Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 162 maart-april 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jean-Jacques Henner, Sensualité et spiritualité. A la recherche de l’absolu.

Het musée Henner in Parijs is een van de sympathiekste en een van de meest curieuze musea van de stad. Anders dan het bekendere kunstenaarsmuseum gewijd aan Gustave Moreau in dezelfde wijk, is Henners museum niet door de kunstenaar zelf ingericht. Sterker nog, het is gehuisvest in de voormalige atelierwoning van een andere 19de-eeuwse kunstenaar, ene Guillaume Dubufe, die onder meer het plafond van de bibliotheek van de Sorbonne beschilderde. Dubufe had een eclectische smaak en het interieur houdt het midden tussen een renaissancepalazzo en een Egyptische lusthof, en is afgewerkt met Dorische zuilen en een Chinese schoorsteenmantel. In 2009 werd het museum na een langdurige renovatie heropend, maar het sluit vanaf juli opnieuw voor een jaar, om een geplaveide binnentuin te herstellen en er een café annex literaire ‘performance’-ruimte van te maken. De ambities van het kleine museum liggen in het verlengde van de 19de-eeuwse salons: een breed publiek wordt gelokt door middel van een randprogramma, inclusief concerten in het museum. Dit is wellicht nodig voor een museum dat uitgaat van het oeuvre van één enkele kunstenaar, maar de collectie is op zichzelf al de moeite waard. Ze bestaat niet alleen uit belangrijke schilderijen uit Henners oeuvre, maar bevat ook tal van schetsen en studies die inzicht geven in het schilderproces. Door middel van wisselende tentoonstellingen waarin de collectie wordt aangevuld met bruiklenen wordt telkens een ander aspect van het werk belicht.

De tentoonstelling Sensualité et spiritualité thematiseert de rol van religie in Henners schilderijen – een onontkoombaar maar complex onderwerp in de kunst van de 19de eeuw. Vanaf zijn vroegste werk was Henner gefascineerd door twee dode Christussen: die van Holbein in Basel en die van Philippe de Champaigne in het Louvre. Een serie opgebaarde Christussen in zijaanzicht toont de invloed van deze voorgangers. De poëtische vrijheid die Henner zich steeds meer permitteerde wordt onder meer duidelijk in de toevoeging van figuren uit zijn eigen omgeving. In een mysterieus onvoltooid werk zien we een van Henners broers en de weduwe van een andere broer rouwend naast het krijtwitte lichaam van de dode heiland, terwijl Henners dode zuster Eugenie spookachtig opdoemt uit een donkere deurpost. De laatnegentiende-eeuwse iconografie van geestverschijningen was hier ongetwijfeld van invloed. Het spiritisme was echter slechts een van de vele uitingen van het openbreken van de metafysica in de tweede helft van de 19de eeuw. De religieuze ‘malaise’ na de doodverklaring van God leidde voorts ook tot de opkomst van esoterisme en occultisme.

De ontwikkeling van Henners oeuvre, waarin religieuze figuren consequent een belangrijk onderwerp vormen, laat goed de verschuiving van een monotheïstisch godsbeeld naar een meer open religieuze ervaring zien. Aan het begin van zijn carrière sloot zijn weergave van de lichamen van Bijbelse figuren aan bij het toen vigerende naturalisme. De jaren 1860 en 1870 werden in Frankrijk gekenmerkt door een tendens om Bijbelse figuren te vermenselijken, zo staat te lezen in een van de drie doorwrochte catalogusessays die het werk van Henner historisch, religieus en esthetisch contextualiseren. Behalve een zaaltje met enkele van zijn vroege Bijbelse figuren (studies, schetsen en schilderijen) bevat de tentoonstelling ook Bijbelse voorstellingen van tijdgenoten. Afgezet tegen bijvoorbeeld Bonnats Job (1880), een schilderij dat het publiek deed griezelen door zijn naturalistische weergave van gerimpeld oud vlees, is de huidweergave van Henner al vanaf het begin licht geïdealiseerd. Hoewel hij net als Théodule Ribot een voorliefde had voor een dramatisch clair-obscur, lijkt Henners onmenselijk witte Saint Sébastien in niets op dezelfde martelaar bij Ribot. Bij deze laatste wordt het clair-obscur ingezet met een realistisch, ziekelijk effect dat doet denken aan El Greco, Goya of Courbet. Bij Henner daarentegen voeren de vorm en het kleurcontrast de boventoon en is het effect eerder gericht op het ‘bevredigen’ van het oog. De keuze voor de term ‘sensualiteit’ in de tentoonstellingstitel is dan ook geheel gerechtvaardigd.

Vooral bij drie schilderijen van Madeleine is Henners aandacht voor een ‘sensuele’ lichaamsweergave duidelijk zichtbaar. Op het vroegste van de drie (1860) etaleert de zondares met een brutale blik haar torso. Haar goudgeel belichte vlees is vele malen aanlokkelijker dan dat van een bleke en angstige Madeleine bij de academische schilder Paul Baudry. De huid van een tweede, slapende Madeleine in zijaanzicht uit 1874 toont de eerste sporen van een sfumato dat Henners latere werk karakteriseert. De prominentie van het Pruisisch blauwe lendendoek toont hoe Henner het absolute niet langer via de voorstelling probeerde te benaderen, maar via de schilderkunstige elementen zelf. Hierin was hij een voorloper van de moderne kunst. De derde Madeleine (1878) is de indrukwekkendste. Gereduceerd tot drie kleuren tegen een zwarte achtergrond beslaat de knielende figuur meer dan de helft van het doek. Haar vibrerende, suggestieve en vluchtige aanwezigheid lijkt te verwijzen naar een niemandsland, ergens tussen het hier en het hiernamaals. Het is dan ook een goede keuze om het werk van Henner in de laatste zaal te vergelijken met heiligenfiguren van Odilon Redon en Pierre Puvis de Chavannes: twee kunstenaars die eveneens de anatomische correctheid verruilden voor een directe ‘spiritualiteit’ van vorm en kleur.

 

• Jean-Jacques Henner, Sensualité et spiritualité. A la recherche de l’absolu, tot 17 juni in het Musée national Jean-Jacques Henner, 43 avenue de Villiers, 75017 Parijs (01/47.63.42.73; www.musee-henner.fr).