen een Kunstenaar maakt. En door de reeks taferelen loopt er één lijn: de canon van het avant-gardetheater van begin jaren 80, te beginnen bij ‘Richard Wagner, Ring des Nibelungen, Festspielhaus, Bayreuth, 1876’, over alle grote opvoeringen en referenties van het vernieuwend theater (Maurice Béjart, Peter Brook, Heiner Müller, Pina Bausch…), om te culmineren in ‘Het is Theater zoals te voorzien en te verwachten was, Jan Fabre, Theater Stalker, Brussel, 1982’. Fabre, toen net 26, liet zijn stuk dus eindigen met het uitdagend usurperen van de theatergeschiedenis.

Voor de hernemingen heeft Fabre de twee stukken niet aangepast of ‘geactualiseerd’. Ze worden nagenoeg tot in de details gespeeld zoals ze gecreëerd werden. Het is theater… bevat geen duidelijke referenties en komt daardoor gemakkelijker los van de context. De macht… daarentegen, waarin de brutale toe-eigening van de traditie en het herschrijven van de theatercanon cruciaal is, is duidelijk gedateerd: het stuk stopt immers in 1984 en refereert aan pioniers en voorstellingen die voor de grote meerderheid van het publiek en de jonge theatermakers vandaag onbekend of reeds oude geschiedenis zijn. De kans bestond dus dat zeker De macht… als een ‘historische opvoering’ zou overkomen, waarvoor men een intellectuele en museale interesse kan opbrengen, maar zich in het verleden moet verplaatsen om het belang of de sterkte ervan te zien.

Maar zo is het, merkwaardig genoeg, niet gegaan. De première van de ‘gedateerde’ De macht… in het Burgtheater is na bijna dertig jaar net zo ontvangen als in de theaters in Vlaanderen in 1984, met dezelfde zeer uiteenlopende en tegenstrijdige reacties van toen: toeschouwers die luid reageren en roepen, aarzelende collectieve pogingen om met gelach het gebeuren op scène toch grappig te vinden, ostentatief de zaal verlaten, en ten slotte een lange staande ovatie van een uitgedund publiek.

Het basisprincipe dat verklaart waarom deze voorstellingen hun oorspronkelijke kracht en ongemakkelijkheid na bijna drie decennia behouden, is wellicht meteen de reden waarom een positieve consensus over het theaterwerk van Fabre – en misschien om gelijkaardige redenen ook over zijn beeldende kunst – onmogelijk is: een eigensoortige radicaliteit en overdaad.

Bijvoorbeeld: in De macht… laat Fabre 4 acteurs in rij perfect gelijktijdig hun dode geliefde in hun armen dragen, vooraan op het toneel teder neerleggen, zich statig en melancholisch afwenden en weer naar achter stappen, waarna de geliefde weer tot leven komt, naar haar Prins huppelt, in zijn armen springt en sterft, waarna de Prins opnieuw… enzovoort. Door deze scène, die narratief en formeel geheel gesloten en duidelijk is, een kwartier lang te herhalen breekt de schone vorm. De helden raken immers uitgeput en zweten echt, de synchronie en de hoofsheid slijten weg, de meisjes worden hun gewicht. En de geoefende toeschouwer heeft dit begrepen, en is daar best tevreden om. Vervolgens gaat Fabre echter nog eens minutenlang door, tot de ‘acteurs’ – werkelijk onnodig, ‘onverantwoord’ – vallen en zich pijn doen, en de scène ook voor de toeschouwer pijnlijk en irriterend wordt. De esthetische afstandelijkheid en het ‘begrip’ bieden geen bescherming meer tegen de affreuze scène. Wat niet meer mooi en zinvol is, is immers geen theater meer, en we krijgen zin om op te stappen. Theater dus, enigszins zoals te voorzien en te verwachten, en ‘voor gevorderden’.

 

• Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was wordt op 29 en 30 september en De macht der theaterlijke dwaasheden wordt op 12, 13 en 14 oktober opgevoerd in deSingel, Desguinlei 25, 2018 Antwerpen (03/248.28.28; www.desingel.be).

 

• De Nederlandse tekst van beide stukken is opgenomen in: Jan Fabre, Ik ben een fout. Theaterscripts & theaterteksten (1975-2004), Antwerpen, Meulenhoff/Manteau, 2004. De stukken zijn uitgegeven in het Engels en Frans, met de historische opnames op dvd: Jan Fabre, C’est du théâtre comme c’était à espérer et à prévoir / This is theatre like it was to be expected and foreseen, Paris, L’Arche, 2009 (2 dvd’s, 431’); Le pouvoir des folies théâtrales / The power of theatrical madness, Paris, L’Arche, 2009 (1 dvd, 256’).