Dominic van den Boogerd

DE WITTE RAAF

Editie 162 maart-april 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Neo Rauch, The Obsession of the Demiurge. Selected Works 1993-2012.

Schilderen is voor Neo Rauch de voortzetting van de droom met andere middelen. Een waar woord, als je zijn tentoonstelling in Bozar bekijkt. De schilderijen zijn al even onsamenhangend als wat we meemaken in onze slaap. Veel komt vaag bekend voor, maar laat zich moeilijk thuisbrengen. Er worden chemische proeven gedaan, vuurpijlen afgeschoten, optochten gehouden, wilde dieren getemd, bergen beklommen. Alsof we bladeren in een ouderwets jongensboek (vrouwen komen in dit aseksuele universum nauwelijks voor). De personages keren zich af van onze blikken en lijken volledig in beslag genomen door hun bezigheden. Vaak voltrekken zich op de achtergrond minder onschuldige gebeurtenissen, zoals martelingen, plunderingen of executies. Het resultaat is een vreemde mengeling van geborgenheid en angst, van vertrouwdheid en vrees.

Het decor van deze geschilderde dromen wordt gevormd door handelsbeurzen, bouwplaatsen, dorpstraten. Het heeft de couleur locale van de voormalige DDR, waar de kunstenaar in 1960 is geboren, als wees bij zijn grootouders is opgegroeid en waar hij nog altijd woont. Inderdaad geven de schilderijen het gevoel dat menigeen heeft ervaren die kort na de val van de Muur oostwaarts reisde: alsof je teruggaat in de tijd. Rauchs anonieme arbeiders lijken met hun vetkuiven en veterlaarzen zo uit een vergeelde partijkalender gestapt. Het is dan ook verleidelijk dit werk te begrijpen als een allegorie op de verweesde samenleving van wat eens de heilstaat was. Sociaal-realisme, zoals indertijd in het Oostblok werd gepropageerd, kun je het niet noemen. Sociaal–surrealisme komt dichter in de buurt.

Typerend voor de vroege schilderijen zijn de illustratieve stijl die aan strips doet denken, de gedateerde lettervormen en de kleuren van goedkoop drukwerk (enkele doeken zijn in slechts twee of drie tinten geschilderd). De keuze voor kleur houdt voor de kunstenaar nauw verband met herinneringen aan zijn kindertijd. Het heeft hem het verwijt opgeleverd dat zijn werk nostalgisch is en conservatief. Ten onrechte. Ik vind het een vindingrijke verwerking van de beelden die de visie van de kunstenaar sinds zijn jonge jaren moeten hebben gevormd. Bovendien valt te prijzen dat een figuratief schilder zich voor de verandering eens niet beroept op foto’s, maar op het geheugen. Rauchs schilderkunst van halve herinneringen, bange vermoedens en onbeheersbare emoties wordt ook wel bewonderd om deze ‘onbeschermde individualiteit’ (Tim Sommers).

Meerdere werken verwijzen naar het schilderen zelf als magische of heroïsche daad. De kunstenaar verschijnt ten tonele als rusteloze guerrillastrijder (Konvoi, 2003), als vermoeide rockster (Rauch, 2005) of als uitverkorene der goden (Revo, 2010). Steevast is hij de eenling die zijn eigen weg gaat, die zich ontworstelt aan de communis opinio en in verzet komt tegen zijn vijanden. Het heeft iets pathetisch en competitiefs, zonder dat het irriteert. Amusant is hoe een schilder de les wordt gelezen door twee struise manwijven in scouting uniform – een toch wat curieuze personificatie van vijandige kunstkritiek (Der Vorhang, 2005). De oubollige kunstbraderie in Abendmesse (2012) is een sneer naar de verhitte kunstmarkt die Rauchs doeken voor miljoenen verhandelt.

De demiurg in de titel van de tentoonstelling staat voor de schepper, de maker, de tovenaarsleerling die iets nieuws creëert, een revolutie veroorzaakt, maar de gevolgen van zijn handelingen niet de baas is. De tentoonstelling voert de bezoeker terug in de tijd via zorgvuldig samengestelde groepen werken, van de recente drukbevolkte doeken tot de schrale werken op papier uit begin jaren 90. Het retrospectieve parcours wordt gespiegeld in Der Rückzug (2006), dat een blik gunt in een paviljoen waar Rauchs eigen werk hangt, waaronder Plazenta (1993) dat in de laatste zaal is te zien. Het heet een ode aan de scheppende kracht van de vrouw, aan de status nascendi, de natuurlijke tegenpool van de geobsedeerde demiurg. Dat lijkt me wat vergezocht. Ik zie eerder weemoed over de afwezige moeder.

Neo Rauch verstaat zijn vak. Hij kan fantastisch schoenen schilderen; een winterlucht zwanger van sneeuw – hij beheerst het tot in de finesses. Ingenieus zijn de razend knappe composities waarin verschillende voorstellingen met elk een eigen schaal aaneen zijn gevoegd tot één groot labyrintisch tableau. De kleuren gloeien en fonkelen. Fel geel in combinatie met purper, hard groen, hemelsblauw. Bijzonder zijn de schaduwen, roestbruin van kleur, die herinneren aan de lome namiddagzon van de Italiaanse meesters. Elk detail valt op, schreeuwt om aandacht. Waar een schilderij van bijvoorbeeld Luc Tuymans een understatement is, is een werk van Neo Rauch een krachtige overdrijving.

Zoals bij veel Duitse kunstenaars is ook hier een belangstelling merkbaar voor nationale historie, afkomst en cultuur. Immendorff en zijn generatie trachtten in het reine te komen met het zwarte verleden van nazisme en koude oorlog. Rauch leeft zich uit in een onheilspellende heimatfantasie, een ontspoorde kostuumfilm waar personages uit verschillende tijdvakken gelijktijdig de filmset betreden, zonder script. Het is een wereld van poppen, niet van mensen, van bordkarton in plaats van architectuur. Duits, zeker, maar dan het Duitsland van kerstmarkten en modelspoorbanen. Een anachronistische opera voor biedermeiermuzikanten en agenten van de Volkspolizei. De schilderijen zijn indrukwekkend en benauwend. De tekeningen zijn speelser, luchtiger, lichtvoetiger – een aangename onderbreking in het parcours. Wanneer je de tentoonstelling verlaat, is het alsof je ontwaakt uit een nare droom. Een nachtmerrie over een apocalyptisch avondland die zich nauwelijks laat navertellen.

 

Neo Rauch. The obsession of the Demiurge. Selected works 1993-2012, tot 19 mei in Bozar, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel (02/507.82.00; www.bozar.be).