Fredie Floré

DE WITTE RAAF

Editie 163 mei-juni 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Modernisme: Belgische abstracte kunst en Europa

Architectuur & vormgeving

De tentoonstelling Modernisme. Belgische abstracte kunst en Europa in het Gentse MSK sluit af met een zaal gewijd aan ‘architectuur en vormgeving’. Op het eerste zicht toont de langgerekte tentoonstellingsruimte wat men van dit onderwerp kan verwachten. Hoewel de inhoudelijke opbouw van de ‘afdeling architectuur’ – zoals ze in de catalogus wordt genoemd – in de zaal zelf niet expliciet wordt toegelicht, maakt de tentoonstellingsfolder duidelijk dat er drie subthema’s zijn. Het eerste thema, ‘De tuinwijkgedachte’, wordt geïllustreerd met onder meer het gekende huisvestingsproject ‘La Cité Moderne’ van Victor Bourgeois en ‘Klein Rusland’ van Huib Hoste en Louis Van der Swaelmen. Het tweede thema, ‘Naar een ornamentloze bouwkunst’, gaat in op de ontwikkelingen op het vlak van het woningontwerp uit de jaren 20 en vroege jaren 30 en toont hoe architectuur, plastische kunsten en vormgeving elkaar binnen deze context ontmoetten. We zien onder meer woning- en meubelontwerpen van Louis-Herman De Koninck, Gaston Eysselinck en Huib Hoste, een interieurontwerp van Marcel-Louis Baugniet, behangpapier van Victor Servranckx, een thee- en koffieservies van Georges Vantongerloo. Het derde thema (‘De stad van de toekomst’) belicht een aantal ambitieuze projecten voor de moderne stad, waaronder de plannen van Le Corbusier voor de Antwerpse Linkeroever en het stedenbouwkundig plan van Victor Bourgeois voor de Brusselse Noordwijk. Het tentoongestelde materiaal is rijk en gevarieerd, en dat wordt door de opstelling zelf onderlijnd. Tekeningen en foto’s hangen aan de muur – ingekaderde originelen op een andere hoogte dan de rechtstreeks op de muur gekleefde reproducties. Contemporaine tijdschriften en boeken, meubelen en kleinere voorwerpen zijn ondergebracht in een lang houten volume in het midden van de zaal dat voorzien is van vitrines en ruimtes voor open opstellingen. Alles bij elkaar brengt de zaal een dankbaar overzicht van een grotendeels gekend beeld van modernisme en architectuur in België.

Toch lijkt hier en daar een van de tentoongestelde stukken tot een alternatief perspectief aan te zetten. Zo is een van de eerste originele stukken die je te zien krijgt een intrigerende potloodtekening van de Nederlandse architect J. L. Mathieu Lauweriks. Het gaat, zo vertelt het onderschrift, om een ontwerp voor het interieur van de Duitse afdeling op de Wereldtentoonstelling in Gent in 1913. De tekening zelf is abstract en moeilijk te interpreteren, maar alles wijst erop dat ze in eerste instantie de brug dient te maken met een van de belangrijkste aanleidingen en uitgangspunten van de hele modernismetentoonstelling en van diverse andere evenementen in de stad: het honderdjarige jubileum van de Gentse wereldtentoonstelling van 1913. Een passage in de catalogustekst van architectuurhistoricus en curator van de afdeling architectuur Marc Dubois schept wat meer duidelijkheid, niet zozeer over het ontwerp van Lauweriks zelf (daarvoor kunnen we beter terecht in het recent uitgegeven boek Gent 1913. Op het breukvlak van de moderniteit), maar over de verwijzing in de architectuurzaal naar het Duitse paviljoen. Hij stelt dat 1913 als een beginpunt kan worden gezien voor het verhaal over het modernisme in de architectuur in België, niet alleen omwille van de bekende lezingenreeks van Berlage in Brussel, maar ook omwille van de Duitse afdeling op de wereldtentoonstelling in Gent. Er was in die afdeling, zo legt Dubois uit, immers werk te zien van onder meer Behrens, Gropius, Van de Velde en Lauweriks, en er werd uitgebreid aandacht besteed aan stedenbouw en aan de tuinwijkgedachte. Dit perspectief – de betekenis van wereldtentoonstellingen als katalysatoren in de ontwikkeling van de modernistische architectuur in België – is veelbelovend, maar wordt niet uitgewerkt tot een thematische lijn of zwaartepunt in de afdeling architectuur. De tekening van Lauweriks roept dan ook meer vragen op dan dat ze antwoorden geeft.

Een ander perspectief dat de afdeling architectuur uitgebreider aankaart, zij het ook op het tweede plan, is de verwantschap tussen de kunsten. Deze kwestie komt aan bod bij het thema ‘Naar een ornamentloze bouwkunst’ en vormde wellicht ook de aanleiding om de zaal de titel ‘architectuur en vormgeving’ mee te geven. Maar de verwantschap tussen de kunsten duikt ook op in de andere delen van de architectuurafdeling. Het opmerkelijke ‘project voor een brug’ van kunstenaar Georges Vantongerloo, gepresenteerd aan de hand van een maquette, een perspectieftekening en een technische tekening, hoort thuis bij ‘De stad van de toekomst’ en is, samen met het reeds genoemde koffie- en theeservies, een mooie aanvulling op zijn beeldend werk dat in andere zalen van de modernismetentoonstelling is te zien. De vele fotografische afbeeldingen en de diverse tentoongestelde publicaties onderlijnen bovendien het belang van de fotografie voor de ontwikkeling en de beeldvorming van de moderne architectuur – iets wat Dubois terecht aanstipt in zijn catalogustekst. Op internationaal vlak is de relatie tussen architectuur en nieuwe media de voorbije decennia herhaaldelijk aangekaart, in het bijzonder door architectuurtheoretica Beatriz Colomina. Maar ondertussen zijn ook andere uitdagende inzichten over modernistische architectuur en (toegepaste) kunsten geformuleerd, zoals recent nog door architectuurhistorica Alina Payne in haar boek From ornament to object. Genealogies of architectural modernism (2012). Payne betoogt daar dat er een verband bestaat tussen het verdwijnen van het ornament in de architectuur en de toenemende interesse van architecten voor (de vormgeving van) gebruiksvoorwerpen. In de afdeling architectuur van het MSK of de catalogus komen dergelijke nieuwe of alternatieve inzichten echter nauwelijks aan bod. De nadruk ligt op een introducerend beeldverhaal van wat we onder architectuur en modernisme in België kunnen verstaan.

 

Modernisme: Belgische abstracte kunst en Europa (1912-1930), tot 30 juni in het Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, 9000 Gent (09/240.07.00, www.mskgent.be).