Dries van de Velde

DE WITTE RAAF

Editie 162 maart-april 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Manet: Portraying life.

De eerste kamer van Manet: Portraying Life in de Londense Royal Academy of Arts opent met een veelbelovende ambitie. De zaaltekst legt uit dat de tentoonstelling een overzicht van Manets portretkunst wil bieden en dat ze wil tonen hoe hij, doordrongen van de kunst van de Parijse salons, zijn portretten steeds meer en meer trachtte af te stemmen op de eigentijdse, vroegmoderne maatschappij. Deze these wordt verder verbeeld in een grote print van een schilderij van Henri Fantin-Latour waarop we Manet zien achter de schildersezel in zijn atelier. Hij schildert een portret van een collega-kunstenaar die voor hem zit, terwijl ze beiden omringd zijn door individuen ‘die net als Manet kunnen gezien worden als boegbeelden van het moderne leven’, onder wie Emile Zola, Claude Monet en Auguste Renoir. De afbeelding suggereert dat het ‘moderne leven’ dat Manet in zijn portretten binnenbrengt, in de eerste plaats als een sociale dimensie gezien wordt. Die indruk wordt ook bevestigd bij het doorlopen van de tentoonstelling, die grofweg uit drie grote delen bestaat. In de eerste drie zalen, met in totaal slechts een viertal portretten, krijgen we een zicht op Manets familie en leefwereld. Daarna volgen vier zalen met portretten van vaak eigentijdse sociale beroemdheden en grotendeels met een sterk klassieke inslag. De laatste zaal ten slotte toont vijf werken waarin het model Victorine Meurent afgebeeld wordt in verschillende omgevingen. De selectie van de werken en de begeleidende teksten trekken de aandacht zozeer naar deze vriendenkring dat Portraying Life grotendeels voorbijgaat aan de cruciale schilderkunstige ontwikkelingen die zichtbaar zijn in Manets werk.

Zoals de openingstekst in de eerste zaal al aangeeft, vertrekt Manets werk uit de salontraditie. Tussen 1860 en 1883, het jaar van zijn overlijden, introduceerde de schilder echter voortdurend nieuwe stijlelementen. De op deze tentoonstelling samengebrachte werken maken deze evolutie zichtbaar en daarom alleen al loont het de moeite om ze te bezoeken. Een goed voorbeeld is de manier waarop Manet omgaat met de relatie tussen de geportretteerde en de achtergrond. Hij neemt geleidelijk aan afstand van de klassieke salonportretten, die alle aandacht richten naar de afgebeelde persoon. Dit wordt duidelijk vanaf de tweede zaal in de tentoonstelling, die een overzicht biedt van Manets familieportretten. In de lijn van de traditionele portretschilderijen geeft Manet zijn figuranten vaak een of ander voorwerp mee: een kat, een fiets of zelfs kledij uit de tijd van Rubens. In een werk als Le Déjeuner (dans l’atelier) zet hij een volgende stap. Hij plaatst achter de geportretteerde een uitgewerkt tafereel met figuranten. Toch blijft in dit soort werk het portretkarakter nog duidelijk primeren boven de taferelen in de achtergrond.

De begeleidende teksten gaan helaas niet in op dit soort verschuivingen, ook niet in de laatste zaal die enkele werken omvat waarin Manet de verhouding tussen portret en achtergrond nog meer onder spanning zet. Dat gebeurt met name in het fantastische Le Chemin de fer waarvoor Victorine Meurent model stond. Geportretteerde en achtergrond komen hier op hetzelfde niveau te staan, en het is zelfs de trein, waarvan je enkel de stoomwolk ziet op de achtergrond, die de titel aan het doek geeft. Het schilderij toont hoe Manet in zijn latere werk de directe blik van een portretschilderij combineert met het soort stedelijke en landschappelijke taferelen dat we kennen uit het werk van de impressionisten. Anderzijds hoef je maar de treinschilderijen voor de geest te halen die Monet enkele jaren later in de Gare Saint-Lazare maakte, om in te zien dat Manet veel meer bleef vasthouden aan klassieke elementen uit de kunst van de Parijse salons. Dit soort spanningen tussen de salonkunst en het impressionisme of tussen figurant en achtergrond zijn belangrijk voor de kunsthistorische betekenis van Manet.

De curatoren leggen echter alle nadruk op wat zij het ‘moderne leven’ noemen en houden zich in de begeleidende teksten voornamelijk bezig met de bekende tijdgenoten die in Manets werk opduiken. Een hele zaal is voorbehouden voor het relatief kleine schilderijMusique aux Tuileries. In de zaaltekst wordt enkel gesproken over Manets rol als orkestrator van het afgebeelde groepsportret. Er wordt met geen woord gerept over de bevreemdende, radicale compositie van het schilderij, waarin alweer twee personen eerder een portretstatus hebben tegenover een achtergrond vol figuranten.

Wat verder, in vier opeenvolgende zalen vol portretten, brengt de tentoonstelling enkel de biografie van de afgebeelde personen ter sprake, en hun belang in het 19de-eeuwse Parijs. Van een analyse of een kunsthistorisch betoog is hier amper nog sprake. De curatoren beperken zich tot anekdotische persoonsbeschrijvingen bij werken die overigens niet altijd tot de interessantste uit Manets oeuvre behoren. Slechts enkele werken weten zich te onderscheiden, zoals de innemende afbeeldingen van Berthe Morisot of Mallarmé, niet toevallig opnieuw doeken waar Manet het klassieke idee van een portret onder spanning zet.

Manet: Portraying Life is een uitgelezen kans voor wie de gespletenheid in het oeuvre van Manet wil ontdekken, met de invloeden van het salon enerzijds en van de laatnegentiende-eeuwse moderne strekkingen anderzijds. Dat deze blockbustertentoonstelling daarbij een element van herkenning wil aanbieden aan haar publiek, met name door te verwijzen naar culturele iconen uit Manets tijd, is heel begrijpelijk. Dat die insteek leidt tot een overmaat aan anekdotiek en een gebrek aan duiding bij de schilderkunstige ontwikkelingen van de kunstenaar, is daarentegen problematisch.

 

• Manet: Portraying Life, tot 14 april 2013 in The Royal Academy of Arts, Burlington House, Piccadilly, London W1J OBD (020/7300.8000; www.royalacademy.org.uk). Informatie en boekingen: www.royalacademy.org.uk/events (reservatie wordt aangeraden).