Daniël van der Poel

DE WITTE RAAF

Editie 163 mei-juni 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

‘Men vergeet dat onderwijs een precaire relatie is tussen student en docent’

Gesprek met Wouter Davidts over zijn docentschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Daniël van der Poel: Hoe heb je het onderwijs als student aan de Universiteit Gent ervaren?

Wouter Davidts: Mijn studententijd was een periode met een hoge graad van zelfredzaamheid. Toen ik in 1992 architectuur ging studeren, bestond de opleiding aan de ingenieursfaculteit net een paar jaar en waren er nog veel losse eindjes. Maar als studenten klaagden wij niet wanneer vakbeschrijvingen onduidelijk waren of programma’s gedurende het jaar veranderden; we namen de gelegenheid te baat om onze zin te doen en allerlei zaken uit te proberen. Onduidelijkheden zagen wij niet als gebreken, maar als vrijheden. We grepen ze aan om de opdrachten voor onszelf interessant te maken – wat er in mijn geval meestal op neerkwam dat ik er beeldende kunst bij betrok. Ik denk trouwens dat de docenten ons min of meer bewust aan ons lot overlieten. Tot op vandaag neem ik die situatie als uitgangspunt. Ik weiger bijvoorbeeld om in het eerste college een volledig omlijnd lesprogramma te presenteren, laat staan al mee te delen wat het examen zal inhouden.

D.v.d.P.: Na je studie promoveerde je aan de Universiteit Gent. Vervolgens werkte je daar vijf jaar als postdoc en daarnaast verrichtte je onderzoek aan onder meer het Londense Goldsmiths College en het Henry Moore Institute in Leeds. In 2009 trad je aan als hoogleraar Kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Welke verschillen ervoer je tussen het onderwijs aan de VU en de opleiding die je zelf aan de Universiteit Gent had genoten?

W.D.: Toen ik in Nederland begon, duurde het enige tijd voordat ik begreep hoe studenten er een studietraject aflegden. Ze werken het curriculum vaak in hun eigen tempo af, zonder veel externe druk. In Gent was het de gewoonte dat een student zich inschreef voor een compleet studiejaar en alle bijhorende vakken in twaalf maanden afrondde. Het kon zelfs gebeuren dat je herexamens kreeg of in extremis een heel jaar moest overdoen, omdat je één of meerdere vakken niet haalde. De docenten hadden de verantwoordelijkheid om te bepalen wat je redelijkerwijs binnen een bepaalde periode kon verwerken. Als student werd er van je verwacht dat je die leerstof binnen de gezette termijn tot je nam. Dat was moeilijk, maar vanuit een later beroepsperspectief erg waardevol. De aanpak is op dit vlak echter drastisch veranderd.

D.v.d.P.: Hoe verklaar je die verandering?

W.D.: In de loop der jaren is de organisatie van het onderwijs steeds meer in handen gekomen van de administratie. Academici hebben dat aanvankelijk toegejuicht omdat het hun werklast verlaagde, maar gaandeweg werd het gehele onderwijs onderworpen aan een bureaucratisch systeem van regels, afspraken, studieadviezen, handleidingen enzovoorts. Tegenwoordig krijgen studenten op de eerste dag van hun opleiding urenlang uitleg over klachtenregelingen, het opvragen van cijfers en andere organisatorische zaken. Op een zeker moment kwam ik zelfs een handleiding voor een studiehandleiding tegen. Wanneer je studenten op die manier blijft aanspreken, dan verliezen zij het besef dat het onderwijs in essentie vertrekt van een precaire relatie tussen student en docent, die vorm krijgt tijdens de colleges.

D.v.d.P.: Heeft de Bolognaverklaring daar een rol in gespeeld?

W.D.: De Bolognaverklaring biedt een antwoord op de vraag hoe je binnen het hoger onderwijs in Europa uitwisseling mogelijk kunt maken. Dat is een positief uitgangspunt; het is goed dat er nu meer mogelijkheden tot uitwisseling zijn. Er is echter een zeer bureaucratisch systeem ontstaan dat op allerlei niveaus de plaats heeft ingenomen van wat voorheen via menselijke contacten en afspraken verliep. Het studiepuntensysteem bijvoorbeeld, dat voortkwam uit de Bolognaverklaring, heeft van de student een soort cliënt gemaakt die zelf bepaalt hoe hij of zij een opleiding samenstelt en doorloopt. Ik heb het meegemaakt dat studenten papers indienden voor vakken die ze twee jaar voordien hadden gevolgd of dat ze twee jaar niets van zich lieten horen om dan plots een scriptie in te leveren. Het gekke is dat ik op zulke momenten niet bleek te beschikken over formele middelen waarmee ik hen duidelijk kon maken dat de redelijke termijn voor het inleveren van die stukken ruimschoots was overschreden.

D.v.d.P.: Heeft de instroom van studenten wel eens problemen opgeleverd, bijvoorbeeld omdat ze onvoldoende kennis bezaten?

W.D.: Een gebrek aan voorkennis kun je meestal oplossen door lees- en kijkwerk op te dragen. Veel lastiger is het wanneer een masterstudent voorheen heel schools is aangesproken. Dat is binnen een jaar bijna niet te overkomen. Ik vind het overigens te verkiezen dat studenten binnen een opleiding – en liefst op dezelfde dag – te maken krijgen met docenten die op zeer diverse manieren omgaan met het materiaal. Zulke interne verschillen worden door sommigen als problematisch of zelfs als inconsequent gezien, maar volgens mij is het heel leerzaam.

D.v.d.P.: Is de formalisering van het onderwijs prominenter in Nederland dan in België?

W.D.: Mijn indruk is dat de formalisering van het onderwijs in heel Europa en de Verenigde Staten toeneemt. Om vanuit mijn eigen ervaring te spreken… ik ben nu twee maanden gastdocent aan de Universiteit Gent. Doordat mijn aantreden van recente datum is, klopt de beschrijving van mijn vak in de studiegids nog niet met de nieuwe invulling die ik eraan geef. Daar heb ik de studenten in het eerste college op gewezen; maar na twee weken is een student naar de ombudsman gestapt om zijn zorgen te uiten over de discrepantie tussen de beschrijving en de feitelijke inhoud van het vak, zonder mij hierover persoonlijk aan te spreken. Ik vind het vreemd dat zaken die in principe onderdeel zijn van een onderhandeling tussen student en docent nu meteen via de administratieve weg worden benaderd. De vraag is wie voor die ontwikkeling verantwoordelijk is. Je kunt boos worden op de studenten – en ik heb na dit incident een college aan studeerethiek gewijd – maar ik denk dat deze manier van handelen vooral voortkomt uit de manier waarop ze worden aangesproken.

D.v.d.P.: Hoe vind je dat studenten dan wel moeten worden aangesproken en hoe doe je dat in het huidige onderwijsklimaat?

W.D.: Laat me nog een voorbeeld geven. Enige tijd geleden voerde het Nederlandse kabinet-Rutte I een inmiddels gewijzigde regeling in tegen het langstuderen. Ik vond het in principe goed dat er iets werd gedaan tegen onnodig lang studeren, maar de beleidsmakers interpreteerden de situatie uitsluitend in financiële en politionele termen. Dat resulteerde in een regeling die docenten hun verantwoordelijkheid ontzegde. Wanneer er bij problematisch studiegedrag automatisch een boete wordt uitgedeeld, word je als docent buitenspel gezet. Kort na de invoering van de regeling heb ik bij het begin van een college aan de Vrije Universiteit aan mijn studenten verteld dat ik die regeling verfoei omdat ze studenten aanspreekt als potentiële delinquenten. Ik heb ze uitgelegd dat een vak draait om samenwerking en dat ik verwachtte dat iedereen aan het einde van het semester het examen zou doen. Uiteindelijk heeft ook bijna iedereen dat gedaan. Sommigen hebben het niet gehaald, maar in ieder geval zijn ze op een volwassen manier aangesproken.

D.v.d.P.: Onlangs verscheen een rapport dat kritisch is over de kwaliteit van het onderwijs aan de Vrije Universiteit. De problemen zouden voortkomen uit een eenzijdige nadruk op expansie en een gebrek aan contact tussen het universiteitsbestuur en de werkvloer. Kort na het verschijnen van het rapport trad de rector magnificus af. Zelf nam je vorig jaar afscheid als hoogleraar. Hoe ervoer jij de contacten tussen de verschillende lagen van de universiteit?

W.D.: Kort voor mijn vertrek hebben we met de voltallige Opleidingscommissie van de afdeling Kunst & Cultuur, waarvan ik twee jaar lang voorzitter was, een brief geschreven aan de onderwijsdirecteur, de decaan en het afdelingshoofd. Die brief was een opsomming van knelpunten op het vlak van onderwijs waar we in die twee jaar mee waren geconfronteerd. Van het toenmalig afdelingshoofd ontving ik een officiële brief terug met de mededeling dat er kennis was genomen van de inhoud van onze brief, maar dat het verder een zaak was voor de onderwijsdirectie. Deze vreemde combinatie van bestuurlijke afstandelijkheid ten opzichte van het onderwijs en het delegeren van verantwoordelijkheid kwam ik gedurende mijn aanstelling voortdurend tegen en heeft me telkens erg verbaasd. Als ik terugkijk op de ontwikkelingen aan de Vrije Universiteit, dan zijn de nu veelbesproken problemen bij het college van bestuur duidelijk. De verantwoordelijkheid die de afdelingshoofden en decanen dragen, komt echter onvoldoende aan bod. Hebben zij wel voldoende gestreden voor de eer en de integriteit van hun respectievelijke vakgebieden? Het is te makkelijk om als hoogleraar of afdelingshoofd te wijzen naar het faculteitsbestuur, als faculteitsbestuur naar het college van bestuur, en als college van bestuur naar Den Haag. Degenen die bestuurlijke verantwoordelijkheid hadden, ook de academici onder hen, verscholen zich daar vaak achter. Ze vulden hun mandaat in als een plichtpleging in plaats van de kans te grijpen om het instituut mede vorm te geven en te handhaven. De neiging tot persoonlijk zelfbehoud in de middenlaag van de universiteit was voor mij een belangrijke reden om mijn ontslag in te dienen.

D.v.d.P.: Kun je een concreet voorbeeld geven van de gevolgen van dergelijk zelfbehoud?

W.D.: Op een zeker moment kregen we als stafleden de opdracht na te denken over nieuwe studierichtingen die veel studenten zouden trekken. Eigenlijk ging het daarbij in eerste instantie over het financieel behoud van de universiteit. Het risico van consumentenlogica in het onderwijs is dat de nadruk komt te liggen op fashionable studies ten koste van klassieke, traditionele opleidingen. Het is belangrijk dat men blijft nadenken over de manier waarop een studie in het heden staat, maar niet vanuit een eenzijdig financieel perspectief. Ik geloof ook niet dat een klassieke discipline als kunstgeschiedenis tegenwoordig op dezelfde manier wordt onderwezen als veertig jaar geleden; zowel traditie als vernieuwing speelt daarin een rol. In reactie op die opdracht heb ik gezegd dat ik niet wil weten wat mensen willen studeren, laat staan dat ik de keuze van mijn lesstof in functie daarvan wil bepalen. Ik zie het zo: als je als docent wordt aangesteld, dan ben je tegelijk verantwoordelijk en aansprakelijk voor het onderwijs dat je de studenten aanbiedt. Dat neem ik erg serieus, maar beschouw ik tevens als een privilege. Ik wil echter wel zelf kunnen bepalen wat mijn studenten te leren krijgen, om ze daar vervolgens zo goed mogelijk in bij te staan. Wanneer ze vragen hebben bij de selectie van het lesmateriaal, dan verwacht ik dat ze mij uitleggen waarom, zodat ik daar vervolgens op kan reageren. Zo krijg je een heel interessante uitwisseling, die veronderstelt dat je als docent volledig achter je onderwijs staat, maar die ook vereist dat je het relatieve karakter van je eigen keuzes en kennis durft te onderkennen.

D.v.d.P.: Hoe kan een docent zonder functionele macht de situatie verbeteren?

W.D.: Het is belangrijk dat we als docenten beseffen dat we ons niet aan de regels moeten houden. Er is bijvoorbeeld vastgelegd hoeveel woorden een student per week mag lezen. Natuurlijk moet je rekening houden met de studielast, maar je kunt je studenten best uitleggen dat ze een keer niet één maar twee boeken moeten lezen, omdat ze anders de week daarop geen goede discussie kunnen voeren over het betreffende onderwerp. Ze zullen dan mopperen, maar ook beseffen dat het gaat om hun ontwikkeling. Als we als docenten dat soort dingen niet meer durven, dan geven we uiteindelijk alle verantwoordelijkheid weg.

D.v.d.P.: Keert jouw omgang met de regels zich wel eens tegen je?

W.D.: Eén keer ging het glorieus mis. In het voorjaar van 2011 zaten mijn collega’s en ik ermee dat er op korte termijn van alles moest worden geregeld voor het volgende collegejaar: de beschrijvingen van de vakken, de vakcodes, de opmaak van de studiegids et cetera. Nu hadden de werkcolleges eigenlijk allemaal dezelfde structuur. Ik stelde daarom voor om te breken met de regel dat elk vak een administratieve eenheid is en al die colleges onder één vak met één eindverantwoordelijke en één vakcode onder te brengen. Die onconventionele aanpak zou een pak administratie schelen en bovendien hoefde niet alles op voorhand vast te liggen, zodat we gedurende het jaar interessante activiteiten konden inlassen. Mijn plan liep echter uit op een nachtmerrie. Het systeem was zo dwingend dat de docenten geen cijfers konden uitdelen voor hun onderdeel omdat er geen aparte vakcodes waren. Uiteindelijk hebben we alsnog al die aparte vakken moeten aanmaken, wat al met al veel extra werk betekende. Tegenover mijn collega’s heb ik deemoedig moeten erkennen dat mijn voornemen naïef was geweest.