Birgit Cleppe

DE WITTE RAAF

Editie 163 mei-juni 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Leen Voet, Sint-Rita, Netwerk, Aalst

Jezus Arbeider, Sint-Rita, Sint-Alena, Sint-Bartholomeus en Sint-Pius X. Vijf verschillende heiligen, vijf verschillende kerken uit de jaren 60 en 70, vijf verschillende interieurs. De Brusselse kunstenares Leen Voet brengt ze samen in één ruimte en in één verblindende installatie. Vijf doeken zijn op evenveel grote, wit geschilderde houten ezels genageld die verspreid in de ‘studio’ van Netwerk staan opgesteld. Elk doek is beschilderd met een interieurbeeld van een van de kerken waarin felle kleuren als kanariegeel, fuchsia rose en fluorescerend groen elkaar overstemmen. De kleurenexplosie straalt door de beglaasde wand van de studio heen tot in de belendende gang. De vloer van de studio is duivengrijs geschilderd, maar de drie zijwanden dopen de plek in een pauselijk gele gloed.

Reeds in 2003, met het werk 1890, vervaardigde Voet gemanipuleerde beeltenissen van een volksinterieur – ze kreeg er de prijs Jonge Belgische Schilderkunst, prijs Langui voor. De dia's die ze voor deze installatie nam – close-ups van muurschilderingen, van het stucwerk aan het plafond of een detail van een wasrek waar de kleren van de bewoners hangen te drogen – waren met verschillende technische methodes gemanipuleerd. Ze werden gespiegeld, in negatief omgezet, of er was aan de kleurbalans gemorreld. Twee versies werden telkens samen op overhoeks geplaatste schermen geprojecteerd.

Ook voor Sint-Rita herleidt Leen Voet de interieurzichten tot vlakke composities. Haar beelden zijn opgebouwd uit fauvistisch aandoende, strak afgelijnde kleurvelden zoals de glasramen van een kerk. Toch blijven de interieurs als dusdanig herkenbaar. Architectonische elementen als ramen, deuren, arcades, opstapjes en dakspanten, alsook de aanwezigheid van religieuze symbolen als het kruisbeeld, het icoon of het orgel bieden de toeschouwer voldoende houvast om de context te identificeren. Hoewel vloeren en tapijten hier en daar van de doeken dreigen te glijden – een reminiscentie aan de gebrekkige perspectieven in laatmiddeleeuwse schilderkunst? – blijft de architecturale verschijningsvorm van de ruimtes herkenbaar.

De klassieke ruimtelijke hiërarchie die dergelijke interieurs kenmerkt, wordt echter volkomen uitgevlakt. De kunstenares slaagt erin een andere compositorische rangorde te introduceren. Een plant, verluchtingsrooster of luidspreker krijgt plots hetzelfde statuut als een kaars of het altaar. Door de surrealistische kleurkeuzes verdwijnt daarenboven elke vorm van waarheidsgetrouwe lichtwerking die aan architectuur diepte en massa kan verlenen. Raamvlakken zijn roze, kapitelen blauw en rood, het orgel is groen en de kaarsen – die nooit branden – zijn op één doek zelfs zwart. De interieurs van Voet zijn bijgevolg verworden tot blinde kamers, kleurrijke atmosferen zonder gewicht.

De materialiteit van het werk zit niet in wat afgebeeld wordt, maar in de dragers waarop de interieurs zijn aangebracht. Het ruwe canvas komt tevoorschijn aan de rafelranden van de doeken. Die zijn niet op een klassiek raamwerk ‘strakgespannen’, maar werden eenvoudigweg aan de houten structuur van de ezels gespijkerd. In het eenvormige keurslijf van de installatie – dezelfde dragers, dezelfde afmetingen, dezelfde beeldtaal en hetzelfde kleurgebruik – lossen de vijf onderscheiden identiteiten van de interieurs bijna volledig op. Dat elke ezel toch een licht andere vorm heeft, is bijna een ironische knipoog van de kunstenares, die in haar werk de impact van de representatiemethode en het aleatoire karakter van de reproductie thematiseert. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat geen van de ruimtes zoals Leen Voet ze heeft afgebeeld in gebruik zijn. Ze lijkt vooral gefascineerd door het kerkelijke interieur als kader voor display, getuige de talrijke podia, staanders, kaders en sokkels die op de schilderwerken staan afgebeeld.

Ook in het totaalbeeld van de installatie blijven de staanders nadrukkelijk aanwezig. De doeken zijn zo in de ruimte opgesteld dat ze vrijwel onmogelijk als alleenstaand werk bekeken kunnen worden. De achtergrond van de geel geschilderde wanden dringt zich door de strategische oriëntatie van de werken aan de toeschouwer op. Het resultaat is een voortdurende collisie van de vele hevige kleuren, binnen elk doek, tussen de doeken onderling en tussen de doeken en de geel geschilderde wanden van de ruimte. Er spruit een onrust uit voort, die maar moeilijk met de ascese van een gebedsruimte in overeenstemming te brengen valt. Sint-Rita knuffelt haar aanschouwers dood met een even veelkleurige als verstikkende horror vacui.

 

• Leen Voet, Sint-Rita, tot 16 juni in Netwerk / centrum voor hedendaagse kunst, Houtkaai z/n, 9300 Aalst (053/70.97.73; www.netwerk-art.be).