Kees Keijer

DE WITTE RAAF

Editie 162 maart-april 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Oskar Fischinger.

Het is lastig om door de zalen van Eye te lopen zonder aan digitalegraphics te denken, aan allerlei muziekvideo’s of hedendaagse animatiefilms. Oskar Fischinger (1900-1967) werkte vanaf 1920 aan abstracte films die hun tijd ver vooruit waren. In Spiralen (ca. 1926), dat vertoond wordt in de eerste zaal, wordt de bezoeker meteen in de tentoonstelling gezogen. Op een groot scherm draaien ronde en cirkelvormige lijnen door elkaar heen in een hallucinerend schouwspel. Andere films op kleine schermen zijn soms minder abstract, maar niet minder experimenteel.

Fischinger werd geboren in Gelnhausen, bij Frankfurt am Main. Als jongen leerde hij vioolspelen en ging hij in de leer bij een orgelbouwer. In 1922 verhuisde hij naar München, waar hij naam maakte met special effects die hij vervaardigde voor speelfilms. Daar begon hij ook met het maken van zelfstandige films, soms in samenwerking met componisten. Hij gebruikte een techniek met bonken gekleurde was, die in plakjes gesneden werden en zo steeds nieuwe beelden opleverden. In de zomer van 1927 verhuisde Fischinger naar Berlijn. De tocht vanuit München ondernam hij te voet, waarbij hij onderweg filmde met een 35mm-camera. De road movie, die pas na zijn dood bekend werd, is opgebouwd uit – zeker voor die tijd – ongelofelijk snel opeenvolgende shots die nogal contrasteren met de pastorale landschappen en dorpsgezichten die de revue passeren. In Berlijn specialiseert Fischinger zich in animaties en special effects voor kunstfilms, reclames en speelfilms, waaronder Fritz Langs Frau im Mond (1929). Door commerciële opdrachten had hij toegang tot state of the art technieken en productiemethoden, wat ook zijn vrije werk ten goede kwam. Vanaf 1930 maakte hij een prachtige reeks Studies die sterk in samenhang met de muziek stonden. De klank van de muziek werd door Fischinger vertaald in ritmische lijnen die over het doek dansen. Tekeningen vormden steeds de basis voor de films, maar Fischinger had een nieuwe techniek ontwikkeld waardoor de lijnen elkaar steeds vloeiend volgen, zonder haperingen.

Van vrijwel alle films op de tentoonstelling – die chronologisch is opgebouwd – worden ook de bijbehorende tekeningen getoond. De stills zien eruit alsof ze aan het Bauhaus gemaakt zijn, of afkomstig zijn uit het atelier van Kandinsky, Klee, Miro, Albers of zelfs veel latere kunstenaars als Vasarely of Riley. Brieven en documenten in vitrines geven achtergrondinformatie over de films. Al met al is het tentoonstellingsconcept helder en overzichtelijk, en valt er veel te ontdekken. Alleen al de geluidsexperimenten van Fischinger zijn fascinerend en vooruitstrevend.

Fischingers films werden in Berlijn vertoond en zeer gewaardeerd, maar ook in het buitenland maakte hij snel naam. Op uitnodiging van de Nederlandse Filmliga bezocht hij in 1931 Nederland. Diverse Studies werden in Amsterdam en Den Haag vertoond. Ook Amerikaanse filmstudio’s kregen Fischinger in de gaten en de overstap naar Hollywood werd bijna een verplicht avontuur toen zijn films door de nazi’s entartet werden verklaard.

In de vroege jaren 30 had Fischinger een reeks spectaculaire kleurenfilms gemaakt, zoalsKreise (1933-34), waarin gekleurde cirkels en bollen op het ritme van de muziek door het beeld bewegen. Daarna volgden Quadrate en Komposition in Blau, met geometrische patronen die opnieuw een choreografie vormen ondersteund door muziek, dit keer klassieke muziek en jazz. De techniek werd ontwikkeld door de Hongaarse chemicus Bela Gaspar, die later ook naar Hollywood vertrok en zijn uitvinding verkocht aan Technicolor.

Fischinger zelf ging in 1936 naar Los Angeles, waar hij werkte aan Walt Disney's Fantasia(1940). Na korte tijd verliet hij de studio uit onvrede met het artistieke beleid van Disney. Zijn magnum opus, Motion Painting No. 1 (1947), ontstond met steun van Hilla von Rebay van het Museum of Non-Objective Painting, het latere Solomon R. Guggenheim Museum. Fischinger schilderde op plexiglas en fotografeerde elke kwaststreek, negen maanden lang. Het kunstminnende milieu in de Verenigde Staten liep echter niet echt warm voor zijn films. Motion Painting No. 1 kreeg geen vervolg en het contact met Von Rebay verliep stroef.

In een brief uit 1949 schreef Fischinger verbitterd aan Von Rebay dat hij naar Nederland wilde verhuizen. ‘It is much nicer to hunger and starf [sic] with the hungry people over there then [sic] to see your own children starf [sic] in a place so rich that it could not be richer.’ Amerikanen zagen volgens Fischinger de waarde van zijn werk niet en waren alleen maar geïnteresseerd in ‘more iceboxes, more television sets, more cars, more gadgets’. Tot een verhuizing naar Nederland kwam het echter niet. In plaats daarvan ging Fischinger steeds meer schilderen in olieverf, maar vreemd genoeg kun je die doeken in deze context moeilijk anders zien dan als gemankeerde films. Af en toe maakte hij een commercial. Hij bleef experimenteren, met muziekmachines en met de lumigraph, een interactief touchscreen uit 1950.

 

• Oscar Fischinger, Experiments in Cinematic Abstraction, tot 17 maart in EYE, IJpromenade 1, 1031 KT Amsterdam (020/589.14.00; www.eyefilm.nl).